Conclusie
1.Feiten
Koop en verkoop; levering
Non-concurrentie; relatiebeding
Non-concurrentiebeding
2.Procesverloop
3.Bespreking van de klachten
eerste klacht van onderdeel 1.2strandt hierop.
onderdelen 1.1 en 1.2behelzen voorts een klacht over oplegging van een dwangsom nu op overtreding van het litigieuze beding ook al een boete stond. Het Hof wordt verweten in dit kader niet te zijn ingegaan op het verweer van [eiser] dat hij het beding niet had overtreden; de boete zou daarom, zo “begrijp” ik de klacht, een voldoende prikkel zijn.
onderdeel 1.3is het Hof in rov. 2 van zijn arrest van 22 april 2014 rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, op onbegrijpelijke wijze voorbij gegaan aan het in rov. 4.17 van zijn arrest van 1 april 2014 genoemde betoog van [eiser] dat er op neerkomt dat hij zonder de betreffende lijst niet in staat is om het relatiebeding na te leven omdat het gaat om tenminste 3.000 relaties en hij, na een periode van vijf jaar waarin hij geen zakelijke contacten heeft onderhouden met deze relaties, niet weet om welke relaties het gaat en daarmee niet wanneer hij het beding overtreedt. In dat betoog zou mede besloten liggen dat de verstrekking van de bedoelde lijst noodzakelijk is voor de toewijzing van de reconventionele vordering van [verweerster] omdat [eiser] anders zou worden veroordeeld tot een niet doen waaraan hij zich redelijkerwijs niet kan houden. Het Hof heeft daarom miskend dat het in verband met de toewijzing van de reconventionele vordering van [verweerster] niet kon volstaan met de door hem in rov. 4.17 van zijn arrest van 1 april 2014 gemaakte belangenafweging; het Hof had de gegrondheid van [eisers] betoog - binnen de daarvoor in een voorlopige voorziening bestaande mogelijkheden - moeten onderzoeken alvorens het de reconventionele vordering van [verweerster] had kunnen toewijzen.
conventionele vordering, dat hij dwangsommen verbeurt omdat hij niet precies weet wie de betrokken relaties zijn, objectief bezien niet onbegrijpelijk is. Zeker wanneer iemand bij bepaalde gedragingen zowel een relevante boete áls een dwangsom verbeurt, ligt in het algemeen m.i. voor de hand dat hij de beschikking krijgt over gegevens die nodig zijn om te beoordelen wat hij moet nalaten. Zou Uw Raad de klacht dus voldoende aangekleed achten, in die zin dat het ervoor wordt gehouden dat het betoog van [eiser] mede ziet op de reconventie, dan slaagt zij.
onderdeel 3te behandelen.
Onderdeel 3.1richt zich tegen rov. 4.18 van het arrest van 1 april 2014. Ook deze klacht loopt stuk op de onder 3.6 vermelde grond.
gehoudenwas.
nietsheeft overwogen over de reconventionele vordering en dat zijn oordeel bijgevolg van
iedere redengevingis gespeend. Zou Uw Raad die klacht willen inlezen en eveneens een voldoende tot respons nopend betoog van [eiser], dan zou die klacht slagen.
onderdeel 1.4heeft het Hof in rov. 2 en 6 van zijn arrest van 22 april 2014 miskend dat [verweerster] in hoger beroep zowel een primaire als subsidiaire reconventionele vordering heeft ingesteld. Het Hof heeft in (het dictum van) zijn arrest niet duidelijk gemaakt of het de primaire of subsidiaire reconventionele vordering van [verweerster] heeft toegewezen.
onderdeel 4.