ECLI:NL:PHR:2015:606

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2015
Publicatiedatum
19 mei 2015
Zaaknummer
13/02746
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 447 SvArt. IV.3 Procesreglement strafkamer Hoge Raad 2013
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over noodweer en de mogelijkheid tot onttrekken aan aanranding

In deze zaak heeft de Hoge Raad het oordeel van het hof getoetst dat het beroep op noodweer door verdachte was verworpen. Het hof stelde dat verdachte zich had kunnen onttrekken aan de dreigende aanranding door weg te gaan nadat het eerdere conflict met het latere slachtoffer was beëindigd. De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit eerdere jurisprudentie dat van noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding geen sprake is indien de verdediger zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken.

De Hoge Raad constateert echter dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, gelet op de vastgestelde feiten: er was een ruzie buiten het partycentrum waarbij zowel verdachte als het slachtoffer betrokken waren, verdachte liep na afloop naar zijn auto en vervolgens terug naar de auto van een derde, waarna het slachtoffer op verdachte afliep met een wapen en verbaal tekeer ging. Het hof stelde dat het eerdere conflict was beëindigd en dat verdachte niet wist dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich droeg toen hij naar zijn auto liep.

Tegen deze achtergrond acht de Hoge Raad het oordeel van het hof dat sprake was van een dreigende aanranding waaraan verdachte zich had moeten onttrekken niet begrijpelijk. Daarnaast is in de procedure aandacht besteed aan de volledigheid van de processtukken en het verzoek tot aanvulling daarvan, waarbij de advocaat van verdachte niet binnen de gestelde termijn een verzoek tot aanvulling heeft ingediend. De conclusie van de advocaat-generaal dat het middel feitelijke grondslag mist en niet tot cassatie kan leiden, wordt door de Hoge Raad overgenomen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen vanwege onvoldoende feitelijke grondslag en procedurele tekortkomingen.

Conclusie

Nr. 13/02746
Zitting: 14 april 2015
Mr. Hofstee
Aanvullende conclusie inzake:
[verdachte]
1. Op 10 februari 2015 heb ik geconcludeerd dat het
derde middeldat namens verzoeker is voorgesteld, te weten dat het Hof in het arrest noch in een aanvulling op het arrest de bewijsmiddelen heeft opgenomen waarop de bewezenverklaring is gestoeld, faalt omdat de raadsman geen verzoek bij de rolraadsheer heeft ingediend om aanvulling van de stukken, waardoor de raadsman niet de weg heeft bewandeld die staat beschreven in art. IV.3 van het Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad 2013. [1]
2. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2011:BN7088 [2] blijkt echter dat ook een faxbericht aan de strafgriffie van de Hoge Raad waarin om aanvulling van processtukken wordt verzocht, als een verzoek aan de rolraadsheer moet worden aangemerkt.
3. De rolraadsheer heeft alsnog de aanvulling bewijsmiddelen opgevraagd bij het Hof. Van de eerder opgemaakte aanvulling bewijsmiddelen is een nieuwe uitdraai gemaakt, welke is ondertekend door de voorzitter en is gezonden aan de Hoge Raad. Vervolgens is een nadere termijn verleend teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen om - na kennisneming van de aanvulling bewijsmiddelen - de eerder door hem ingediende schriftuur te wijzigen of aan te vullen dan wel één of meer middelen in te trekken. Deze termijn is verstreken zonder dat de raadsman van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt.
4. Op grond van het voorgaande meen ik thans dat het middel feitelijke grondslag mist en om die reden niet tot cassatie kan leiden.
5. Voor het overige handhaaf ik mijn conclusie van 10 februari 2015.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Dat luidt: “Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet – voordat hij in een middel over die onvolledigheid wenst te klagen – binnen de in art. 437, tweede lid, onderscheidenlijk art. 447, vierde lid, Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer.”
2.Deze uitspraak bevindt zich achter/onder de uitspraak van de Hoge Raad van 25 januari 2011 (nr. 09/03573W).