ECLI:NL:PHR:2015:421

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2015
Publicatiedatum
14 april 2015
Zaaknummer
14/02533
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 6 EVRMArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak primair tenlastegelegde en veroordeling medeplichtigheid aan gijzeling

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, namelijk de gijzeling zelf, maar hem veroordeeld voor medeplichtigheid aan gijzeling. Verdachte stelde zijn stacaravan ter beschikking als locatie waar het slachtoffer werd vastgehouden.

Het hof baseerde zijn oordeel op onder meer telefonische contacten tussen verdachte en medeverdachten, de locatie van de stacaravan nabij de woning van verdachte, en het feit dat verdachte geen aannemelijke verklaring gaf voor het gebruik van zijn stacaravan. Het slachtoffer werd gedurende ruim een week tegen zijn wil vastgehouden in de stacaravan, geboeid aan een tafel.

Verdachte werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten gunste van de benadeelde partij. Het cassatieberoep van verdachte werd door de Procureur-Generaal als kansloos beoordeeld, met name vanwege voldoende bewijs voor wetenschap en medeplichtigheid.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk, wegens medeplichtigheid aan gijzeling.

Conclusie

Nr. 14/02533
Zitting: 10 maart 2015
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte] [1]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 5 september 2013 de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en hem wegens subsidiair “medeplichtigheid aan gijzeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Ten aanzien van een onder verdachte inbeslaggenomen Nokia telefoon heeft het Hof de teruggave gelast aan [betrokkene 6]. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en verdachte dienaangaande een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald.
2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.L. Plas, advocaat te Bunnik, heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van de medeplichtigheid en/of het opzet van verdachte en voorts dat het Hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt strekkende tot vrijspraak.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“[betrokkene 4] en [betrokkene 6] en [medeverdachte] en [betrokkene 3] en/of een of meer mededader(s) in de periode van 24 november 2011 tot en met 1 december 2011 te Utrecht en te Hilversum tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een persoon, genaamd [betrokkene 1], wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten (de vader) [betrokkene 2] te dwingen 3 miljoen euro, althans 2,5 miljoen euro, aan voornoemde [betrokkene 4] en/of [betrokkene 6] en/of [medeverdachte] en/of [betrokkene 3] en/of diens mededader(s) te betalen, immers hebben zij, voornoemde [betrokkene 4] en/of [betrokkene 6] en/of [medeverdachte] en/of [betrokkene 3] en/of diens mededader(s), tezamen en in vereniging met anderen,
- [betrokkene 1] opgewacht bij zijn woning en
- [betrokkene 1] in een (gereed staand busje gestopt en
- [betrokkene 1] (tegen zijn wil) vervoerd naar een woonwagen/ stacaravan, gelegen aan de Anton Philipsweg te Hilversum en
- [betrokkene 1] (tegen zijn wil) vastgehouden in voornoemde woonwagen/stacaravan (door hem vast te binden aan een tafel en hem bij voortduring te bewaken) en
- meermalen telefonisch contact opgenomen met de vader van [betrokkene 1] [betrokkene 2] en deze [betrokkene 2] medegedeeld dat 'ze zijn zoon hadden' en dat 'hij drie miljoen euro moest betalen als hij zijn zoon weer zou willen zien',
ten behoeve van welk feit, verdachte, in de periode van 24 november 2011 tot en met 1 december 2011, te Hilversum opzettelijk zijn stacaravan aan de [d-straat] ter beschikking heeft gesteld, althans opzettelijk tot de wederrechtelijke vrijheidsberoving/gijzeling een plaats heeft verschaft.”
5. Het Hof heeft in zijn arrest nog het volgende overwogen:

Overweging met betrekking tot het bewijs van de subsidiair tenlastegelegde
Verdachte ontkent te hebben geweten dat het slachtoffer van de gijzeling werd vastgehouden in zijn stacaravan. Volgens de raadsvrouw moet verdachte worden vrijgesproken van medeplichtigheid aan de gijzeling.
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
De gijzeling
Op 24 november 2011 omstreeks 21:30 uur wordt [betrokkene 1] in de buurt van zijn ouderlijke woning in Utrecht door twee mannen met bivakmutsen in een gereedstaande personenauto gestopt. Het betreft een Chrysler Voyager met het kenteken [AA-00-BB]. De Chrysler Voyager rijdt vervolgens hard weg.
[betrokkene 1] wordt even later overgeplaatst in de laadruimte van een bestelbusje. Het betreft een Volkswagen Crafter met het kenteken [CC-00-DD], die is voorzien van een Track and Trace systeem. Uit het Track and Trace systeem is gebleken dat het bestelbusje vervolgens naar een (woonwagen)kamp/woonwijkje aan de Anton Philipsweg in Hilversum rijdt. Daar staat het bestelbusje vanaf 22:50 uur ongeveer een uur geparkeerd in de directe nabijheid van/tussen de woning van verdachte en de schuin tegenover die woning staande stacaravan van verdachte. De Volkswagen Crafter rijdt vervolgens terug naar Utrecht. Het slachtoffer is vervolgens van 24 november 2011 tot en met 1 december 2011 vastgehouden in die bewuste stacaravan.
Rond het tijdstip van de ontvoering hebben de gebruikers van de nummers *[001] (toegeschreven aan medeverdachte [betrokkene 3]) en *[002] (toegeschreven aan medeverdachte [betrokkene 4]) regelmatig contact met elkaar via zendmasten in de directe omgeving van de plaats waar [betrokkene 1] is ontvoerd. Het nummer *[003] straalt zendmasten in hetzelfde gebied aan. Ook dat nummer wordt aan [betrokkene 4] toegeschreven.
Voormelde nummers hebben vervolgens contacten via zendmasten op de rijroute van Utrecht naar Hilversum. Om 21.41 uur op 24 november 2010 (lees: 2011;PV), dus zeer kort na de ontvoering, vindt er telefonisch contact plaats tussen nummer *[003] van [betrokkene 4] en het nummer eindigend op *[004]. Dat laatste nummer wordt toegeschreven aan medeverdachte [betrokkene 5]. Medeverdachte [betrokkene 6] heeft verklaard dat hij die bewuste avond het toestel van [betrokkene 5] heeft geleend/gebruikt. Vervolgens vindt meteen daarna (21.42 uur) telefonisch contact plaats tussen het nummer *[004] (dat dus gebruikt zou zijn door [betrokkene 6]) en het nummer eindigend op *[005]. Dat laatste nummer, zo heeft verdachte zelf aangegeven, is van hem.
De simkaart met het nummer *[002] bevindt zich in de mobiele telefoon van [betrokkene 1] als daarmee op 25 november 2011 omstreeks 00:16 uur wordt gebeld naar diens vader, [betrokkene 2], door een man die hem vertelt dat ze zijn zoon hebben. Op 27 november 2011 wordt de vader verschillende keren gebeld. De beller laat een geluidsopname met de stem van [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] horen en zegt dat hij binnen 72 uur drie miljoen euro moet betalen als hij zijn zoon weer wil zien. Na het verstrijken van het ultimatum wordt de vader nogmaals gebeld door de man, die hem vertelt dat hij binnen 24 uur tweeënhalf miljoen euro moet regelen en dat hij zijn zoon anders nooit meer zal zien. Dit gesprek heeft plaatsgevonden in de avond van 1 december 2011.
Diezelfde avond doet de politie omstreeks 20:30 uur een inval in de woning van verdachte, waar hij en [betrokkene 6] worden aangehouden. In de schuin tegenover die woning gelegen stacaravan wordt [betrokkene 1] aangetroffen. Hij is met een handboei vastgeketend aan een tafelpoot. De enkels van [betrokkene 1] zijn aan elkaar vastgemaakt met tiewraps. Hij vertelt de politie dat één van zijn twee bewakers hem zojuist eten heeft gegeven. Deze bewaker is weggerend vanaf de caravan en wordt dezelfde avond omstreeks 22:03 uur aangehouden.
Dit blijkt [betrokkene 4] te zijn. De verdachten [betrokkene 3], [medeverdachte] en [betrokkene 5] worden later aangehouden.
Betrokkenheid van verdachte bij de gijzeling
Het hof overweegt met betrekking tot de rol van verdachte bij de gijzeling het volgende:
- Vast staat dat de stacaravan waarin het slachtoffer gegijzeld is gehouden in de periode van 24 november 2011 tot 1 december 2011 aan verdachte toebehoort. Tot ongeveer twee maanden voor 24 november 2011 was die stacaravan bij een bekende van verdachte, [betrokkene 8], in gebruik. Daarna stond de caravan dus leeg tot 24 november 2011. De caravan staat op relatief geringe afstand van de woning van verdachte. Vanuit het voorraam van zijn woning moet hij in elk geval deels zicht hebben gehad op de caravan. Vast staat verder dat verdachte in die bewuste periode werkloos was. Ook staat vast dat meerdere personen dagelijks naar die stacaravan zijn toegegaan om het slachtoffer te bewaken en te verzorgen. Daarbij moeten zij vlak langs de woning van verdachte zijn gelopen of gereden. Het hof oordeelt het volstrekt ongeloofwaardig en onaannemelijk dat verdachte in het geheel niet in de gaten zou hebben gehad dat onbekende derden zomaar, zonder zijn instemming, gedurende een week gebruik hebben gemaakt van die caravan.
- Het hof acht het in dit verband ook volstrekt onaannemelijk dat de gijzelnemers het risico zouden hebben willen nemen om hun gijzelaar onder te brengen in de bewuste caravan, zonder dat de op korte afstand van die caravan wonende eigenaar daarvan op de hoogte was of daarmee instemde. Het risico van ongewilde ontmoetingen, bijvoorbeeld als verdachte/die eigenaar even in de caravan had moeten zijn, zou gelet op de betrokken belangen onverantwoord en ondenkbaar groot zijn geweest. Ook deze omstandigheid duidt er naar het oordeel van het hof op dat verdachte wist wat er in die caravan gebeurde.
- Kort na de ontvoering is, zoals hiervoor is overwogen, door [betrokkene 6] met het toestel van medeverdachte [betrokkene 5] gebeld naar het toestel van verdachte. Verdachte sluit niet uit dat [betrokkene 6] hem gebeld heeft, maar kan niet meer precies zeggen of dit het geval is geweest en wat er gezegd zou zijn. Verdachte heeft evenwel niet aangegeven dat hij zijn telefoon die avond aan iemand anders had uitgeleend, zodat aangenomen moet worden dat het bewuste telefoongesprek met hem heeft plaats gevonden. Aangenomen kan worden, gelet op diens verklaring, dat het medeverdachte [betrokkene 6] (een goede kennis van verdachte) is die gebeld heeft naar verdachte. Verdachte noch [betrokkene 6] hebben een aannemelijke verklaring gegeven voor dat telefonische contact noch duidelijk verklaard over de inhoud van het gesprek. [betrokkene 6] is, zo blijkt uit de stukken, in elk geval actief geweest bij de verzorging van het slachtoffer. [betrokkene 6] kwam die week ook dagelijks op bezoek bij verdachte, nadat hij medeverdachte [betrokkene 4] naar de caravan had gebracht of voordat hij medeverdachte [betrokkene 4] daar kwam ophalen. Hij bleef daar dan langere tijd. Verder is gebleken dat relatief kort na het telefoongesprek op 24 november 2011 om 21.42 uur van [betrokkene 6] naar verdachte de Volkswagen Crafter met daarin het slachtoffer nabij de woning van verdachte en nabij de stacaravan is gearriveerd. Gelet op deze hele gang van zaken neemt het hof aan dat verdachte in het bewuste gesprek is gewaarschuwd dat de VW Crafter eraan kwam. Die VW Crafter heeft vervolgens gedurende een uur op de inrit van de woning van verdachte of in elk geval zeer in de nabijheid van verdachtes woning en van die stacaravan gestaan, waarbij het niet aannemelijk is dat verdachte, mede gelet op voormeld telefoongesprek, de aanwezigheid van dat voertuig niet zou hebben opgemerkt.
Uit het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof de wetenschap af bij verdachte van hetgeen zich in die stacaravan ging afspelen en daarna heeft afgespeeld.
- Op 30 november 2011 vindt er om 23.15 uur een telefoongesprek plaats tussen verdachte en [betrokkene 6]. Daarbij zegt verdachte tegen [betrokkene 6]: "Je moet komen". Rond 23.35 uur die avond zien verbalisanten dat medeverdachte [betrokkene 4] bij zijn auto in Hilversum werd afgezet door een zwarte Seat Leon met kenteken [GG-00-HH]. Uit de stukken blijkt dat [betrokkene 6] in deze auto reed. Gelet op het patroon met betrekking tot het halen en brengen door [betrokkene 6] van [betrokkene 4] naar/in de buurt van de locatie waar het slachtoffer werd vastgehouden, acht het hof het aannemelijk dat het telefoontje van verdachte naar [betrokkene 6] om 23.15 uur een signaal inhield aan [betrokkene 6] dat hij [betrokkene 4], die kennelijk klaar was voor die avond met het bewaken van het slachtoffer, moest komen ophalen. Ook dit duidt op wetenschap bij verdachte van hetgeen [betrokkene 4] in verdachtes caravan aan het doen was. De lezing van verdachte dat het telefoontje verband hield met een onenigheid tussen de vriendin van verdachte en een vriendin van [betrokkene 6] oordeelt het hof onaannemelijk en ongeloofwaardig, al was het alleen maar vanwege het tijdstip van dat telefoontje en het gegeven dat uit niets blijkt dat die kwestie nu zo heikel was, dat [betrokkene 6] er zo laat voor naar verdachte moest komen in plaats van het telefonisch af te handelen.
Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte de stacaravan opzettelijk ter beschikking heeft gesteld aan de gijzelnemers, zodat hij als medeplichtige dient te worden aangemerkt.”
6. Het middel is evident kansloos omdat het Hof het bewezenverklaarde - dat verdachte geweten heeft, minst genomen in voorwaardelijke vorm, dat hij behulpzaam zou zijn bij een gijzeling door zijn mededaders te voorzien van een plek om het slachtoffer verborgen te kunnen houden - wel uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. Voor het overige miskent het middel de regel dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Ook de klacht dat het Hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijke onderbouwde standpunt kan niet tot cassatie leiden nu de gebezigde bewijsmiddelen daartoe voldoende gegeven bevatten.
7. Het middel kan worden afgedaan met toepassing van art. 80a RO. Gelet daarop heeft de verdachte bij het tweede middel dat klaagt over overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro, gelet op de standaardrechtspraak inzake art. 80a RO onvoldoende rechtens te respecteren belang.
8. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie nu de verdachte wat betreft het tweede middel klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep heeft en het eerste middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] met nummer 13/05620, in welke zaak ik eveneens vandaag concludeer.