Conclusie
1. Inleiding
2. Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1had het hof in redelijkheid niet tot het oordeel kunnen komen dat [verzoekster] niet getuigt van een saneringsgezinde houding. In dit verband wordt een door [verzoekster] geschreven verslag aangehaald (bijlage 6 bij het inleidend verzoekschrift), waarin zij haar persoonlijke situatie en de redenen voor haar financiële problemen uiteenzet. Daarin komt onder meer naar voren dat [verzoekster] geen verwijt te maken valt ten aanzien van de schulden die zij heeft gemaakt, omdat zij daartoe genoodzaakt was door de kosten van de uitvaart van de vader van haar kind, zij een kapsalon moest beginnen omdat het werk dat zij voorheen deed bij een visfabriek te zwaar was en haar contract werd teruggebracht van 40 naar 24 uur, de kosten van ‘[A]’ te hoog waren in verhouding tot de inkomsten en zij twee keer geopereerd moest worden waardoor er achterstanden ontstonden. Het onderdeel bevat voorts aanhalingen uit de verklaringen van de medewerker van de schuldhulpbemiddelingsinstantie in het inleidend verzoekschrift en de rapportage betreffende het minnelijke traject, die de strekking hebben dat [verzoekster] de afspraken goed nakomt en gemotiveerd is om haar schulden op te lossen omdat zij alle stukken tijdig heeft aangeleverd.
Onderdeel 2klaagt dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom niet aannemelijk is dat [verzoekster] ten aanzien van de belasting- en CJIB-schulden niet te goeder trouw is. Het hof heeft zich waarschijnlijk geconformeerd aan de inhoud van Bijlage IV van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbank (Stcrt. 2013/7567), waarin wordt vermeld dat een wsnp-verzoek in beginsel moet worden afgewezen wegens schulden niet te goeder trouw als bedoeld in art. 288, eerste lid, aanhef en onder b Fw, indien in de in dit wetsartikel genoemde periode van vijf jaar de verzoeker schulden heeft aan het UWV of de Belastingdienst die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet-nakomen van aangifteverplichtingen of het niet-nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting. De systematiek van de wettelijke schuldsanering brengt mee dat het op de weg van [verzoekster] ligt aan te tonen dat de belasting- en CJHB-schulden op grond van bijzondere omstandigheden wel te goeder trouw zijn aangegaan. Over dit type omstandigheden heb ik in het dossier niets aangetroffen.
Onderdeel 3veronderstelt dat [verzoekster] in het petitum van het beroepschrift een beroep heeft gedaan op de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw Pro, en verbindt daaraan de klacht dat het hof hier ten onrechte niet op heeft gerespondeerd. Het petitum van [verzoekster] beroepschrift luidt volgt: