ECLI:NL:PHR:2015:407

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2015
Publicatiedatum
13 april 2015
Zaaknummer
15/00642
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:194 lid 2 BWArt. 80a lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opzettelijke verzwijging van onroerend goed in huwelijksgemeenschap bij echtscheiding

In deze zaak staat de verdeling van onroerend goed binnen de ontbonden huwelijksgemeenschap centraal. De vrouw vordert toewijzing van het volledige onroerend goed te Suriname dat volgens haar tot de gemeenschap behoort, zonder dat de man hiervoor een waardevergoeding ontvangt. Het hof Den Haag oordeelde dat de man opzettelijk dit onroerend goed heeft verzwegen, waardoor het rechtens aan de vrouw toekomt.

De man stelde dat zijn gemoedstoestand na het overlijden van zijn vader een rechtvaardiging vormde voor het verzwijgen, en dat hij na toedeling in 2001 geen beheer meer voerde over het onroerend goed. Het hof verwierp deze verweren, stellende dat de man wist dat het onroerend goed tot de gemeenschap behoorde en dat het verzwijgen bewust was om het buiten de verdeling te houden.

De Hoge Raad concludeert dat de klachten van de man tegen het oordeel van het hof niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof heeft terecht geoordeeld dat sprake is van opzettelijke verzwijging zoals bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW Pro. Ook is het oordeel over het eigendom van het noordelijke deel van het perceel correct geïnterpreteerd, waarbij het hof alleen het aandeel van de man in de gemeenschap toewijst aan de vrouw.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de man niet-ontvankelijk op grond van art. 80a lid 1 RO, waarmee het oordeel van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard en het hofbesluit dat het onroerend goed aan de vrouw toekomt zonder verrekening blijft in stand.

Conclusie

15/00642
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 3 april 2015
CONCLUSIE inzake art. 80a RO
[de man],
verzoeker tot cassatie,
tegen:
[de vrouw],
verweerster in cassatie
1. In deze zaak over de vaststelling van de verdeling van de door echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen (hierna ‘de man’, respectievelijk ‘de vrouw’), is de man tijdig in cassatie gekomen van de beschikking van het hof Den Haag van 12 november 2014. In cassatie gaat het om het verzoek van de vrouw om het volledige onroerend goed te Suriname, gelegen aan de [a-straat] te [plaats], kadastraal bekend onder nr. [001], derhalve de noordelijke en zuidelijke helft van het erf met gebouwen, ten titel van art. 3:194 lid 2 BW Pro, zonder enige toerekening van de waarde daarvan aan de man, toe te delen aan de vrouw.
2. Het hof heeft daaromtrent geoordeeld dat uit de feiten en omstandigheden die uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting zijn gebleken, geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de man opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen heeft verzwegen als bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW Pro, met als gevolg dat het onroerend goed te Suriname, voor zover dit aan de zijde van de man in de huwelijksgoederengemeenschap is gevallen, toevalt aan de vrouw (rov. 22-23). In het dictum heeft het hof partijen gelast om over te gaan tot goederenrechtelijke levering aan de vrouw – zonder verdere verrekening van de waarde – van het aan de zijde van de man in de gemeenschap gevallen aandeel in het onroerend goed te Suriname gelegen aan de [a-straat] in [plaats], distrikt [plaats].
3. De tegen dit oordeel en deze beslissing aangevoerde klachten rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dat laat zich als volgt toelichten.
4.
Onderdeel Ivan het middel van de man keert zich met verschillende klachten tegen rov. 23, waar het hof concludeert dat de in rov. 22 geschetste feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien geen andere conclusie toelaten dan dat de man opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen heeft verzwegen, en dat de door hem gestelde gemoedstoestand na het overlijden van zijn vader onvoldoende rechtvaardiging vormt voor dit verzwijgen, nu de man wist dat het onroerend goed tot de gemeenschap behoorde en getracht heeft dit goed door opzettelijke verzwijging buiten de verdeling te houden.
5. Volgens de
eersteklacht heeft het hof, door de gestelde gemoedstoestand aan te merken als onvoldoende rechtvaardiging voor het verzwijgen, een onjuiste maatstaf aangelegd bij de toepassing van het begrip ‘opzettelijk verzwijgen’ in de zin van art. 3:194 lid 2 BW Pro. Het hof zou hebben miskend dat een dergelijke gemoedstoestand aan opzet in de weg staat (vzs tot cassatie nrs. 12-14 (eerste deel)).
Deze klacht faalt. Blijkens de wetsgeschiedenis is met het woord ‘opzettelijk’ in art. 3:194 lid 2 BW Pro tot uitdrukking gebracht dat de bepaling slechts geldt indien de deelgenoot
wistdat de betreffende goederen tot de gemeenschap behoorden. [1] Het hof heeft dit criterium in rov. 23 toegepast: het heeft immers aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat de man wist dat het onroerend goed tot de gemeenschap behoorde.
6. Tegen laatstgenoemd oordeel is vervolgens de
tweedeklacht gericht (vzs tot cassatie nrs. 14 (tweede deel)-15). Volgens deze klacht kon het hof niet tot de conclusie komen dat de man
wistdat het onroerend goed tot de gemeenschap behoorde, hetgeen ’s hofs oordeel omtrent het opzet onbegrijpelijk doet zijn. Daartoe wordt aangevoerd (i) dat de man, naar hij heeft gesteld (verweerschrift incidenteel beroep, nr. 11), na de toedeling in 2001 geen bemoeienis meer heeft gehad met het beheer van het onroerend goed, en (ii) dat het hof heeft overwogen (rov. 10) dat niet gebleken is dat de man huurinkomsten geniet uit het onroerend goed, waaruit volgt dat van beheer niet is gebleken.
Deze klacht faalt reeds omdat niet valt in te zien waarom het feit dat de man na de toedeling van het onroerend goed aan hem in 2001 [2] geen beheer meer over het goed heeft gevoerd, meebrengt dat hij niet wist dat het (hem toegedeelde) goed tot de gemeenschap behoorde.
7. Volgens de
derdeklacht (vzs tot cassatie nr. 16) heeft het hof, zo begrijp ik, niet voldaan aan zijn
verzwaarde motiveringsplicht, die voortvloeit uit de omstandigheid dat in ‘lichtere’ gevallen waarin op zich wel een rechtvaardiging bestaat voor verzwijging, (i) de andere echtgenoot de (reële) mogelijkheid behoudt om het goed in een later stadium alsnog in een verdeling te betrekken, en (ii) de bekendheid van de andere deelgenoot met het verzwegen bestanddeel moet worden meegewogen.
Deze klacht faalt reeds omdat zij berust op een rechtsopvatting die geen steun vindt in het recht.
8. Naar aanleiding van alle klachten gezamenlijk zij ten slotte nog opgemerkt dat deze zich keren tegen een in hoge mate feitelijk oordeel – geparafraseerd: uit de in rov. 22 opgesomde feiten en omstandigheden van het geval blijkt opzettelijke verzwijging – dat geenszins onbegrijpelijk is. [3] Het onderdeel, dat met een overwegend juridisch vormgegeven betoog het vorenstaande lijkt te miskennen, geeft ook niet aan in welk opzicht ’s hofs (feitelijke) conclusies onbegrijpelijk zijn.
Onderdeel I acht ik dan ook klaarblijkelijk ongegrond.
9. De klachten in de
onderdelen II a en II bberusten op de lezing dat het hof in rov. 23 art. 3:194 lid 2 BW Pro heeft toegepast op het volledige onroerend goed te Suriname, derhalve ook op de noordelijke helft. Geklaagd wordt dat dit onjuist althans onbegrijpelijk is. Daartoe wordt betoogd dat (het hof aldus voorbij is gegaan aan stellingen van de man waaruit blijkt dat) de man weliswaar de eigendom heeft van een zuidelijk deel van het bedoelde perceel in Suriname, maar zijn broer eigenaar is van het noordelijk deel, en de man momenteel enkel een aanspraak op levering daarvan jegens zijn broer heeft.
10. Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden, omdat zij uitgaan van een evident verkeerde lezing van de beschikking van het hof. Ofschoon het hof in rov. 22 ook enige aandacht besteedt aan de zgn. “Noordelijke helft” van het perceel (vgl. het achtste tot en met het tiende gedachtestreepje), overweegt het hof niet dat de man eigenaar is geworden van het noordelijk deel (zoals de vrouw heeft gesteld en de man gemotiveerd heeft bestreden). Anders dan in bijv. rov. 21, laat het hof in rov. 23 en het dictum vermelding van de aanduidingen ‘Noordelijke’ of ‘Zuidelijke helft’ achterwege. Het onderdeel ziet eraan voorbij dat het hof heeft overwogen dat het onroerend goed te Suriname conform art. 3:194 lid 2 BW Pro aan de vrouw toevalt “
voor zoverdit aan de zijde van de man in de huwelijksgemeenschap is gevallen” (rov. 23, met mijn curs.). In het dictum van zijn beschikking heeft het hof partijen dan ook gelast om in het kader van de verdeling over te gaan tot goederenrechtelijke levering aan de vrouw – zonder verrekening van de waarde – van “het aan de zijde van de man in de gemeenschap toegevallen
aandeel” (lees:
gedeelte,A-G) in het onroerend goed te Suriname (p. 9, met mijn curs.). De beslissingen van het hof kunnen niet anders begrepen worden dan dat naar zijn oordeel de man zijn aandeel heeft verbeurd in het onroerend goed
voor zover hij eigenaar is van dat onroerend goed. Op de man rust dus, anders dan onderdeel II a betoogt, geen verplichting onroerend goed over te dragen dat niet aan hem in eigendom toebehoort en dus niet van zijn zijde in de gemeenschap is gevallen.
11. De
conclusiestrekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 630.
2.Akte van scheiding en deling d.d. 23 februari 2001 (overgelegd als prod. I bij brief van 24 juli 2013).
3.Vgl. voor een soortgelijk geval, waarin de man in eerste aanleg volhield dat van buitenlandse banktegoeden geen sprake was, hof ’s-Hertogenbosch 24 maart 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH8197, waarover A. Wakker, EB 2009/66.