ECLI:NL:PHR:2015:575

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 mei 2015
Publicatiedatum
8 mei 2015
Zaaknummer
15/00797
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 419 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurrechtelijke weigering woningverhuur wegens wanprestaties niet onrechtmatig

Eiseres vorderde dat Stichting Woningbouw Achtkarspelen haar een huurwoning zou aanbieden die voldeed aan haar specifieke wensen zoals bij inschrijving opgegeven. De rechtbank en het gerechtshof wezen deze vordering af, waarbij het hof oordeelde dat inschrijving als woningzoekende geen verplichting tot aanbieding schept en dat contractsvrijheid geldt.

Eiseres stelde in cassatie onder meer dat het hof de feiten onjuist had vastgesteld en dat haar inschrijving haar een recht op woningaanbieding gaf. De Hoge Raad verwierp deze klachten, onder meer omdat het hof de vordering niet had afgewezen op basis van de door de woningstichting genoemde wanprestaties, maar op andere gronden.

Ook het argument dat de persoonlijke woonlocatiewens een bijzondere omstandigheid zou zijn die tot aanbieding verplicht, faalde. Het hof erkende de vrije woonkeuze van eiseres, maar stelde dat dit niet betekent dat de woningstichting juridisch verplicht is aan die wens te voldoen.

De Hoge Raad concludeert dat de weigering van de woningbouwvereniging om een woning aan te bieden niet onrechtmatig is en verklaart het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a lid 1 RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de weigering van de woningbouwvereniging om een huurwoning aan te bieden blijft rechtmatig.

Conclusie

15/00797
Mr. F.F. Langemeijer
1 mei 2015 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[eiseres]
tegen
Stichting Woningbouw Achtkarspelen
1. Eiseres heeft gevorderd dat de woningstichting zal worden veroordeeld om haar een huurwoning aan te bieden, welke voldoet aan de specifieke wensen van eiseres zoals opgegeven bij inschrijving. Bij vonnis van 10 januari 2014 heeft de rechtbank Noord-Nederland deze, op het feit van de inschrijving van eiseres als woningzoekende gebaseerde [1] , vordering afgewezen. Bij arrest van 4 november 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:8463) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis bekrachtigd. Eiseres heeft – tijdig – beroep in cassatie ingesteld.
2.
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 5.2 (de feitenvaststelling). Bij de rechtsklacht mist eiseres belang omdat het hof overweegt dat het, bij de beoordeling van grief 2, mede acht zal slaan op de door eiseres gestelde feiten. Om dezelfde reden faalt de motiveringsklacht onder 1.2; op de aldaar onder (i) bedoelde stelling van eiseres is het hof ingegaan in rov. 5.4 en 5.7. Aan de onder (ii) en (iii) bedoelde repliek van eiseres is het hof niet toegekomen, omdat het hof de vordering niet heeft afgewezen op grond van hetgeen de woningstichting had gesteld (en door eiseres was betwist) over schade die zou zijn toegebracht aan een woning die eerder door eiseres van de woningstichting was gehuurd, maar op andere gronden.
3. Bij
onderdeel 2, over de eerste alinea van rov. 5.7, mist eiseres belang omdat deze de beslissing niet draagt (“wat daarvan verder ook zij”).
4.
Onderdeel 3keert zich tegen de slotsom dat de woningstichting niet verplicht is om eiseres een huurwoning aan te bieden die aan haar specifieke wensen voldoet. Deze slotsom is in het kort gebaseerd op het oordeel (a) dat de inschrijving als woningzoekende nog geen zodanige verplichting voor de woningstichting schept en (b) dat het beginsel van contractsvrijheid geldt en de woningstichting slechts onder bijzondere omstandigheden gehouden is om eiseres een huurwoning aan te bieden. Van zodanige omstandigheden is volgens het hof niet gebleken, waarbij het hof aantekent dat eiseres zich desgewenst tot andere aanbieders in de regio kan wenden [2] . Het middelonderdeel bestrijdt niet het oordeel onder b en houdt kennelijk vast aan de primaire stelling van eiseres dat zij reeds op grond van de geaccepteerde inschrijving mocht verwachten een huurwoning als gewenst aangeboden te krijgen. De in dit middelonderdeel bedoelde erkenning door de woningstichting mist relevantie omdat zij de reden van de weigering (het door eiseres betwiste huurdersgedrag) betreft, niet de vraag óf de inschrijving de woningstichting tot aanbieding verplicht. Aan de erkenning door de woningstichting dat zij in januari 2012 (volgens de woningstichting: bij vergissing) aan eiseres een woning heeft aangeboden, heeft het hof niet het door eiseres beoogde rechtsgevolg verbonden: die omstandigheid legt volgens het hof “geen gewicht in de schaal” omdat eiseres dat aanbod heeft afgeslagen en daarmee de door deze aanbieding bij eiseres eventueel gecreëerde verwachting was uitgewerkt. De rechts- en de motiveringsklacht stuiten hierop af.
5.
Onderdeel 4bestrijdt het oordeel dat de wens van eiseres ten aanzien van de woonlocatie niet is aan te merken als een ‘bijzondere omstandigheid’ die de woningstichting noopte tot het aanbieden van een huurwoning. Het hof overwoog dat deze wens uitsluitend berust op een persoonlijke voorkeur van eiseres. Volgens de klacht berust dit oordeel op een onjuiste rechtsopvatting, omdat een huurder de vrije keuze heeft waar hij of zij wil wonen en die (subjectieve) keuze niet behoeft te motiveren. Deze klacht berust m.i. op een verkeerde lezing van de bestreden overwegingen: het hof miskent niet de vrije keuze van eiseres om te gaan wonen waar zij wil, maar behandelt de vraag of de woningstichting in rechte kan worden verplicht om aan eiseres een woning aan te bieden overeenkomstig de bij inschrijving opgegeven specificaties [3] . De opmerking aan het slot van onderdeel 4.1, over rekening houden met de belangen van de aspirant-huurder, is niet nader als klacht uitgewerkt en kan reeds om die reden niet tot cassatie leiden.
6.
Onderdeel 5neemt in 5.1 en 5.2 als vanzelfsprekend aan dat de woningstichting contractueel was gebonden, in die zin dat eiseres op grond van de in 2005 door de woningstichting geaccepteerde inschrijving als woningzoekende mocht verwachten dat de woningstichting haar een aanbieding (na januari 2012: een andere aanbieding) zou doen. Dat standpunt is nu juist door het hof verworpen. De gebezigde gronden kunnen het oordeel dragen. De dubbele ontkenning in dit middelonderdeel (dat “niet valt in te zien dat” eiseres “niet mocht verwachten dat SWA haar een andere aanbieding zou doen”) brengt daarin geen verandering.
Voor zover eiseres in onderdeel 5.3 bedoelt dat niet slechts het feit van haar inschrijving bij de woningstichting als woningzoekende, maar ook de periodieke verlenging c.q. de duur van de inschrijving vóór het moment waarop de woningstichting haar liet weten niet aan haar te willen verhuren, een persoonlijk recht schiep van eiseres jegens de woningstichting op toewijzing van een woning die aan de specificaties van eiseres voldoet, heeft zij in het middelonderdeel niet aangegeven waar in de gedingstukken eerder op het argument van de duur van de inschrijving een beroep is gedaan (art. 419 Rv Pro). Het hof heeft de stelling van eiseres opgevat als weergegeven in rov. 5.7 (kort te parafraseren als: het argument ‘had dat dan eerder gezegd’) en als zodanig behandeld en verworpen.
Onderdeel 6, waarin dit argument wordt herhaald, treft om dezelfde reden geen doel.
7.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. – g.

Voetnoten

1.In appel is subsidiair als grondslag een onrechtmatige daad van de woningstichting toegevoegd.
2.Sommige woningcorporaties maken afspraken over ‘tweede kans’-beleid; zie bijv. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 augustus 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AU4877. Zie over het (opnieuw) aanbieden van een huurwoning door woningcorporaties: H.J. Rossel, Huurrecht algemeen, 2011, par. 2.11; A.R. de Jonge, Huurrecht, 2013, blz. 126; H. Hielkema (red.), Burenoverlast. Remedies tegen de overlast gevende huurder, Apeldoorn/Antwerpen: Maklu 2013, i.h.b. par. 2.4.4.4.
3.Vgl. HR 11 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0110, NJ 1992/650 m.nt. E.A. Alkema, rov. 3.4.5.