ECLI:NL:PHR:2015:763

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2015
Publicatiedatum
2 juni 2015
Zaaknummer
13/03026
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 36f SrArt. 365a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordelingen wegens verduistering in dienstbetrekking en gewoontewitwassen

De verdachte was werkzaam bij een bedrijf en voerde valse facturen in het administratiesysteem in, waarna geld werd overgemaakt naar rekeningen van fictieve leveranciers. Het hof kwalificeerde dit als verduistering in dienstbetrekking en witwassen. De echtgenoot van de verdachte werd vrijgesproken van medeplegen witwassen.

De verdediging voerde meerdere middelen aan in cassatie, waaronder onbegrijpelijkheid van de vaststelling over de controlegrenzen bij betalingen en de kwalificatie van het witwassen. Deze middelen werden verworpen omdat het hof voldoende bewijs had en de rechtspraak omtrent witwassen correct toepaste.

Een middel over de schending van het recht op een redelijke termijn werd gegrond bevonden, omdat het cassatieberoep te laat was ingediend. Dit leidde tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, aangezien de overige middelen geen kans van slagen hadden.

Het hof had tevens de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van €1.110.422,65, gecombineerd met een hechtenisstraf ter vervanging van die vordering. Verder nam het hof beslissingen over inbeslaggenomen voorwerpen.

De zaak toont de toepassing van strafrechtelijke kwalificaties bij financieel-economische delicten en de strikte termijnen in cassatieprocedures.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de veroordeling van het hof in stand blijft.

Conclusie

Nr. 13/03026
Zitting: 17 maart 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 8 mei 2013 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens onder 1 “verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd” en onder 2 “van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [B] B.V. toegewezen tot het bedrag van € 1.110.422,65 in combinatie met de maatregel bedoeld in artikel 36f Sr te vervangen door 365 dagen hechtenis. Ook heeft het hof beslissingen genomen over in beslaggenomen voorwerpen die nog niet waren teruggegeven.
Er bestaat samenhang met de zaak [medeverdachte], nr. 13/02797, de echtgenoot van de verdachte waarin ik vandaag ook zal concluderen.
Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft namens de verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld.
De feiten die aan de zaak ten grondslag liggen kunnen als volgt worden geschetst. De verdachte was werkzaam bij [B] B.V. (hierna: [B]) en heeft valse facturen ten name van fictieve leveranciers ingevoerd in het zogenoemde “SAP-administratiesysteem” van [B] waarna op basis van die facturen geld is overgemaakt naar de bankrekeningen van de fictieve leveranciers. Het laten invoeren van de valse facturen heeft het hof gekwalificeerd als verduistering in dienstbetrekking en het door de verdachte “overdragen” van het geld als witwassen. De echtgenoot van de verdachte is onder meer tenlastegelegd dat hij als medepleger betrokken is geweest bij het witwassen door de verdachte maar daarvan is hij door het hof vrijgesproken.
Het
eerste middelklaagt over de vaststelling door het hof dat de verdachte wist dat alleen bij betalingen boven € 50.000,- dan wel € 100.000,- een “controle” plaats vond door medewerkers van de afdeling Treasury. Deze vaststelling is onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de wetenschap bij de medewerkers die de betalingen klaarzetten.
In zijn arrest heeft het hof in zijn bijzondere overwegingen omtrent het bewijs vastgesteld dat de verdachte “ervan op de hoogte was dat bij betalingen hoger dan € 50.000,- dan wel € 100.000,- een extra controle zou plaatsvinden door medewerkers van de afdeling Treasury.” Voor het bewijs heeft het hof gebruikt een schriftelijk bescheid waarin staat dat voor betalingen boven € 100.000,- goedkeuring van de Treasury is vereist (bewijsmiddel 2) en een verklaring van [betrokkene 4] dat de verdachte meerdere keren om uitleg of onderbouwing is gevraagd door het hoofd van haar afdeling bij betalingen boven € 100.000,- (bewijsmiddel 12) alsmede een verklaring van [betrokkene 5] dat bij betalingen boven € 50.000,- extra controle door de Treasury plaats vond en dat dit algemeen bekend is omdat de laatstgenoemde grens vermeld staat in de procedure die op de server staat (bewijsmiddel 11). De vaststelling van het hof wordt niet onbegrijpelijk doordat ter terechtzitting is aangevoerd dat de grens van € 50.000,- wordt weersproken door bij de rechter-commissaris gehoorde medewerkers en hun leidinggevende. De vaststelling van de feiten is immers voorbehouden aan de feitenrechter en op de uitzonderingen die op deze regel in de rechtspraak zijn gemaakt is geen beroep gedaan.
Het middel faalt.
Het
tweede middelklaagt over de kwalificatie van het onder 2 bewezen verklaarde feit als witwassen.
Het middel berust op de veronderstelling dat het door het hof bewezen verklaarde “overdragen” in feite niets anders is dan “verwerven” of “voorhanden hebben” voor welke gevallen de Hoge Raad in inmiddels bestendige rechtspraak een aanvullende motivering eist om de bewezen verklaarde feiten als witwassen te mogen kwalificeren indien de verdachte de voorwerpen uit eigen misdrijf heeft verworven of voorhanden heeft gekregen. In cassatie is niet aangevoerd dat en waarom zich in de onderhavige zaak het bijzondere geval voordoet dat het “overdragen” plaats vindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. [1] Reeds om die reden faalt het middel. Overigens is ook in feitelijke aanleg niet aangevoerd dat en waarom zich in de onderhavige zaak een bijzonder geval zou voordoen, maar de terechtzitting heeft plaats gevonden voordat de Hoge Raad zich uit-sprak over de zogenoemde kwalificatieuitsluitingsgrond indien het witwassen uit “overdragen” zou bestaan. In zoverre valt eveneens te begrijpen waarom het hof de kwalificatiebeslissing inzake witwassen niet nader heeft gemotiveerd omdat toentertijd die nadere motivering alleen werd vereist indien het witwassen zou bestaan uit “verwerven” of “voorhanden hebben”, nog afgezien van de vraag of zich een bijzonder geval zou hebben voorgedaan.
10. In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat uit de bewezenverklaringen van het hof, de bijzondere overwegingen omtrent het bewijs en de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat de geldbedragen zijn overgemaakt van de rekening van de werkgever van de verdachte – waar zij “als heer en meester over de betalingen heeft kunnen beschikken” zoals het hof in zijn arrest heeft vastgesteld – naar rekeningen van fictieve leveranciers. Een dergelijke gedraging kan al worden aangemerkt als een “gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft”.
11. Het middel faalt.
12. Het
derde middelklaagt dat in cassatie inbreuk is gemaakt op het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht zoals is bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Het middel is op zichzelf genomen gegrond omdat de stukken op 4 juli 2014 bij de griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen terwijl op 14 mei 2013 beroep in cassatie was ingesteld. Overigens faalt het middel voor zover wordt geklaagd over schending van de in artikel 365a Sv gestelde termijn om het verkort arrest aan te vullen met bewijsmiddelen. Op het overschrijden van die termijn is geen sanctie gesteld los van de eventuele overschrijding van de inzendtermijn die daarvan het geval kan zijn zoals zich in deze zaak voordoet.
13. Nu het eerste en tweede middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden heeft de verdachte onvoldoende belang bij het cassatieberoep omdat de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie geen verzuim is dat invloed heeft gehad op het in cassatie bestreden arrest. De verdachte kan daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het cassatieberoep.
14. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat verdachte hierbij klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft en het eerste en tweede middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714 r.o. 2.4.2.