Conclusie
Feiten en procesverloop
( [1] )
( [2] )In de akte wordt opgemerkt dat de bepalingen van de koopovereenkomst van 20 augustus 2009 van kracht blijven, voor zover daarvan in de akte niet wordt afgeweken, en wordt als koopprijs het bedrag van € 160.000,- genoemd.
( [3] )
( [4] )
( [5] )[verweerder] c.s. hebben voor antwoord geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en daarna hun standpunt in cassatie nog schriftelijke toelichting doen toelichten.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [6] ), waarin de niet-ontvankelijkheid van een cassatieberoep ingevolge artikel 3:301 lid 2 BW Pro aan de orde was, geoordeeld:
“(…) dat het bepaalde bij art. 3:301 lid 2 een Pro beperkte strekking heeft. Er is onvoldoende grond om aan te nemen dat de in artikel 3:301 lid 2 voorziene Pro niet-ontvankelijkheid het cassatieberoep ook treft voor zover dit klachten richt tegen oordelen die niet betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte.”Dit oordeel baseert de Hoge Raad op de volgende overweging:
“Het bepaalde bij art. 3:301 lid 2 BW Pro strekt ertoe, zoals ook naar vorenkomt uit de Memorie van Toelichting bij art. 3:301, dat bij inschrijving van de uitspraak op de voet van artikel 3:89 lid Pro 1, zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de termijn voor het instellen van beroep in cassatie verstreek, zodanig beroep niet is ingesteld (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5, en 6) blz. 1400 – 1402). Zulks is van belang met betrekking tot de ten aanzien van verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid. De bepaling bewerkstelligt dat de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan bij afgifte van de in art. 25 Kadasterwet Pro bedoelde verklaring, dat hem niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, kan afgaan op het in art. 433 bedoelde Pro register.”Deze overweging herhaalt de Hoge Raad in rov. 4.1 van zijn uitspraak van 19 november 2004 in de zaak C03/112HR
( [7] )en in rov. 3.4 van zijn uitspraak van 4 mei 2007 in de zaak C05/218HR
( [8] ). In die rov. 3.4 merkt de Hoge Raad nog nader op:
“(…) dat het voorschrift van art. 3:301 lid 2 BW Pro niet ertoe strekt het belang van de wederpartij van degene die het rechtsmiddel heeft ingesteld te beschermen, maar ertoe strekt de betrouwbaarheid van de openbare registers met het oog op de te aanzien van de verkrijging van registergoederen zoveel mogelijk te waarborgen.”
( [9] ). Die zaak heeft, sterk verkort weergegeven, betrekking op het volgende geval. W. vordert van een Stichting, die door B. als zijn enige erfgename was aangewezen, de levering van de eigendom van een door B. in 1992 aan hem verhuurde villa tegen betaling van een koopprijs gelijk aan de waarde van de woning in bewoonde staat. Als grondslag voor die vordering voert W. aan dat B. in november 1992 aan hem een optie had verleend tot aankoop van de woning na het overlijden van B. tegen een vergoeding voor de woning in bewoonde staat en dat hij na het overlijden van B. de optie, die een onherroepelijk aanbod inhield, heeft aanvaard.
( [10] )Zowel de verlening van de optie en daarmee de leveringsplicht als de gestelde koopprijs worden door de Stichting betwist. Na W. geslaagd te hebben geoordeeld in het bewijs van de door hem gestelde optie en koopprijs, heeft de rechtbank bij eindvonnis de Stichting veroordeeld om de woning aan W. te leveren tegen betaling van (de waarde in bewoonde staat) en mee te werken aan het verlijden van de akte tot levering. Verder heeft de rechtbank bepaald dat, wanneer de Stichting niet aan deze veroordeling voldoet, het eindvonnis de kracht zal hebben van een in wettige vorm opgemaakte akte van levering ter uitvoering van de tussen partijen gesloten overeenkomst. De Stichting heeft tegen het eindvonnis hoger beroep ingesteld. De aangevoerde grieven 2 t/m 6 richten zich alle tegen de overwegingen van de rechtbank die betrekking hebben op het tot stand komen van een koopovereenkomst en de verplichting van de Stichting om de woning aan W. te leveren tegen een koopprijs gelijk aan de waarde van de villa in bewoonde staat. W. heeft mede tegen de grieven 2 t/m 6 het verweer gevoerd dat de Stichting het hoger beroep niet binnen veertien dagen na het instellen ervan heeft laten inschrijven in het in artikel 433 Rv Pro bedoelde register en dat derhalve de Stichting niet ontvankelijk is in haar hoger beroep. Het hof honoreert dit verweer. De Stichting komt in cassatie van het arrest van het hof en voert in het kader van middelonderdeel 2 aan dat het hof, gelet op de beperkte strekking van artikel 3:301 lid 2 BW Pro, het hoger beroep ontvankelijk had moeten verklaren voor zover de grieven niet waren gericht tegen de verplichting tot levering van de onroerende zaak aan W. maar betrekking hadden op de door W. verschuldigde koopprijs. Dit laatste geldt, zo wordt betoogd, in het bijzonder voor grief 2, die aan de orde stelde dat de koopoptie niet inhield dat W. het pand zou kopen tegen de waarde in bewoonde staat maar tegen de marktwaarde in onbewoonde staat. De Hoge Raad overweegt hieromtrent in rov. 3.4 onder meer het volgende:
“Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat het bepaalde in art. 3:301 lid 2 in Pro zoverre een beperkte strekking heeft, dat er onvoldoende grond is om de niet-ontvankelijkheid van het beroep mede te betrekken op klachten die zich niet richten tegen oordelen die betrekking hebben op het gedeelte van de uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte (HR 24 december 1999, nr. C98/161, NJ 2000, 495). In het onderhavige geval bestaat er evenwel een onlosmakelijk verband tussen de in het dictum van de rechtbankvonnis opgenomen veroordeling van de Stichting tot levering van de villa en de in dat dictum bepaalde koopprijs die W. moet betalen. W. heeft zijn vordering tot levering van de villa gekoppeld aan een koopprijs van € 589.914,28, de waarde in bewoonde staat. (…) Nu enerzijds de veroordeling tot levering van de villa blijkens hetgeen naar aanleiding van onderdeel 1 is overwogen onherroepelijk is, en anderzijds een veroordeling tot betaling van een hogere koopsom buiten de grenzen van de rechtsstrijd valt, heeft het hof terecht geoordeeld dat het hoger beroep ook niet-ontvankelijk is met betrekking tot de door grief 2 aan de orde gestelde hoogte van de koopsom. Onderdeel 2 faalt derhalve eveneens.”
dievordering wordt toegewezen. De beslissing in het dictum dat het vonnis voor zoveel nodig in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte, ziet dan zowel op het oordeel inzake de plicht tot leveren van de eigendom als op het oordeel inzake de tegenover die plicht staande verplichting tot betalen van de koopprijs. Laat men hernieuwde discussie over de koopprijs toch toe dan impliceert dat dat ook de levering weer ter discussie komt te staan, hetgeen niet met de ratio van de in artikel 3:301 lid 2 BW Pro bedoelde niet-ontvankelijkheid valt te verenigen.
( [11] )
( [12] )