De verdachte werd door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, wegens diefstal uit een woning te Almere tijdens de voor de nachtrust bestemde tijd, gepleegd door twee of meer verenigde personen met braak. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de kwalificatie van het feit, met name het gebruik van de strafverzwarende omstandigheid dat de diefstal zou zijn gepleegd door iemand die zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende in de woning bevond, terwijl dit niet ten laste was gelegd noch bewezen verklaard.
De Hoge Raad oordeelt dat het belang van de verdachte bij het cassatieberoep niet evident is, mede gelet op de strafmotivering van het hof en het feit dat de strafoplegging niet is gebaseerd op het hogere strafmaximum van negen jaren. De klacht over de kwalificatie bevat een misslag die zich leent voor verbeterd lezen zonder gevolgen voor de straf. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep daarom niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a RO.
Het arrest bevat een uitgebreide analyse van de tenlastelegging, bewezenverklaring en strafmotivering, waarbij wordt benadrukt dat de verdachte reeds kort na eerdere veroordelingen opnieuw een woninginbraak pleegde, wat zwaar wordt aangerekend. De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten met vergelijkbare klachten en bevestigt dat dergelijke klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.