Verzoeker werd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam in 2011 onder de schuldsaneringsregeling geplaatst. In 2014 stelde de rechtbank vast dat verzoeker toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, waardoor de regeling werd beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Het hof Den Haag bekrachtigde dit oordeel in februari 2015, stellende dat verzoeker onvoldoende actief was geweest in het verstrekken van informatie en het solliciteren en dat hij bovenmatige nieuwe schulden had laten ontstaan.
Verzoeker voerde in hoger beroep onder meer aan dat zijn psychische omstandigheden, waaronder PTSS, hem niet toerekenbaar maakten. Het hof oordeelde echter dat dit onvoldoende was onderbouwd met medische stukken. Tevens wees het hof op de herhaalde waarschuwingen en de laatste kans die verzoeker had gekregen om de regeling succesvol af te ronden. Het beroep op gelijkstelling met een vervolgingsslachtoffer en de hardheidsclausule werd eveneens verworpen.
De Hoge Raad concludeert dat het hof geen essentiële grief heeft gepasseerd en dat het oordeel over toerekenbaarheid voldoende gemotiveerd en begrijpelijk is. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen, waarmee de beëindiging van de schuldsanering zonder schone lei definitief is.