Conclusie
[verweerder 1],
[verweerster 2],
1.Feiten en procesverloop
als niet geschreven zal worden beschouwd”) wanneer het sub 1 bedoelde resultaat niet wordt waargemaakt – en dat het sub 1 beoogde resultaat nimmer tot stand is gekomen. [10] [11]
grief 1wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in haar rov. 3.1 dat [eiseres] niet voor 2/3 mede-eigenaar is geworden van het litigieuze stuk grond. Aangevoerd wordt onder meer dat uit de (wijze van totstandkoming van de) overeenkomst van 22 november 2001 blijkt dat alle mede-eigenaren, onder wie [verweerder 1], akkoord zijn gegaan met een splitsing van perceel [D] in twee gedeelten, zodat een rechtsgeldige afsplitsing van het litigieuze stuk grond heeft plaatsgevonden. Daarna hebben echter (alleen) de mede-eigenaren tot overdracht van hun 2/3 aandeel daarin willen overgegaan. [12] Daartoe waren zij op grond van het te dezen toepasselijke art. 3:175 lid 1 BW Pro bevoegd, aldus [eiseres]. [13]
grieven 2 en 3wordt opgekomen tegen de onderbouwing van de afwijzing van de primaire vordering door de rechtbank in haar rov. 3.2. In dit kader wordt onder meer aangevoerd dat aan de ontbindende voorwaarde niet is voldaan omdat deze aldus moet worden uitgelegd dat doorslaggevend is dat aan [verweerder 1] een bouwvergunning wordt verleend, hetgeen naar verwachting op korte termijn het geval zal zijn. [14] Subsidiair beroept [eiseres] zich voor de toewijzing van haar primaire vordering op de redelijkheid en billijkheid. [15]
2.Beoordeling van het cassatieberoep
splitsingvan dat gemeenschappelijk onroerend goed in twee gedeelten vooraf moet gaan (zie ook cassatiedagvaarding onder 24 en s.t., p. 5 midden), op welke splitsing volgens het hof art. 3:170 lid 3 BW Pro van toepassing is. Het oordeel dat voor splitsing het in art. 3:170 lid 3 BW Pro bedoelde toestemmingsvereiste begrijpelijk is omdat anders een deelgenoot tegen zijn wil door een splitsing met een vergroting van het aantal deelgenoten zou kunnen worden geconfronteerd, acht [eiseres] onbegrijpelijk (zie ook s.t., p. 5). Het hof heeft miskend dat op de overdracht van een aandeel in een gedeelte van een gemeenschappelijk goed art. 3:175 lid 1 BW Pro van toepassing is (zie ook s.t., p. 4), nu hetgeen geldt voor het meerdere (het mogen beschikken over een aandeel in het gehele goed) ook geldt voor het mindere (het mogen beschikken over een aandeel in een deel van het goed). [17]
het gemeenschappelijk goed. Volgens de bepaling zijn daartoe uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd.
aandeel inhet gemeenschappelijke goed. De bepaling geeft als hoofdregel dat iedere deelgenoot zelfstandig bevoegd is over zijn aandeel te beschikken. Dit is slechts anders indien dit uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten voortvloeit. [18]
gedeeltevan het gemeenschappelijke goed. Daarbij gaat het om hun aandelen in een specifiek stuk grond (3 are 15 centiare als op de tekening bij de leveringsakte gearceerd) dat deel uitmaakt van het gemeenschappelijk perceel [D] als geheel. De vraag is of zij tot zodanige beschikking zelfstandig bevoegd waren.
gevolgvan die overdracht/eigendomsverkrijging dat goederenrechtelijk een nieuwe grensvaststelling – individualisatie tot zelfstandige zaak – ofwel verticale ‘splitsing’ in eigendomsrechten plaatsvindt. [21] In de literatuur wordt verdedigd dat hetzelfde geldt voor vestiging van een beperkt recht op een gedeelte van de grond. [22] In beide gevallen volgt eerst daarna de administratieve aanpassing van de kadastrale perceelsaanduiding door vernummering (art. 57 Kw Pro). [23]
splitsingvan het goed vooraf moet gaan. Het onderdeel betoogt terecht dat splitsing – in casu: in twee gemeenschappen – slechts een
gevolg(“inherent”, “op termijn”) is van een geldige overdracht door de mede-eigenaren van hun aandelen in een gedeelte van het perceel grond.
gedeeltevan zodanig goed.
deel van zijn aandeelin een gemeenschappelijk goed. Zodanige beschikking leidt tot wijziging van het breukdeel bij een gelijkblijvend object. Niet valt in te zien dat art. 3:175 lid 1 op Pro deze vraag niet van toepassing is.
goederen afzonderlijk.
één,
meerdan wel
alletot de gemeenschap behorende afzonderlijke goederen te beschikken, tenzij de rechtsverhouding tussen de deelgenoten zulks belet (art. 3:175 lid 1 BW Pro). [30] Een dergelijke rechtsverhouding kan tweeërlei strekking hebben. Enerzijds kan deze strekking zijn dat de deelgenoten niet één van hen vervangen willen zien worden door een nieuwe deelgenoot die hun niet aanstaat (en dus niet tegen hun wil een nieuwe deelgenoot opgedrongen kunnen krijgen). Anderzijds kan deze strekking zijn te voorkomen dat de gemeenschap – bijvoorbeeld van een universitas facti als een bibliotheek of een aandelenpakket [31] – in meer gemeenschappen met verschillende deelgenoten zou uiteenvallen. [32]
onderdeel I.2(cassatiedagvaarding onder 15-23 en 29-31), dat gericht is tegen de rov. 3.4 tot en met 3.6, geen behandeling meer behoeft.
onder 16-21) allerlei feitelijkheden en stellingen naar voren – zoals een beroep op dwaling ex art. 6:228 BW Pro en de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid wegens de niet-realiseerbare inhoud van de overeengekomen voorwaarde – zonder dat daarvan een vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties wordt vermeld. Kennisneming van de gedingstukken leert dat [eiseres], anders dan het onderdeel betoogt, een beroep op dwaling ten aanzien van de contractuele voorwaarde niet in feitelijke instanties naar voren heeft gebracht en dat deze ook geen aanknopingspunten bevatten voor ambtshalve aanvulling van rechtsgronden op dit punt of wat betreft art. 6:248 lid 2 BW Pro. Ook vermeldt het onderdeel niet duidelijk tegen welk oordeel van het hof het zich precies richt en waarin de gestelde schending van het recht en/of verzuim van essentiële vormen door het hof precies heeft bestaan. Daarmee voldoet het niet aan de eisen van 407 lid 2 Rv, terwijl [verweerder 1] in cassatie verstek heeft laten gaan.
onder 22) dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de bewijsaanbiedingen betreffende het akkoord van [verweerder 1] met de splitsing en betreffende de uitvoering van de overeenkomst. Deze bewijsaanbiedingen heeft het hof in rov. 3.5 met vermelding van – naar hieronder zal blijken – in cassatie tevergeefs bestreden redenen als niet relevant gepasseerd. Het onderdeel berust voorts op de onjuiste rechtsopvatting dat onvoldoende betwisting van stellingen aanleiding is tot het toelaten van bewijslevering ter zake. Voorts klaagt het, zo begrijp ik, over de door het hof aan de contractuele voorwaarde gegeven uitleg. Er worden echter geen vindplaatsen gegeven van de in dit verband aangevoerde stellingen, en deze worden in de processtukken ook niet aangetroffen.
onder 34 en 41) dan wel de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid (
onder 35), strandt die klacht op dezelfde gronden als hiervoor bij onderdeel I.2 vermeld.
onder 36-37) over onbegrijpelijkheid van het oordeel dat [verweerder 1] een te respecteren eigendomsbelang heeft. Van de daartoe aangevoerde stelling dat [verweerder 1] nooit een civiele actie tegen de bouw van de villa’s heeft ingesteld of om schorsing van de bouwvergunning heeft verzocht, vermeldt het middel echter geen vindplaatsen.
onder 38-40 en 42-44).
middel IIImoet dit lot delen.