Conclusie
TV-personality, voorafgaand aan publicatie in het blad Playboy zijn uitgelekt en waar Geenstijl.nl naar heeft gelinkt, handelt het principaal cassatieberoep over de toepassing van het citaatrecht uit art. 15a Aw op een uitsnede van een foto, de verhouding tussen auteursrecht en communicatievrijheid en de afwijzing van GS Media’s beroep op art. 10 EVRM Pro, de vraag of GS Media onrechtmatig heeft gehandeld door te (blijven) linken naar de uitgelekte reportage en haar berichtgeving daarover op Geenstijl.nl en over compensatie van proceskosten in feitelijke instanties. Het incidenteel cassatieberoep gaat om de vraag of het hyperlinken naar foto’s in deze zaak een openbaarmaking is volgens de Auteursrechtrichtlijn [1] en ook over compensatie van proceskosten in feitelijke instanties.
illegale content) in dit geval een mededeling aan het publiek of openbaarmakingshandeling? Dat is na de Svensson en Best Water uitspraken van het Hof van Jusititie van de Europese Unie (HvJEU) uit 2014 volgens mij bepaald nog niet duidelijk. Ik zal in deze conclusie verder in het principaal beroep concluderen tot vernietiging en verwijzing (praktisch gesproken: na schorsing gemoeid met de prejudiciële gang naar Luxemburg). De belangrijkste reden daarvoor is dat sinds het Ashby Donald-arrest uit Straatsburg bij botsing tussen auteursrecht en communicatievrijheid (en een relevant beroep op schending van art. 10 lid 1 EVRM Pro) een rechterlijke auteursrechtinbreukconstatering met een beroep op de wettelijke uitzondering van het auteursrecht niet volstaat, maar concreet getoetst moet worden aan de noodzakelijkheids- en proportionaliteitsvereisten uit art. 10 lid 2 EVRM Pro. Dat is niet gebeurd. De klachten gericht tegen het onrechtmatige daadsoordeel van het hof, de subsidiaire grondslag van de vorderingen van Sanoma c.s. in deze zaak, stel ik voor uit overwegingen van proceseconomie nu nog niet te behandelen, aangezien daar mogelijk na prejudiciële verwijzing [2] geen belang meer bij bestaat en dat geldt dan ook voor de resterende klachten over – hoofdzakelijk – kostencompensatie bij gemengde zaken. Dit onder de aantekening dat desgewenst op korte termijn aanvullend geconcludeerd kan worden over deze restmaterie.
topicsvan haar site. In 2011 was dat het artikel over [verweerster 3]. In 2012 stond berichtgeving over [verweerster 3] op de tweede plaats. Ter zitting van het hof heeft [betrokkene 4], hoofdredacteur van GeenStijl, verklaard dat deze lijsten onzin zijn en dat hij ze zelf verzint, rekening houdend met de interessesfeer van het geenstijl-publiek.
2.Beoordeling
onderdeel Ibevat rechts- en motiveringsklachten over de foto-uitsnede en citaatrecht overwegingen van het hof in rov. 2.5.3-2.5.4, 2.6.3 en 2.7. Ik geef ook de context van deze overwegingen hier weer:
Grief 3.1is gericht tegen het oordeel van de rechtbank (rechtsoverweging 4.17) dat GS Media met de openbaarmaking op haar website op 27 oktober 2011 van een uitsnede van één van de foto’s inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van Sanoma.
onderdeel I.2eerst de rechtsklacht dat rov. 2.5.3-2.5.4 niet juist zijn, omdat alleen is onderzocht of aan de citaatrechteisen is voldaan. Het hof had eerst moeten onderzoeken of de uitsnede zelf een werk is en of sprake is van relevant verveelvoudigings- of openbaarmakingshandelingen, zeker nu GS Media het tegendeel heeft betoogd (MvG 125-128, 183, pleitnota GS Media hb 45, cva 33), zodat het oordeel onbegrijpelijk is, ook door deze essentiële stellingen te passeren, aldus de motiveringsklacht uit onderdeel I.2 – en in feite herhaald in
onderdeel I.3, met de klacht: voor zover dit niet is miskend, is dat onvoldoende kenbaar gemotiveerd – althans is niet voldoende kenbaar vastgesteld dat aan de werktoets en auteursrechtelijke openbaarmaking of verveelvoudiging is voldaan. Met het passeren van deze stellingen is volgens onderdeel I.2 bovendien ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd het daarmee samenhangende bewijsaanbod gepasseerd (pleitnota GS Media hb 45).
teaser-oordeel met de klacht dat voor het auteursrecht-inbreukoordeel niet het doel van het gebruik van de foto-uitsnede relevant is, maar de vraag of de uitsnede zelf als auteursrechtelijk werk kan gelden, of zoals de rechtsklacht precies luidt: (veeleer) is de vraag of de foto-uitsnede op zich de oorspronkelijkheid van het (volledige) werk in zich draagt, hetgeen niet/althans niet voldoende kenbaar is getoetst.
onderdeel I.5komt erop neer dat het hof in rov. 2.5.1 en 2.6.3 uitsnedes uit de verkeerde foto heeft beoordeeld, namelijk (alleen) die met roze badpak: GS Media hebben aangevoerd dat de foto met het roze badpak gebruikt op GeenStijl (prod. 36 Sanoma eerste pagina) juist
geenuitsnede is uit de foto op p. 92 van de Playboy-reportage, mede omdat GS Media helemaal niet over die pagina beschikte (de lek hield één pagina eerder op). Nu hierop niet is gerespondeerd door Sanoma c.s. is onbegrijpelijk dat het hof respectievelijk overweegt “dat GS Media erkent dat de foto met badkleding een uitsnede is van de foto”, “dat op GeenStijl een uitsnede van de foto’s met badkleding (hierna: de uitsnede) is getoond” (rov. 2.5.1) en “haar in badkleding gehulde buik” is getoond (rov. 2.6.3).
zonder badpakkwam uit de Playboy-reportage, die
met badpakjuist niet en
alleen die laatste fotois beoordeeld in rov. 2.5.1 en 2.6.3. Dat kaart onderdeel I.5 op zichzelf terecht aan. Het is alleen de vraag of dat tot cassatie moet leiden en dat denk ik niet.
met het roze badpak(prod. 36 MvA, p. 1) is volgens GS Media geen uitsnede uit de foto op p. 92 van de gelekte fotoreportage (prod 13 dagvaarding, de pagina die links boven begint met de tekst F*UCKING VET INTERVIEW!!!): ze tonen allebei een roze badpak maar het is duidelijk te zien dat dit verschillende foto’s zijn: het model is anders gepositioneerd en ook lichtinval, schaduwen en achtergrond verschillen, zo is haar stelling. Zij beschikte ook niet over de badpakfoto, die komt van p. 92 van de Playboyreportage, terwijl het lek stopte bij p. 91: het op Filefactory gepubliceerde zip-bestand bevatte 11 pdf-bestanden met p. 81-91 en dus niet p. 92 (prod. 5 Sanoma c.s.). Daar hebben Sanoma c.s. niet kenbaar op gerespondeerd, waarna het hof in rov. 2.5.1 en 2.6.3 aanneemt dat op GeenStijl delen van een badpakfoto zijn getoond, terwijl het andersom was. De vraag of de uitsnede van de foto van [verweerster 3]
zonder badkleding [9] een auteursrechtelijk werk is, is door het hof nog niet beantwoord. Een mogelijke redenering is dan: dat is grotendeels feitelijke materie die niet in cassatie kan plaatsvinden. GS Media heeft bij pleidooi in cassatie wel aangevoerd dat “[g]ezien de stellingen van partijen (…) GeenStijl er vanuit [gaat] dat het Hof heeft beoogd vast te stellen dat GeenStijl van één foto - namelijk die zónder badpak - een uitsnede heeft gepubliceerd. [10] ”, maar wat de precieze draagwijdte van die stelling is, is niet duidelijk. Mogelijk is daarmee bedoeld dat met of zonder badpak niet uitmaakt. Ik kom daar twee nummers verder op terug.
(a) Om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen, is vereist dat het desbetreffende werk een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt (vgl. HR 30 mei 2008, LJN BC2153, NJ 2008/556 (Endstra)). Het HvJEU heeft de maatstaf aldus geformuleerd dat het moet gaan om “een eigen intellectuele schepping van de auteur van het werk” (HvJEU 16 juli 2009, nr. C-5/08, LJN BJ3749, NJ 2011/288 (Infopaq I)).
(…)
Daartoe is evenwel niet steeds vereist dat alle door een partij aangedragen stellingen door de rechter uitdrukkelijk in de motivering worden betrokken. [15] ”
secde werkdrempel moet gelden. Dat kan denk ik blijven rusten in de zo begrepen en hiervoor verworpen stelling van GS Media, dat de auteursrechtelijk relevante trekken niet (voldoende) naar voren komen in de minuscule uitsnede.
onderdelen II.4-II.6, klaagt dat het oordeel over afwezigheid van een noodzaak tot volledige afweging tussen vrijheid van meningsuiting/auteursrecht onjuist, althans onbegrijpelijk is.
onderdelen II.7-II.9, klaagt dat het oordeel dat de Auteurswet zo’n wettelijke beperking is, waar slechts in uitzonderlijke (niet gestelde of gebleken) gevallen door de informatievrijheid op kan worden ingebroken, onjuist is.
Onderdeel II.4werkt onderdeel I.1 uit met de rechtsklacht dat het hof miskent dat geldt dat de rechter
in concretoeen belangenafweging moet maken tussen auteursrecht en vrijheid van meningsuiting, althans in een situatie als in deze zaak. Toetsing
in abstracto,dus alleen de toets: levert een uiting auteursrechtinbreuk op, zoals het hof gedaan heeft, volstaat niet. Concreet moet onderzocht worden of een auteursrechtelijke beperking op de vrijheid van meningsuiting van art. 10 EVRM Pro noodzakelijk is in een democratische samenleving: is voor deze beperking op art. 10 EVRM Pro een dringende maatschappelijke noodzaak (
pressing social need) aanwezig en is deze beperking in overeenstemming met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat heeft het hof miskend, althans is die beslissing onvoldoende gemotiveerd (gelet op de stellingen bij MvG 131-145 in het bijzonder).
onderdeel II.5deze beslissing onbegrijpelijk, nu het hof het auteursrecht voorrang geeft in deze zaak, waarin slechts sprake is van de publicatie van een (zeer kleine en onherkenbare) uitsnede van een foto (MvG 125-128, pleitnota GS Media hb 45-47 en cva 33), waarmee geen reëel exploitatiebelang voor Sanoma c.s. is gemoeid en die dus van onvoldoende gewicht is om GS Media’s vrijheid van meningsuiting in te perken (MvG 128, cva 35 – niet door het hof weersproken stellingen, aldus de klacht). In dat licht is onvoldoende gemotiveerd waarom het verbod ten aanzien van de uitsnede in dit geval noodzakelijk en proportioneel is.
onderdeel II.6zonder nadere (ontbrekende) motivering onbegrijpelijk nu onvoldoende kenbaar is op welke wijze het hof dat heeft gedaan.
onderdeel II.7begint de uitwerking van onderdeel II.3 met een rechts- en motiveringsklacht: onjuist is dat slechts in uitzonderlijke gevallen, die voor deze betreffende onderhavige uitsnede niet zijn gesteld of gebleken, de vrijheid van meningsuiting een inbreuk op het auteursrecht rechtvaardigt, althans is dat onbegrijpelijk. Auteursrecht en vrijheid van meningsuiting zijn in beginsel twee gelijkwaardige grondrechten die in concreto tegen elkaar moeten worden afgewogen; het is niet zo dat auteursrecht prevaleert, zoals het hof te kennen geeft. Ook is miskend dat op Sanoma c.s., als degenen die een auteursrechtelijk verbod vorderen, stelplicht en bewijslast rusten van gerechtvaardigd belang bij en noodzaak van het verbod op de uitsnede en het niet aan GS Media is om te stellen en te bewijzen dat haar handelwijze noodzakelijk is.
commercial speech) en dat die inbreuk moet voldoen aan de vereisten uit art. 10 lid 2 EVRM Pro (noodzakelijkheids- en proportionaliteitstoets) wil dat passabel zijn. Dat de belangenafweging in deze Franse zaak in het voordeel van auteursrechtinbreuk uitviel, kon volgens het EHRM overigens de toets van art. 10 lid 2 EVRM Pro doorstaan, als ik het goed versta met name nu de “margin of appreciation” in dergelijke gevallen groot is:
pressing social needmoet bestaan voor de beperking, dat er een proportionele verhouding moet zijn tussen doel en beperking en dat de aangevoerde redenen relevant en adequaat moeten zijn [29] .
De grondrechten
grief 2betoogt GS Media dat zij door het plaatsen van de hyperlinks op GeenStijl de foto’s niet heeft openbaar gemaakt.
onderdeel 2.2is ter toelichting op deze klacht verwezen naar het Svensson-arrest [41] onder aanhaling van punten 14-32.
making available right: beschikbaarstelling voor het publiek zodanig dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk is.
nietgesteld mag worden:
interventieof tussenkomst, die iemand
bewustverricht en daarbij een
centrale rolspeelt waardoor een (enigszins)
onbepaaldpubliek van
enige omvangwordt bereikt of kan worden bereikt, dat
ontvankelijkis om van het werk te genieten, voor zover dat publiek
nieuwis, dat wil zeggen
niet is ingecalculeerdbij een eerdere voorafgaande mededeling aan het publiek of wanneer sprake is van wederdoorgifte (aan hetzelfde publiek) via een
andere techniekdie niet slechts op ontvangstverbetering ziet. Het hebben van een
winstoogmerkkan hierbij van belang zijn, maar is niet doorslaggevend.”
klassieke mediadiensten, zoals radio en televisie. Zijn die te transponeren naar de internetomgeving? Dat is problematisch. Lodder [64] meent dat deze criteria voor toepassing op het internet volkomen ongeschikt zijn, omdat iedere commerciële website waar links worden opgenomen vanzelf voldoet aan deze criteria, die niet zien op diensten op individueel verzoek van de afnemer:
radioportalseen gemis. Volgens hen zou:
White Paper [78] volgens Janssens recent twijfels geuit over het “nieuw-publiek”-concept van het Hof. Ik schetste al dat het criterium volgens Seignette is gebaseerd op een verkeerd begrip van de Berner Conventie. In haar IER-noot onder Svensson doet zij daar nog een schepje bovenop en constateert zij dat het nieuw-publiek-criterium overeind blijft en ten opzichte van TVCatchup gerechtvaardigd wordt met een volgens haar gekunsteld onderscheid in punt 24. Dat onderscheid is volgens haar niet houdbaar:
ongeoorloofde contentvolgens dit arrest een mededeling aan het publiek is in de zin van de richtlijn [82] en dus een openbaarmakingshandeling vormt:
ongeautoriseerde content. Daar ging het immers in de Svensson-zaak niet over, dat was juist
legale content, de journalisten hadden (mogelijk één artikel uitgezonderd) toestemming gegeven voor plaatsing op de site van de krant. En het ging al helemaal niet over linken naar niet zonder meer vrij toegankelijk spul, want de artikelen stonden op de vrij toegankelijke krantensite. Daar komt weer de onduidelijkheid over omzeilen van (welke?) beperkingsmogelijkheden om de hoek kijken en wat voor eisen je daar aan moet stellen/aan wat voor restricties je dan moet denken. Ik zou het niet zo maar weten; in deze voor de praktijk belangrijke kwestie moeten prejudiciële vragen uitkomst bieden.
geensprake was van een
nieuw publiekin Rn. 22:
embeddenin zijn maag – en dat in verband met het nieuwe publiekscriterium. De vraag voor het BGH was of het feit dat embedded werd gelinkt naar het YouTube-filmpje nog verschil maakt [95] . Het BGH dacht dat dit dan
weleen mededeling aan het publiek was in de zin van de richtlijn, maar het antwoord van het HvJEU is:
nee. Dat was eigenlijk na Svensson al bekend (punten 29 en 30, hiervoor weergegeven in 2.3.21; de vraag van het BGH in BestWater dateert van vóór Svensson), zij het dat de lijn nu voor illegale content lijkt te worden doorgetrokken. Ik zeg expres lijkt; dat was immers uitgangspunt van de vraagstelling, zo zagen we net. Vreemd is dan wel dat de motivering van de uitspraak (vgl. m.n. punt 18, hierna weergegeven, maar ook in punten 14 en 16 gebeurt dat) hoofdzakelijk steunt op de veronderstelling dat sprake is van
eerdere toestemmingvan de rechthebbende. Raadselachtig, want die was hier nu juist niet aanwezig [96] . Dat maakt de analyse er niet eenvoudiger op. Zou het kunnen zijn dat de illegale content bij de motivering over het hoofd is gezien? Het HvJEU overweegt in deze beschikking onder meer dit:
welsprake was van mededeling aan het publiek in de zin van de richtlijn en legde die visie aldus gemotiveerd voor aan het Hof in Rn. 26 van de verwijzingsbeschikking:
nietals een mededeling aan het publiek.
geen nieuw publiekontsluiten, maar wat opvalt is dat het Hof hierin geen afscheid neemt van de nieuw publiek-leer in internetcontext. Geerts [97] meent dat door de vooropstelling dat geen nieuw publiek is ontsloten, het Hof in de BestWater-beschikking geen uitspraak heeft gedaan over de vraag of embedden van
illegale contental dan niet is toegestaan [98] . Dat lijkt mij ook.
illegale contentniet goed kan volgen. Het kan ook zijn dat daar door de vooropgestelde afwezigheid van nieuw publiek al het doek viel.
enig publiek, laat staan het GeenStijl-publiek. Zelfs in de BestWater-zaak gebeurt dat: voorop wordt gesteld dat sprake is van illegale content (met als verdere complicatie nog dat in die zaak vaststond dat
geensprake was van een nieuw publiek) maar de motivering leunt niettemin op het geval dat wel sprake is van rechtmatige content. Ik kan dat alleen begrijpen met de veronderstelling dat het karakter van de illegale content bij de dragende motivering over het hoofd is gezien. Daarbij komt dat onze casus niet met BestWater is te vergelijken, omdat in BestWater door een derde op een niet beperkt open platform (YouTube) was geplaatst, waar naar werd gelinkt.
illegale content)?
illegale contentis geplaatst, kunnen worden omzeild, als bedoeld in punt 31 van het arrest van 13 februari 2014, C-466/12 (Svensson e.a./Retriever)?
access code, b) abonnee-toegang,
paywall, wachtwoord en dergelijke, of moet sprake zijn van c) “digitale kluis”-situaties waarbij de content “volkomen privé (voor één of meer personen?) en praktisch gesproken onbereikbaar” is (een wanneer is daarvan dan sprake)? Zijn daarbij ook te betrekken de juridische voorwaarden die gelden voor gebruik en toegang tot de bronsite?
illegale contentwaar naar wordt gelinkt?
geensprake is van een
oorspronkelijke toestemmingvan de auteursrechthebbende, omdat het gaat om linken naar
illegale content?
illegale content?
primairauteursrechtinbreuk,
subsidiaironrechtmatige daad aan hun vorderingen ten grondslag gelegd. Er resteert ook nog een staartje incidenteel beroep over compensatie van proceskosten in gemengde zaken en een veegklacht (onderdelen 2.8 en 3).