Conclusie
Onderdeel Ivan het middel van de man keert zich met verschillende klachten tegen rov. 23, waar het hof concludeert dat de in rov. 22 geschetste feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien geen andere conclusie toelaten dan dat de man opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen heeft verzwegen, en dat de door hem gestelde gemoedstoestand na het overlijden van zijn vader onvoldoende rechtvaardiging vormt voor dit verzwijgen, nu de man wist dat het onroerend goed tot de gemeenschap behoorde en getracht heeft dit goed door opzettelijke verzwijging buiten de verdeling te houden.
eersteklacht heeft het hof, door de gestelde gemoedstoestand aan te merken als onvoldoende rechtvaardiging voor het verzwijgen, een onjuiste maatstaf aangelegd bij de toepassing van het begrip ‘opzettelijk verzwijgen’ in de zin van art. 3:194 lid 2 BW Pro. Het hof zou hebben miskend dat een dergelijke gemoedstoestand aan opzet in de weg staat (vzs tot cassatie nrs. 12-14 (eerste deel)).
wistdat de betreffende goederen tot de gemeenschap behoorden. [1] Het hof heeft dit criterium in rov. 23 toegepast: het heeft immers aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat de man wist dat het onroerend goed tot de gemeenschap behoorde.
tweedeklacht gericht (vzs tot cassatie nrs. 14 (tweede deel)-15). Volgens deze klacht kon het hof niet tot de conclusie komen dat de man
wistdat het onroerend goed tot de gemeenschap behoorde, hetgeen ’s hofs oordeel omtrent het opzet onbegrijpelijk doet zijn. Daartoe wordt aangevoerd (i) dat de man, naar hij heeft gesteld (verweerschrift incidenteel beroep, nr. 11), na de toedeling in 2001 geen bemoeienis meer heeft gehad met het beheer van het onroerend goed, en (ii) dat het hof heeft overwogen (rov. 10) dat niet gebleken is dat de man huurinkomsten geniet uit het onroerend goed, waaruit volgt dat van beheer niet is gebleken.
derdeklacht (vzs tot cassatie nr. 16) heeft het hof, zo begrijp ik, niet voldaan aan zijn
verzwaarde motiveringsplicht, die voortvloeit uit de omstandigheid dat in ‘lichtere’ gevallen waarin op zich wel een rechtvaardiging bestaat voor verzwijging, (i) de andere echtgenoot de (reële) mogelijkheid behoudt om het goed in een later stadium alsnog in een verdeling te betrekken, en (ii) de bekendheid van de andere deelgenoot met het verzwegen bestanddeel moet worden meegewogen.
onderdelen II a en II bberusten op de lezing dat het hof in rov. 23 art. 3:194 lid 2 BW Pro heeft toegepast op het volledige onroerend goed te Suriname, derhalve ook op de noordelijke helft. Geklaagd wordt dat dit onjuist althans onbegrijpelijk is. Daartoe wordt betoogd dat (het hof aldus voorbij is gegaan aan stellingen van de man waaruit blijkt dat) de man weliswaar de eigendom heeft van een zuidelijk deel van het bedoelde perceel in Suriname, maar zijn broer eigenaar is van het noordelijk deel, en de man momenteel enkel een aanspraak op levering daarvan jegens zijn broer heeft.
voor zoverdit aan de zijde van de man in de huwelijksgemeenschap is gevallen” (rov. 23, met mijn curs.). In het dictum van zijn beschikking heeft het hof partijen dan ook gelast om in het kader van de verdeling over te gaan tot goederenrechtelijke levering aan de vrouw – zonder verrekening van de waarde – van “het aan de zijde van de man in de gemeenschap toegevallen
aandeel” (lees:
gedeelte,A-G) in het onroerend goed te Suriname (p. 9, met mijn curs.). De beslissingen van het hof kunnen niet anders begrepen worden dan dat naar zijn oordeel de man zijn aandeel heeft verbeurd in het onroerend goed
voor zover hij eigenaar is van dat onroerend goed. Op de man rust dus, anders dan onderdeel II a betoogt, geen verplichting onroerend goed over te dragen dat niet aan hem in eigendom toebehoort en dus niet van zijn zijde in de gemeenschap is gevallen.
conclusiestrekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a lid 1 RO.