Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
voldoendeaannemelijk hoeft te maken. Het middel verwijst voorts naar de memorie van toelichting op art. 288 Fw Pro [7] , waarin als voorbeelden voor het ontbreken van goede trouw worden genoemd sociale zekerheids- en belastingfraudes, bestuurlijke boetes en strafrechtelijke transacties, en naar Bijlage IV (landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling) bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (per 1 januari 2013), waarin onder 5.4.4 een aantal omstandigheden opgesomd wordt waarin in beginsel geen sprake is van een situatie als bedoeld in art. 288 lid 1 sub b Fw Pro. Het middel miskent echter dat voornoemde voorbeelden en omstandigheden onverlet laten dat (zoals het hof ook overweegt in rov. 3.6.3) ook onder andere omstandigheden sprake kan zijn van het ontbreken van goede trouw als bedoeld in art. 288 lid 1 sub b Fw Pro. [8] Door te overwegen dat het aan de schuldenaar is om de goede trouw aannemelijk te maken, waarbij het hof in rov. 3.6.2, tweede volzin en rov. 3.6.4, bovenaan p. 6 van het arrest, tweede volzin expliciet overweegt dat het om
voldoendeaannemelijk maken gaat, geeft het hof voorts geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel faalt.
onderdeel 7klaagt het middel dat rov. 3.6.6 [11] , waarin het hof vaststelt (zoals hierboven al aangegeven) dat de door [verzoeker] overgelegde definitieve aangifte IB 2013 ontoereikend is voor een oordeel over de goede trouw, onbegrijpelijk is gelet op hetgeen ter zitting is verhandeld. Ter zitting heeft het hof namelijk verzocht om overlegging van de definitieve aangifte IB 2013 en heeft het hof (aldus nog steeds het middel) aangegeven dat dit voldoende was. Dit blijkt echter niet uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (van 28 januari 2015). Het middel mist dan ook feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof (in rov. 3.6.6) dat bij gebreke van de jaarstukken van de ondernemingen van [verzoeker] de definitieve aangifte IB 2013 ontoereikend is om inzicht te verkrijgen in het ontstaan van de schulden, is overigens niet onbegrijpelijk, zodat het middel ook op deze grond faalt.
onderdeel 8is weer gericht tegen rov. 3.6.6. Het middel klaagt (als ik het middel goed begrijp) dat het hof heeft miskend dat [verzoeker] zich op het standpunt stelt dat er geen zakelijke schulden zijn (maar alleen privéschulden), zodat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat [verzoeker] onvoldoende inzicht heeft gegeven in het ontstaan van de zakelijke schulden. Het middel kan niet slagen, niet alleen omdat het nalaat de vindplaats te vermelden van het standpunt van [verzoeker] dat er geen zakelijke schulden zijn en niet vaststaat dat het hof de zakelijke schulden niet in aanmerking had moeten nemen, maar ook omdat dit oordeel van het hof geen zelfstandig dragend oordeel betreft.
onderdeel 10klaagt het middel, onder verwijzing (in voetnoot 4) naar een arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 5 februari 2015 [12] , dat het hof “het criterium van beoogd misbruik van de WSNP” niet heeft getoetst, hetgeen onbegrijpelijk is. Het middel voldoet niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv Pro daaraan te stellen eisen, aangezien het nalaat met bepaaldheid en precisie te vermelden tegen welke beslissing of overweging van het hof het is gericht. [13] Bovendien is onduidelijk wat het middel met deze klacht beoogt; misbruik is in deze zaak niet aan de orde, zodat het hof dit niet behoefde te toetsen. Het middel faalt.
onderdeel 11(opgenomen in de faxbrief van de advocaat van [verzoeker] van 17 maart 2015) klaagt het middel dat het hof heeft miskend dat er gehandeld is in strijd met de goede procesorde, waardoor [verzoeker] in zijn rechten is geschaad en geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Het middel voldoet bij gebreke van melding van een overweging van het hof wederom niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv Pro daaraan te stellen eisen. Het middel verwijst naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg en naar brieven in het rechtbankdossier die [verzoeker] niet te zien had gekregen. Hiermee lijkt onderdeel 11 voort te bouwen op onderdeel 1 en kan het op dezelfde gronden niet tot cassatie leiden.