Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
novum(nieuw verweer van Aegon) in cassatie: in de procedure bij de kantonrechter en bij het hof heeft Aegon niet het argument aangevoerd dat het onbillijke onderscheid tussen de verschillende groepen postactieven geen rol zou mogen spelen omdat dit onderscheid pas nadien is ontstaan, als gevolg van de vaststellingsovereenkomst die Aegon op 15 april 2008 met de VAG heeft gesloten. Dan kan Aegon dit argument niet voor het eerst in cassatie aanvoeren (art. 419 lid 2 Rv Pro). In grief 4 had Aegon, volgens [verweerders], slechts geklaagd dat de kantonrechter ten onrechte van oordeel was dat de onbillijkheid van de aangeboden regeling zit in het onderscheid tussen het al dan niet ontvangen hebben van een brief met daarin opgenomen het ‘wijzigingsbeding’; de vierde grief hield niet in dat dit onderscheid geen rol zou mogen spelen
omdathet om een posterieure omstandigheid ging [12] .
omdathet een posterieure omstandigheid was. Het hof heeft uit deze algemeen geformuleerde grief en de toelichting daarop echter afgeleid dat Aegon in hoger beroep van mening was dat zij aan alle vóór 1 januari 2006 gepensioneerde personeelsleden hetzelfde voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden had gedaan en dat de – later in de tijd gelegen − omstandigheid dat zij een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met de VAG (een organisatie die slechts een deel van de gepensioneerden vertegenwoordigde) geen afbreuk doet aan de redelijkheid van het in 2005 aan [verweerders] gedane aanbod. Kortom, het een moet volgens Aegon los van het ander worden beoordeeld. Dat standpunt van Aegon is door het hof verworpen.