Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
in het belang van Altena. Voor bewaarneming in de zin van art. 7:600 e.v. BW is vereist dat de bewaargever de betreffende zaak aan de bewaarnemer “toevertrouwt”. Een dergelijk toevertrouwen veronderstelt dat de bewaarnemer zich
in het belang van de bewaargeverover de betreffende zaak ontfermt. Aan dat vereiste is hier volgens het onderdeel niet voldaan. Een ter beschikking stellen als hier aan de orde is volgens de klacht doorgaans bruikleen.
verbruikleningen
bewaarneming. Toegelicht wordt dat voor de geldigheid van een overeenkomst van bewaarneming zelfs niet vereist is dat de bewaargever zich verbindt tot het
daadwerkelijktoevertrouwen van de zaak aan de bewaarnemer (zoals onder de oude wet wel werd verlangd en zoals dat bij verbruiklening is vereist). Ter verduidelijking: van bewaarneming is dus al sprake als iemand krachtens overeenkomst de
bevoegdheidheeft om de zaak in de macht van een ander te brengen en door deze te laten bewaren. In de sleutel van dit verschil moet dan de opmerking gelezen worden in de TM dat het bij bewaarneming niet het belang van de bewaarnemer is dat vraagt dat de zaak aan hem wordt toevertrouwd en er voor dit toevertrouwen slechts plaats is voor zover het belang van de bewaargever dit toevertrouwen meebrengt. Door het sluiten van de overeenkomst van bewaarneming krijgt de bewaargever de
bevoegdheidde zaak die daarvan het voorwerp is onder de hoede van de bewaarnemer te plaatsen, maar hij moet vrij blijven om van die bevoegdheid geen gebruik te maken, tenzij hij zich tot toevertrouwing heeft verbonden. Een dergelijke verbintenis (tot toevertrouwing van de zaak) mag niet worden verondersteld, want zij is voor de overeenkomst van bewaarneming niet essentieel, aldus nog steeds de Toelichting-Meijers. Deze toelichting biedt daarmee geen steun voor de door het onderdeel verdedigde opvatting dat van een overeenkomst van bewaarneming uitsluitend sprake kan zijn als de bewaarnemer zich “in het belang van de bewaargever” over de betreffende zaak ontfermt. [9] Daarop strandt deze rechtsklacht. Ook art. 7:603 lid 1 BW Pro wijst niet in de door het onderdeel bepleite richting (bevoegdheid tot gebruik bewaarnemer alleen bij toestemming bewaargever of als dat nodig is om in conditie te houden) [10] .
onderdeel 2(b)ontoereikend gemotiveerd. Productie 22 is in het geding gebracht binnen de reglementaire termijn van twee weken voor pleidooi. De betreffende dagvaarding was bovendien al op 4 juni 2013 aan Altena betekend (in het kader van een andere procedure), zodat Altena de dagvaarding al een maand voor pleidooi (op 4 juli 2013) kende. Enkele verwijzing naar de omvang van 35 pagina’s vormt dan geen toereikende motivering voor deze weigering, aldus de klacht. De beslissing en het daaruit voortvloeiende oordeel dat terecht de contracten met [betrokkene 1] en zijn vennootschappen zijn verbroken, kan daarom niet in stand blijven, zo wordt betoogd. Dat geldt ook voor het mede daarop gebaseerde oordeel uit rov. 4.6 dat liggeld c.a. is verschuldigd, aangezien geen vooruitzicht meer bestaat op een verkoopbonus (en voor de daarop voortbouwende beslissingen in rov. 4.12-4.18).
gelet op haar omvang te laat ingezondenis, ook al is dat binnen de formele termijn van twee weken voor pleidooi. Dat motiveert het hof met zijn beoordeling dat het stuk niet kort en eenvoudig is te doorgronden en de advocaat van Altena in redelijkheid ook niet de gelegenheid had om het document na overleg met zijn cliënte te weerspreken. Dit is een inschattingsbeoordeling van het hof, sterk verweven met de feiten. Het had ook anders kunnen worden beslist, dat zij toegegeven, maar onjuist of onbegrijpelijk lijkt me dit niet. Een oordeel dat een kort voor pleidooi toegezonden stuk te omvangrijk is om gelet op de goede procesorde toegelaten te worden, is op zich rechtens mogelijk, ook als dat stuk volgens het reglement “formeel” op tijd is. Verder acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, ook niet in het licht van de door onderdeel 2(b) vermelde omstandigheden. Dit zou bij pleidooi in hoger beroep nog eens een heel nieuw chapiter uit een andere zaak incorporeren, dat door het hof te complex is geoordeeld om in die fase, bij pleidooi in appel, toe te laten. Daarbij is van belang dat hoofdbeginsel is dat partijen beschikbare producties steeds zo tijdig in moeten brengen dat de wederpartij voldoende gelegenheid heeft om daar adequaat op te reageren. [13] Twee weken voor zitting is een uiterste termijn [14] , maar dat kan te laat zijn. De hoofdmaatstaf heeft het hof hier kennelijk laten prevaleren boven de omstandigheid dat Altena het stuk al uit andere hoofde bekend was en zo’n beslissing is voorbehouden aan de feitenrechter. Dat hoeft niet anders/onjuist of onbegrijpelijk te zijn, wanneer de bevestiging in appel van het al veel eerder in de procedure overgelegde Bredase kantonrechtersoordeel over de rechtmatige verbreking van de contractuele banden met onder meer Saerocco Yachts c.s. door Altena pas daags ervoor is overgelegd, zoals Saerocco Yachts c.s. aandragen. Het valt heel wel te begrijpen dat het hof dat juist vanwege dat eerdere kantonvonnis kennelijk verschillend weegt in dit geval. Ik acht dit ook niet in strijd met de norm uit HR 3 december 2010 [15] , zoals Saerocco c.s. bij s.t. onder 27 betogen.
telkens ookopgevat moet worden als een beroep op een overeenkomstige regel van gewoonterecht en die veronderstelling is onjuist. [17] Er is dit belangrijke verschil dat bij contractueel gewoonterecht in de zin van art. 6:248 lid 1 BW Pro sprake is van gelding in de overeenkomst krachtens wettelijke bepaling, dus ongeacht de bedoeling van partijen en bekendheid met de gewoonte. Daar is bij bestendig gebruik geen sprake van. Het hof maakt dit onderscheid ook door te overwegen dat een beweerdelijk bestendig gebruik om geen kosten te berekenen niet af kan doen aan de aangenomen verplichting loon in de vorm van liggeld etc. te betalen, tenzij sprake zou zijn van gewoonterecht in de zin van art. 6:248 lid 1 BW Pro, maar in die sleutel is dat niet geplaatst door Saerocco c.s. volgens het hof.
onderdeel 3(b). Het voert aan dat het hof in rov. 4.8 ten onrechte oordeelt dat een bestendig gebruikelijk beding niet kan afdoen aan een kostenbetalingsverplichting voor de Femina, tenzij het zou gaan om gewoonterecht uit art. 6: 248 lid 1 BW. In het midden latend of sprake is van zulk gewoonterecht en of Saerocco Yachts c.s. zich daarop hebben beroepen, is volgens dit onderdeel voor de vraag wat partijen op grond van de Haviltex-maatstaf mochten verwachten van belang dat een consignatieafspraak als in deze zaak volgens bestendig gebruik in de scheepsbranche zo wordt uitgelegd dat bij uitblijvende verkoop geen liggeld etc. hoeft te worden betaald. De klacht vervolgt dan dat dit in het bijzonder van belang is bij de uitleg van de overeenkomst van 15 juni 2007 en of daarin een leemte zat die moest worden aangevuld, of dat was bedoeld dat alleen provisie was verschuldigd als Altena de Femina zou verkopen. Volgens de klacht kan “het bestaan van een bestendig gebruik c.q. gewoonte” wel degelijk afdoen aan de verplichting kosten als door Altena gevorderd te betalen, ook als het niet gaat om gewoonterecht in de zin van art. 6:248 lid 1 BW Pro.