De zaak betreft een diefstal van een navigatiesysteem uit een geparkeerde auto in Rhenen, gevolgd door een vlucht met een witte Opel Corsa waarbij de verdachte de auto bestuurde. Tijdens de vlucht maakte de verdachte meerdere scherpe stuurbewegingen om politievoertuigen te hinderen, wat leidde tot de tenlastelegging van bedreiging met zware mishandeling.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verdachte een zodanige bijdrage aan de diefstal heeft geleverd dat sprake is van medeplegen. De bewijsmiddelen tonen slechts aan dat de verdachte de vluchtwagen bestuurde, zonder aanwijzingen voor nauwe en bewuste samenwerking bij de diefstal zelf. De kwalificatie medeplegen is daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Ten aanzien van de bedreiging met zware mishandeling oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte door zijn gedrag bij hoge snelheid op de snelweg een redelijke vrees voor zwaar lichamelijk letsel bij de politieagenten heeft veroorzaakt en dat hij dit opzet had. Dit deel van de bewezenverklaring is rechtsgeldig.
De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor het onderdeel medeplegen diefstal en de daarop gebaseerde beslissingen, wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling, en verwerpt het beroep voor het overige. De conclusie benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige motivering bij medeplegen, vooral bij gedragingen die eerder medeplichtigheid dan medeplegen lijken te zijn.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor medeplegen diefstal en terugverwezen, terwijl de veroordeling voor bedreiging met zware mishandeling wordt bevestigd.
Conclusie
Nr. 13/05860
Zitting: 3 maart 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Nadere conclusie inzake:
[verdachte]
Op 2 december 2014 heb ik een conclusie genomen in deze zaak waarin ik concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest omdat naar mijn oordeel het eerste voorgestelde middel doel trof. Op 3 februari 2015 heeft de Hoge Raad echter beslist dat dit middel faalt en is de zaak naar de rolzitting verwezen zodat ik mij kan uitlaten over de eerder niet besproken middelen.
Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezenverklaard dat hij:
“1 primair:
hij op 3 maart 2012 te Rhenen en/of Valburg en/of Eist en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een navigatiesysteem toebehorende aan [A], waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft door middel van braak, welke diefstal werd gevolgd van geweld bedreiging met geweld tegen [verbalisant 1] (hoofdagent van politie) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie), gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededaders de vlucht mogelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte tezamen heeft gedreigd tijdens een achtervolging meermalen het voertuig waarin [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zaten tegen de vangrail te drukken, althans een scherpe stuurbeweging naar links heeft gemaakt op de momenten waarop [verbalisant 1] (met het voertuig waarin [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zaten) het voertuig waarin hij, verdachte, en zijn mededaders zaten met hoge snelheid aan de linkerzijde voorbij probeerde te gaan;
2 primair:
hij op 3 maart 2012 te Rhenen en/of Valburg en/of Eist en/of (elders) in Nederland [verbalisant 1] (hoofdagent van politie) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tijdens een achtervolging meermalen een scherpe stuurbeweging naar links gemaakt op de momenten waarop [verbalisant 1] (met het voertuig waarin [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zaten) het voertuig welke hij, verdachte, bestuurde met hoge snelheid aan de linkerzijde voorbij probeerde te gaan.”
3. Deze bewezenverklaring steunt op de navolgende bewijsmiddelen.
“1. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een afschrift van een aangifte van de Politie Utrecht, Servicecentrum, nummer 2012050818, (als bijlage op pagina 76-78 van het proces-verbaal genummerd PL0950 201206502), voor zover-zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas en/of bevindingen van verbalisant [verbalisant 3]:
Gegevens aangever:
Achternaam: [achternaam betrokkene 1]
Voornaam: [voornaam betrokkene 1]
Woonadres: [a-straat 1], Rhenen
Om circa 04.00 uur in de nacht van 2 maart 2012 op 3 maart 2012 hebben daartoe onbevoegde personen zich de toegang verschaft tot een Volkswagen Passat Variant, met kenteken [AA-00-BB] (chassisnummer [001]) op de [a-straat 1] in Rhenen. Een buurvrouw, woonachtig [a-straat 2], heeft het voorval gezien en direct de politie gebeld en gewaarschuwd. Om de auto binnen te kunnen treden, hebben de inbrekers de ruit bij de passagierszijde vernield. Vervolgens hebben zij het navigatiesysteem ontmanteld en zijn zij er vandoor gegaan.
Omschrijving schade: ruit ingeslagen, navigatiesysteem uit de auto gestolen.
Navigatiesysteem
Merk: Volkswagen
Type: […]
Eigenaar: [A]
Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina 82-83 van het proces-verbaal genummerd PL0950201206502), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] - zakelijk weergegeven :
Op 3 maart 2012, omstreeks 04.00 uur, opende ik het raam van mijn woning in Rhenen. Ik zag twee huizen verder in de straat de auto van de buurman geparkeerd staan. Ik zag dat de auto ter hoogte van de lantaarnpaal stond van huisnummer 23. Aan de rechtervoorzijde van deze auto zag ik een man staan. Hij en de auto stonden praktisch onder de lantaarnpaal. Ik hoorde glasgerinkel en zag dat de man wegrende. Ik zag dat er nog een man bij was. Ik zag dat een van de mannen een fors postuur had en dat de andere man iets kleiner was. Ik had in eerste instantie alleen de man met het iets forse postuur bij de auto zien staan. Ik zag dat deze man iets onder zijn arm klemde op het moment dat hij wegrende. Ik zag dat zij naar hun auto renden, dat beiden instapten en dat de auto wegreed in de richting van het centrum van Rhenen. Mijn woning is als het ware op de kruising van de Eikenlaan met de Meidoornlaan in Rhenen gelegen. Ik zag dat de mannen wegvluchtten in een witte auto .
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 60-62 van het proces-verbaal genummerd PL0950201206502), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [verbalisant 2] - zakelijk weergegeven -:
Op 3 maart 2012, omstreeks 04.00 uur, was ik [verbalisant 2], in politie-uniform gekleed en reed ik samen met collega [verbalisant 1] in een opvallende politievoertuig. Wij hadden roepnaam 50.90.
Ik hoorde via mijn portofoon dat de eenheid met roepnaam 50.20 een stopteken gaf aan de bestuurder van een witte Opel Corsa, voorzien van het kenteken [CC-00-DD]. Ik hoorde dat de bestuurder van de Opel het stopteken negeerde en dat de eenheid 50.20 de Opel achtervolgde. Collega [verbalisant 1] was de bestuurder van ons dienstvoertuig en ik zat op de bijrijdersstoel. Wij hoorden via de portofoon dat de Opel de Rijksweg A15 opreed in de richting van Nijmegen.
Na korte tijd reden wij ook de Rijksweg A15 op. Wij sloten achter de achtervolging aan ter hoogte van knooppunt Valburg. Ik zag de eenheid 50.20 op rijstrook 2 rijden. Wij reden op rijstrook 1. Ik zag dat de Opel in het midden van de rijstrook 1 en 2 reed. Ik keek op de kilometerteller van ons politievoertuig en ik zag dat wij 120 kilometer per uur reden. Ik zag dat collega [verbalisant 1] gas gaf en dat zij de Corsa via de linkerzijde wilde inhalen. Toen wij ongeveer 0,5 meter van de linkerachterzijde van de Opel waren, zag ik dat de Opel ineens sterk naar links stuurde. Hierdoor werd ons de doorgang belemmerd. Ik zag links van ons de vangrail en rechts en voor ons de Opel Corsa. Ik voelde dat collega [verbalisant 1] hard moest remmen om een aanrijding te voorkomen. Wij reden met ongeveer 120 kilometer per uur en als wij dan aangereden zouden worden, waren de gevolgen niet te overzien geweest. Omdat er weer enigszins ruimte aan de linkerzijde ontstond, probeerde [verbalisant 1] wederom de Opel aan de linkerzijde in te halen. Wij hadden tijdens de achtervolging onze optische en geluidssignalen aanstaan, alsmede onze politietransparant met de woorden “Stop Politie”. Toen [verbalisant 1] wederom een poging deed om de Corsa in te halen, herhaalde de bestuurder zijn eerste actie en sneed ons wederom af. Hierdoor moest [verbalisant 1] wederom hard remmen om een aanrijding te voorkomen. Gedurende ongeveer vijf kilometer heeft [verbalisant 1] tot vier maal een poging ondernomen om de Opel in te halen. Ter hoogte van de afslag Eist nam de Opel plots de afslag. Bovenaan de afrit werd de Opel tot stilstand gedwongen, omdat collega’s uit de Regio Gelderland-Zuid de afrit hadden afgezet. Aldaar zijn de bestuurder en twee passagiers aangehouden.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 74 van het proces-verbaal genummerd PL0950201206502), voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] – zakelijk weergegeven -:
Ik zag dat de inzittenden als volgt in de Opel Corsa zaten:
Bestuurder: deze bleek later te zijn verdachte [verdachte];
Bijrijder: deze bleek later te zijn verdachte [betrokkene 2];
Rechtsachter: deze bleek later te zijn verdachte [betrokkene 3].
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 63-65 van het proces-verbaal genummerd PL0950201206502), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [verbalisant 1] - zakelijk weergegeven -:
Op 3 maart 2012, omstreeks 04.00 uur, was ik, [verbalisant 1], in politie-uniform gekleed en reed ik samen met collega [verbalisant 2] in een opvallende politievoertuig. Wij hadden roepnaam 50.90.
Ik hoorde via mijn portofoon dat de eenheid met roepnaam 50.20 een stopteken gaf aan de bestuurder van een witte Opel Corsa, voorzien van het kenteken [CC-00-DD]. Ik hoorde dat de bestuurder van de Opel het stopteken negeerde en dat de eenheid 50.20 de Opel achtervolgde. Ik was de bestuurder van ons dienstvoertuig en collega [verbalisant 2] zat op de bijrijdersstoel. Wij hoorden via de portofoon dat de Opel de Rijksweg A15 opreed in de richting van Nijmegen.
Na korte tijd reden wij ook de Rijksweg Al5 op. Wij sloten achter de achtervolging aan ter hoogte van knooppunt Valburg. Ik zag de eenheid 50.20 op rijstrook 2 rijden. Ik reed op rijstrook 1. Ik zag dat de Opel in het midden van de rijstrook 1 en 2 reed. Ik keek op de kilometerteller van ons politievoertuig en ik zag dat wij 120 kilometer per uur reden. Ik gaf gas om de Opel Corsa via de linkerzijde in te heden. Toen wij ongeveer 0,5 meter van de linkerachterzijde van de Opel waren, zag ik dat de Opel ineens sterk naar links stuurde. Hierdoor werd mij de doorgang belemmerd. Ik zag links van ons de vangrail en rechts en voor ons de Opel Corsa. Ik moest fors remmen om een aanrijding te voorkomen. Wij reden met ongeveer 120 kilometer per uur en als wij dan aangereden zouden worden, waren de gevolgen niet te overzien geweest. Omdat er weer enigszins ruimte aan de linkerzijde ontstond, probeerde ik wederom de Opel aan de linkerzijde in te halen. Wij hadden tijdens de achtervolging onze optische en geluidssignalen aanstaan. Ik deed wederom een poging om de Corsa in te halen. De bestuurder herhaalde zijn eerste actie en sneed ons wederom af. Hierdoor moest ik hard remmen om een aanrijding te voorkomen. Gedurende ongeveer vijf kilometer heb ik 3 tot 4 maal een poging ondernomen om de Opel in te halen. Ter hoogte van de afslag Eist nam de Opel plots de afslag. Bovenaan de afrit werd de Opel tot stilstand gedwongen, omdat collega’s uit de regio Gelderland-Zuid de afrit hadden afgezet. Aldaar zijn de bestuurder en twee passagiers aangehouden.
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 70-71 van het proces-verbaal genummerd PL0950 201206502), voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] en [verbalisant 5] - zakelijk weergegeven -:
Op 3 maart 2012 omstreeks 04.00 uur reden wij in een opvallend dienstvoertuig onder de roepnaam 50.20. Wij zagen dat een personenauto, merk Opel type Corsa, wit van kleur, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] van links naar rechts slingerede over de Nieuweveenendaalseweg te Rhenen. Hierop gaven wij de auto een stopteken middels het transparant “Stop Politie”. Wij zagen dat het voertuig hier geen gehoor aan gaf. Wij zagen dat er een drietal mannen in de auto zat. Op de Rijnbrug te Rhenen zagen wij dat er vanuit de auto een wit voorwerp naar buiten gegooid werd aan de bijrijderszijde. Wij zagen dat dit na ongeveer 100 meter op de brug was. Wij zagen dat het voorwerp op het naastgelegen fietspad van de brug gegooid werd. Wij zagen dat het voertuig de A15 opreed in de richting van Arnhem, Nijmegen. Wij gaven onze positie door aan de meldkamer. Vervolgens zagen wij ter hoogte van knooppunt Valburg dat de auto de afslag in de richting Nijmegen nam en rechtdoor bleef rijden richting Arnhem. Wij hebben de auto gevolgd. Vervolgens zagen wij dat de politie-eenheid 50.90 met de collega 's [verbalisant 2] en [verbalisant 1] aansloot en probeerde te passeren. Wij zagen dat de 50.90 links langs de auto reed. Vervolgens zagen wij dat de auto de 50.90 in de vangrail probeerde te drukken.
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 66 van het proces-verbaal genummerd PL0950 201206502), voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] en [verbalisant 7]- zakelijk weergegeven -:
Op 3 maart 2012 omstreeks 04.20 uur, hoorden wij middels onze portofoons dat collega’s [verbalisant 4] en [verbalisant 5] achter een voertuig reden welke een stopteken negeerde wat resulteerde in een achtervolging. Wij hoorden middels onze portofoons dat collega [verbalisant 4] meldde dat er diverse goederen uit het voertuig werden gegooid. Dit zou zijn ongeveer 200 meter nadat je de Rijnbrug opreed. Ten tijde dal dit werd doorgegeven reden wij nagenoeg op de Rijnbrug. Na ongeveer 200 meter vonden wij een zwaar beschadigd scherm, afkomstig van een navigatiesysteem. Op afstand van ongeveer 10 meter vonden wij een witte, gescheurde plastic boodschappentas, waarin het inbouwgedeelte van het eerder gevonden navigatiesysteem zat. Gezien het feit dat de collega’s die achter het eerder genoemde voertuig zaten aangaven dat zij hadden gezien dat er twee keer iets uit het voertuig was gegooid en dat dit op de rechterzijde van de weg op het fietspad terecht was gekomen, hebben wij deze goederen in beslag genomen.
8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 84 van het proces-verbaal genummerd PL0950 201206502), voor zover inhoudende als relaas en/of bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] - zakelijk weergegeven -:
Op 5 maart 2012 heb ik naar aanleiding van het aantreffen van een navigatiesysteem van het merk Volkswagen een nader onderzoek ingesteld. Daarbij heb ik het volgende bevonden. Op de metalen behuizing van het navigatiesysteem stond het volgende serienummer ingeslagen: [002]. Ik heb daarop contact opgenomen met het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (LIV) van het KLPD. Ik sprak daar met [verbalisant 9], die een nader onderzoek had ingesteld naar de herkomst van het navigatiesysteem en had daarbij het volgende bevonden: volgens het Volkswagen fabrikantsysteem is het navigatiesysteem met serienummer [002] sinds 21 april 2011 geactiveerd in een VW Passat met chassisnummer [001] en kenteken [AA-00-BB].
9. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 28 februari 2013 van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte:
Ik heb op 3 maart 2012 te Rhenen als bestuurder gereden in een Opel Corsa. Ik heb toen niet voldaan aan een stopteken van de politie. Ik heb de politie afgesneden. Ik wilde de politieauto er niet langs laten.”
4. Het tweede middelricht zich tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde en komt er in de kern op neer dat het medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
5. Het onder 1 bewezenverklaarde feit is onder meer gebaseerd op het tweede lid onder 2° van art. 312 SrPro. Het daarin voorkomende bestanddeel “door twee of meer verenigde personen gepleegd” kan worden opgevat als medeplegen als bedoeld in art. 47 SrPro. [1] Onlangs heeft de Hoge Raad een overzicht gegeven aan welke vereisten moet worden voldaan om te kunnen spreken van medeplegen en waarin deze deelnemingsvorm zich onderscheidt van medeplichtigheid. De Hoge Raad overwoog: [2]
“3.1. De art. 47 totPro en met 51 Sr bieden diverse mogelijkheden om iemand, ook als hij niet zelf de gehele delictsomschrijving vervult - al dan niet in zogenoemd functionele vorm - onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit. In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481). Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. (Vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443).
In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarom dienaangaande niet worden gegeven. Wel kan de Hoge Raad met betrekking tot dit thema, mede gelet op zijn eerdere rechtspraak, enige aandachtspunten formuleren.
3.2.1. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.
Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Medeplichtigheid is alleen strafbaar in geval van misdrijf. Verder kent medeplichtigheid een beduidend lager strafmaximum (art. 49, eerste lid, Sr). Medeplegen daarentegen levert regelmatig een wettelijke strafverzwaringsgrond op (zie bijvoorbeeld art. 311, eerste lid onder 4, Sr). Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid “het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf” (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341). Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 SrPro kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde “in vereniging plegen” van geweld eist dat de verdachte “een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld” heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR: 2013:132, NJ 2013/407).
3.2.2. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. In dit verband valt te wijzen op bijvoorbeeld HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3356, NJ 2010/193 waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen “dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn”, alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL: HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling “dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt”.
3.2.3. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
3.3.1. Er bestaat geen precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen. Dat neemt niet weg dat wanneer medeplegen wordt tenlastegelegd, dit medeplegen moet worden beoordeeld aan de hand van de voor medeplegen geldende maatstaven. Het gebruikmaken van aan andere deelnemingsvormen ontleende begrippen of constructies kan de bewijsvoering voor medeplegen compliceren en verdient daarom in zulke gevallen geen aanbeveling. (Vgl. HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012: BX5140 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1593, in welke zaken het medeplegen door het hof was bewezenverklaard aan de hand van criteria voor het zogenoemde functionele daderschap). Het valt overigens op dat het openbaar ministerie bij het tenlasteleggen van commune en andere niet-economische strafbare feiten - in vergelijking met economische delicten - vaker gebruik lijkt te maken van (soms ingewikkelde) deelnemingsconstructies dan van het meer geëigend lijkende functionele daderschap. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481 met betrekking tot de verkoop van hennepplanten door de eigenaar van een growshop).
3.3.2. Het ontbreken van een precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen brengt mee dat het openbaar ministerie in voorkomende gevallen er goed aan doet de rechter een keuzemogelijkheid te bieden door daarop toegesneden varianten in de tenlastelegging op te nemen. Als het openbaar ministerie evenwel om hem moverende redenen uitsluitend het medeplegen en niet ook de medeplichtigheid heeft tenlastegelegd, moet de rechter vrijspreken indien het medeplegen niet kan worden bewezen, ook al zou vaststaan dat de verdachte medeplichtig was aan het feit.”
6. In de onderhavige zaak kan uit de bewijsvoering van het hof worden afgeleid dat een tweetal personen is gezien bij de auto waaruit het navigatiesysteem is weggenomen en dat deze twee personen na het wegnemen van het navigatiesysteem in een witte Opel Corsa zijn gestapt, waarop deze auto is weggereden. Tijdens de vlucht is het betreffende navigatiesysteem via de bijrijderskant naar buiten gegooid. Ook kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat wanneer niet veel later de witte Opel Corsa tot stilstand wordt gedwongen, zich daarin drie personen bevinden, waaronder – op de bestuurdersplaats – de verdachte. Uit de bewijsvoering van het hof valt echter niet af te leiden wie van de drie in de auto aangetroffen personen bij het daadwerkelijk wegnemen van het navigatiesysteem zijn betrokken. Daardoor wordt de mogelijkheid open gelaten dat de verdachte niet bij de daadwerkelijke uitvoeringshandelingen betrokken persoon is geweest en dat hij slechts als bestuurder van de witte Opel Corsa de mogelijkheid van de vlucht heeft gefaciliteerd.
7. In mijn conclusie van 3 februari 2015 [3] heb ik, net als mijn ambtsgenoot Hofstee in zijn conclusie van 20 januari 2015, [4] aandacht besteed aan de vraag of het hierboven weergegeven arrest van de Hoge Raad van 2 december 2014 impliceert dat handelingen die zijn begaan na het strafbare feit ook op zichzelf kunnen worden aangemerkt als medeplegen van dat strafbare feit. Een vraag die nog gecompliceerder wordt wanneer het, zoals in het onderhavige geval, gaat om een gekwalificeerd delict. Kan iemand, wiens (bewijsbare) aandeel uitsluitend bestaat in het kwalificerende bestanddeel van de diefstal, het dreigen met geweld om de buit te verzekeren of de vlucht mogelijk te maken, terwijl niet kan worden vastgesteld dat hij op enige wijze betrokken is geweest bij de diefstal zelf, toch als medepleger van het geheel worden aangemerkt? Ik heb gemeend van niet en verwijs voor de nadere onderbouwing hiervan hier graag naar de hiervoor aangehaalde conclusies van Hofstee en mijzelf.
8. In de onderhavige zaak volsta ik met de constatering dat het hof geen enkele nadere overweging heeft gewijd aan de rol van de verdachte bij de diefstal van het navigatiesysteem, met name of hij betrokken is geweest bij het maken van afspraken daartoe voorafgaande aan de diefstal en wat zijn aandeel daarin is geweest. De gebezigde bewijsmiddelen houden hieromtrent ook niets in en laten de mogelijkheid open dat de verdachte als bestuurder alleen de vlucht heeft willen faciliteren, een gedraging die eerder met medeplichtigheid dan met medeplegen in verband pleegt te worden gebracht. Het bewijs van het medeplegen in de onderhavige zaak schiet dan ook tekort.
9. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
10. Het derde middelkomt op tegen het onder 2 bewezenverklaarde en klaagt dat het hof ten onrechte, althans onder gebruikmaking van een onbegrijpelijke motivering, heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling door met zijn voertuig scherpe stuurbewegingen te maken naar links op het moment dat de verbalisanten met hun voertuig aan de linkerzijde voorbij probeerden te gaan.
11. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen [5] en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. [6] Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is niet vereist dat degene tot wie de bedreiging is gericht het gedrag van de verdachte daadwerkelijk als bedreigend heeft ervaren. [7]
12. In het onderhavige geval heeft het hof geen nadere motivering gewijd aan de bedreiging met zware mishandeling. Uit de gebezigde bewijsmiddelen valt evenwel af te leiden dat de verdachte terwijl hij rond de 120 kilometer per uur reed op een snelweg (A15) meerdere malen een scherpe stuurbeweging naar links heeft gemaakt om te verhinderen dat de verbalisanten die ongeveer 0,5 meter schuin achter hem reden, hem links zouden inhalen. Door deze manoeuvre werd de verbalisanten telkens de doorgang belemmerd en zagen zij links de vangrail en rechts en voor hen de auto van de verdachte. De bestuurder van het politievoertuig moest telkens hard remmen om een aanrijding te voorkomen en als het tot een aanrijding was gekomen, waren de gevolgen niet te overzien.
13. Gelet op deze feiten en omstandigheden geeft het (impliciete) oordeel van het hof dat er bij de beide verbalisanten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij door het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen bekomen, alsmede dat de verdachte door toch telkens een scherpe stuurbeweging naar links te maken, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze vrees zou kunnen ontstaan, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip bedreiging als bedoeld in art. 285 SrPro en is niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is wat dit punt betreft dan ook naar de eis der wet met redenen omkleed.
14. Het derde middel faalt.
15. Het tweede middel is terecht voorgesteld. Het derde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81.1 RO ontleende motivering. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit, de vordering van de benadeelde partij en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Vgl. HR 11 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0638 en HR 17 november 1981, ECLI:NL:HR1981:AC7387, NJ 1983/84, m.nt. Van Veen.