Conclusie
eerste middelklaagt over de vaststelling door het hof dat de verdachte wist dat alleen bij betalingen boven € 50.000,- dan wel € 100.000,- een “controle” plaats vond door medewerkers van de afdeling Treasury. Deze vaststelling is onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de wetenschap bij de medewerkers die de betalingen klaarzetten.
tweede middelklaagt over de kwalificatie van het onder 2 bewezen verklaarde feit als witwassen.
derde middelklaagt dat in cassatie inbreuk is gemaakt op het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht zoals is bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Het middel is op zichzelf genomen gegrond omdat de stukken op 4 juli 2014 bij de griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen terwijl op 14 mei 2013 beroep in cassatie was ingesteld. Overigens faalt het middel voor zover wordt geklaagd over schending van de in artikel 365a Sv gestelde termijn om het verkort arrest aan te vullen met bewijsmiddelen. Op het overschrijden van die termijn is geen sanctie gesteld los van de eventuele overschrijding van de inzendtermijn die daarvan het geval kan zijn zoals zich in deze zaak voordoet.