Conclusie
Schuldenares:
Parket bij de Hoge Raad
Verzoekster was onderworpen aan een schuldsaneringsregeling (WSNP) met verlening van een schone lei in 2010. Later bleek dat zij een aanzienlijke schuld aan de belastingdienst had wegens ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag over 2009 en 2010. Deze schuld werd pas definitief vastgesteld na afloop van de regeling in 2013.
De rechter-commissaris heeft op grond van artikel 358a Fw een voordracht gedaan tot ontneming van de schone lei, omdat verzoekster haar verplichtingen niet was nagekomen en schuldeisers benadeeld waren. De rechtbank en het hof bevestigden deze ontneming, waarbij het hof oordeelde dat de schuld tijdens de regeling was ontstaan maar pas later definitief bekend werd, en dat verzoekster onvoldoende bewijs leverde dat zij de uitgaven had gedaan.
Verzoekster stelde in cassatie onder meer dat de rechter-commissaris niet als belanghebbende kon optreden en dat de schuld reeds bekend was tijdens de regeling. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat de rechter-commissaris ontvankelijk was en dat het definitief worden van de schuld na afloop van de regeling bepalend was. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontneming van de schone lei aan verzoekster.