Conclusie
2.Procesverloop
exploitatiegebied, maar zulks conform het door de gemeente goedgekeurde Ambitieus Inrichtingsplan. Door de gemeente is niet betwist dat Het Grootslag zich hieraan heeft gehouden en dat zij voorzieningen heeft gerealiseerd conform het Ambitieus Inrichtingsplan. Niet gesteld of gebleken is dat Het Grootslag meer of andere voorzieningen heeft gerealiseerd dan in dit Inrichtingsplan zijn neergelegd.
plangebied, dus niet uitsluitend in het
exploitatiegebied. Ook in de brief van 1 juli 2005 heeft de gemeente bevestigd dat een bijdrage zal worden opgelegd voor ‘inrichting van het gehele gebied conform de exploitatiebegroting d.d. juni 2005’, dus niet beperkt tot een deel van dit gebied. De gemeente heeft ook niet gemotiveerd betwist dat de gerealiseerde voorzieningen (riolering, hoogspanningsleidingen, groenstroken, fietspaden, waterberging) ten gunste zijn gekomen aan het gehele plangebied, dus niet alleen aan het exploitatiegebied.
grief 2.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nderdeel 1is gericht tegen rov. 3.4 en rov. 3.6 van het tussenarrest, die hiervóór (onder 2.4) reeds werden geciteerd.
Subonderdeel 1.1klaagt dat, indien rov. 3.4 aldus moet worden begrepen dat tussen partijen was overeengekomen dat de Gemeente de in die rechtsoverweging genoemde omslag van € 12,- (althans de later in rov. 2.12 van het eindarrest genoemde omslag van € 8,49) per vierkante meter bij [A] in rekening zou brengen, die overweging, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is in het licht van ’s hofs vaststelling in rov. 2.2 van zijn tussenarrest en de grondslag van de vordering van Het Grootslag, zoals het hof die in rov. 3.2 van zijn tussenarrest heeft genoemd, dat op de Gemeente (slechts) een inspanningsverplichting rustte om het bedrag gebaseerd op de te maken kosten voor de inrichting conform de (later bijgestelde) exploitatiebegroting uit 2005 in rekening te brengen.
Subonderdeel 1.2voegt daaraan toe dat, als subonderdeel 1.1 slaagt, ook ’s hofs beslissing in rov. 3.6 van het tussenarrest dat het standpunt van de Gemeente dat zij niet gehouden was een bijdrage op te leggen aan derden in het plangebied, maar buiten het exploitatiegebied, onjuist is, niet in stand kan blijven. Deze klacht is verder niet toegelicht.
subonderdeel 1.1en
1.2dienen derhalve te falen.
onderdeel 2komt de Gemeente op tegen rov. 3.10 en rov. 3.11 van het tussenarrest. Deze rechtsoverwegingen zijn hiervóór (onder 2.4) reeds weergegeven.
Subonderdeel 2.1klaagt over het oordeel van het hof dat art. 9.1.5 Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Invoeringswet Wro) [4] zou inhouden dat het oude recht (de WRO) van toepassing blijft, indien
vóór de inwerkingtreding van de Wroeen wijzigingsplan ter inzage is gelegd. Het subonderdeel wijst erop dat art. 9.1.5 lid 2 Invoeringswet Wro bepaalt dat het oude recht van toepassing blijft indien
binnen een jaar na inwerkingtreding van de Wroeen wijzigingsplan ter inzage is gelegd. Het subonderdeel vervolgt dat, anders dan het hof heeft aangenomen, de Wro derhalve pas een jaar na invoering ervan van toepassing was op de aanvraag van [A] , nu voor de afhandeling daarvan de vaststelling van een wijzigingsplan noodzakelijk was en het oude recht van toepassing zou zijn gebleven, indien die afhandeling voor 1 juli 2009 plaatsvond.
“het oude recht (…) van toepassing (blijft) op plannen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro in procedure zijn gebracht”en dat
“wenselijk (is) dat toepassing van het nieuwe regime van de Wet ruimtelijke ordening niet wordt uitgesloten met betrekking tot gronden, waarvoor een bestemming geldt die moet worden uitgewerkt, waarvoor nog geen uitwerking in ontwerp ter visie is gelegd en waarvoor dus nog geen bouwvergunning kan worden verleend”, sluiten echter niet aan bij de uiteindelijk vastgestelde tekst van art. 9.1.5 lid 2 Invoeringswet Wro. Dat is hierdoor te verklaren dat de in de oorspronkelijk voorgestelde versie van die bepaling opgenomen zinsnede
“vóór dat tijdstip(van inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro; LK)
” [7] bij nota van wijziging door de zinsnede
“binnen een jaar na dat tijdstip”is vervangen [8] .
goedkeuringvan deze plannen op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro (kennelijk is daarmee bedoeld het niet langer gelden van de in de WRO vervatte
eis van goedkeuringvan deze plannen), valt niet in te zien waarom met het oog daarop een nadere voorziening ten opzichte van de oorspronkelijk voorgestelde versie van art. 9.1.5 Invoeringswet Wro nodig was; de oorspronkelijk voorgestelde versie van die bepaling waarborgde immers reeds dat het oude recht ten aanzien van zulke (vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro in ontwerp ter inzage gelegde) plannen van toepassing bleef. Kennelijk (en ook in de literatuur is de geciteerde passage zo opgevat [10] ) heeft de wetgever bedoeld dat de werking van de bepaling is uitgebreid met plannen waarvan het ontwerp binnen één jaar na de inwerkingtreding van de (Invoeringswet) Wro ter inzage is gelegd, in het bijzonder om te waarborgen dat ook voor die plannen de goedkeuringseis van de WRO zou blijven gelden.
“het recht”zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro, zonder enige verbijzondering tot het oude recht met betrekking tot de voor uitwerkings- en wijzigingsplannen vereiste goedkeuring. Had de wetgever dat laatste beoogd, dan had alleszins voor de hand gelegen dat hij voor een andere formulering zou hebben gekozen, temeer nu een dergelijke verbijzondering wél voorkomt in art. 9.1.7, derde lid [11] , en art. 9.1.8 Invoeringswet Wro, waarnaar de toelichting op de nota van wijziging nota bene uitdrukkelijk verwijst. Deze beide overgangsbepalingen voorzien erin dat nader aangeduide bepalingen van de (oude) WRO waarin een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten werd verlangd, in afwijking van art. 9.1.4 lid 2 Invoeringswet Wro (welke bepaling voor WRO-bestemmingsplannen in een voortgezette gelding van het oude recht voorziet), een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro vervallen [12] .
“ten aanzien van een wijzigings- of uitwerkingsplan, waarvan het ontwerp binnen een jaar na dat tijdstip ter inzage is gelegd”. De gebruikte formulering
“ten aanzien van een wijzigings- of uitwerkingsplan”is ruimer dan de formulering
“ten aanzien van de goedkeuring van een wijzigings- of uitwerkingsplan”. Daarbij komt dat (anders dan Het Grootslag in de schriftelijke toelichting onder 2.2.9 heeft gesuggereerd) een wijzigingsplan en een door middel van vaststelling van een exploitatieplan (zoals het hof in rov. 3.12, eerste volzin, heeft bedoeld) te realiseren kostenverhaal allerminst los van elkaar staan. Bestemmings- of wijzigingsplan enerzijds en exploitatieplan anderzijds zijn aan elkaar verknocht, bijvoorbeeld ook in die zin dat zij gelijktijdig worden bekendgemaakt (art. 6.12 lid 4 Wro) [13] en op grond van art. 8.3 Wro voor de mogelijkheid van beroep als één besluit worden aangemerkt. Het toepasselijke recht
“ten aanzien van een wijzigings- of uitwerkingsplan”bepaalt ongetwijfeld óók de mogelijkheid of onmogelijkheid om aan de totstandkoming van een wijzigingsplan (kostenverhaal door middel van) vaststelling van een exploitatieplan te verbinden.
“(b)ij de procedure voor vaststelling van een dergelijk uitwerkingsplan (…) het stelsel van de publiekrechtelijke grondexploitatie in de Wro van toepassing (dient) te zijn (…).”Het stelsel van de publiekrechtelijke grondexploitatie heeft regeling gevonden in afdeling 6.4 Wro (
“Grondexploitatie”), welke regeling mede het exploitatieplan en het door middel van de vaststelling daarvan te realiseren kostenverhaal omvat. Ook de wetgever heeft derhalve onderkend dat het stelsel van publiekrechtelijke grondexploitatie van de Wro slechts van toepassing is op uitwerkings- en wijzigingsplannen waarvan het ontwerp na de “knip” ter inzage is gelegd. Overigens gaat ook de literatuur van dat laatste uit [14] .
de factodus niet heeft voorgedaan. Dat laatste is niet relevant, nu het erom gaat of de Gemeente (zoals het hof in rov. 3.12 heeft aangenomen) ten tijde van de tussen de Gemeente en [A] gemaakte afspraak werkelijk over de
mogelijkheidbeschikte om de litigieuze bijdrage door middel van het nieuwe instrument van de vaststelling van een
exploitatieplan(tot welke wijze van kostenverhaal het hof zich in rov. 3.12 heeft beperkt) af te dwingen. Een exploitatieplan zoals het hof in rov. 3.12 mogelijk heeft geacht, hangt niet in de lucht, maar is verknocht aan het wijzigingsplan waarop het betrekking heeft. Om het door het hof in rov. 3.12 bedoelde kostenverhaal door middel van vaststelling van een exploitatieplan überhaupt mogelijk te maken, had de Gemeente onder het regime van de (nieuwe) Wro dus een wijzigingsplan ter inzage moeten leggen. In dat licht was (ongeacht wat de Gemeente in werkelijkheid wel of niet heeft gedaan) alleszins relevant dat in
iederscenario waarin vóór 1 juli 2009 het ontwerp van een wijzigingsplan ten behoeve van [A] ter inzage zou worden gelegd, ten aanzien van dát plan de WRO (oud) en de daaraan inherente beperkingen voor het afdwingen van financiële bijdragen van toepassing zouden blijven. Bij die stand van zaken heeft de Gemeente onmiskenbaar belang bij haar klacht dat het hof heeft miskend dat het regime van de Wro volgens het toepasselijke overgangsrecht
nietzou gelden voor een wijzigingsplan dat voor 1 juli 2009 ter inzage zou worden gelegd en verhaal van de litigieuze bijdrage door middel van vaststelling van een exploitatieplan ten tijde van de tussen de Gemeente en [A] gemaakte afspraak dus überhaupt niet mogelijk was.
nietals grondslag voor de door het hof in rov. 3.12 voor mogelijk gehouden vaststelling van een exploitatieplan en het daarmee te realiseren publiekrechtelijke kostenverhaal zou kunnen dienen, meen ik dat het subonderdeel op de hiervóór (onder 3.4-3.9) reeds besproken gronden slaagt. Er zijn echter nog andere redenen waarom onjuist is dat (zoals het hof heeft geoordeeld en het subonderdeel bestrijdt) de nieuwe Wro op de
aanvraagvan [A] van toepassing is.
“(d)erhalve (…) vanaf 1 juli 2008 de nieuwe Wro van toepassing (is) op de aanvraag van [A] ”(rov. 3.11, laatste volzin). Voor de vraag met inachtneming van welk recht een aanvraag moet worden afgedaan, is immers niet, althans niet zonder meer, beslissend welk recht ten tijde van die afdoening (overigens) geldt.
“dat de wetgever niet heeft aanvaard dat hangende het verzoek om een vrijstelling het daarop toepasselijke recht wijzigt en de betekenis daaraan wordt ontnomen.”
“een aanvraag om bouwvergunning”(
“Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning (…).”). Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het verband tussen een verzoek om vrijstelling en een daarmee samenhangende aanvraag om bouwvergunning zo hecht, dat het oude recht van toepassing blijft ter zake van de aanvraag om bouwvergunning, óók als die aanvraag, anders dan het daarmee verband houdende verzoek om vrijstelling, eerst ná 1 juli 2008 is ingediend en óók als (anders dan waarvan de tekst van art. 9.1.10 lid 3 Invoeringswet Wro uitgaat) de bouwvergunning niet is verleend, maar (evenals het samenhangende verzoek om vrijstelling) juist is geweigerd [20] .
“vanaf 1 juli 2008 de nieuwe Wro van toepassing (is) op de aanvraag van [A] ”, is derhalve ook op grond van art. 9.1.10 (en 9.5.1) Invoeringswet Wro (en nog afgezien van het door het hof miskende overgangsregime met betrekking tot wijzigingsplannen) onjuist. De klacht van het subonderdeel dat, anders dan het hof in rov. 3.11 heeft geoordeeld, vanaf 1 juli 2008 niet de (nieuwe) Wro, maar het oude recht, te weten de (oude) WRO, op de aanvraag van [A] van toepassing was, is terecht voorgesteld.
exploitatieplanhad kunnen realiseren. Ten tijde van de tussen de Gemeente en [A] gemaakte afspraak kon van vaststelling van een exploitatieplan echter geen sprake zijn, in de eerste plaats omdat slechts een door nieuw recht beheerst wijzigingsplan tot een exploitatieplan kon leiden en nieuw recht eerst van toepassing zou zijn ten aanzien van wijzigingsplannen waarvan het ontwerp op of na 1 juli 2009 ter inzage is gelegd, in de tweede plaats omdat oud recht hoe dan ook op de afwikkeling van de aanvraag van [A] van toepassing is gebleven en niet valt in te zien hoe de afwikkeling van die aanvraag naar oud recht tot een slechts naar nieuw recht toegelaten wijze van publiekrechtelijk kostenverhaal had kunnen leiden.
subonderdeel 2.3over onbegrijpelijkheid van die uitleg in het licht van de in subonderdeel 2.2 aangehaalde stellingen van de Gemeente.
iederwijzigingsplan dat tot 1 juli 2009 zou worden ingediend, acht ik de klacht in die zin gegrond, dat het hof in elk geval de portee van het betoog van de Gemeente, zoals onder meer vervat in de memorie van antwoord onder 32 [24] , heeft miskend. Volgens dat betoog kwam het slechts aan op de vraag met welk wettelijk regime de Gemeente moest rekenen toen zij met [A] over de afdoening van de aanvraag van [A] overeenkwam; op dat moment was de voorwaarde van de uitzondering van art. 9.1.5 Invoeringswet Wro weliswaar nog niet vervuld, maar zou alsnog worden vervuld indien de Gemeente het van die afspraak deel uitmakende wijzigingsplan voor 1 juli 2009 ter inzage zou leggen.
onderdelen 3-5richten zich tegen de beslissingen die het hof, steeds ervan uitgaande dat niet de (oude) WRO maar de (nieuwe) Wro voor de mogelijkheid van omslag en verhaal van de kosten van de door Het Grootslag aangelegde voorzieningen bepalend is, heeft genomen, zowel over de omvang van de aan [A] in rekening te brengen kosten (het hof is kennelijk ervan uitgegaan dat
het geheelvan de door Het Grootslag geclaimde kosten door vaststelling van een exploitatieplan op [A] had kunnen worden verhaald) als over de vraag of [A] zich bij betaling van die kosten zou hebben neergelegd dan wel zijn aanvraag zou hebben ingetrokken. Waar niet de (nieuwe) Wro maar de (oude) WRO bepalend is voor de mogelijkheid van omslag en verhaal van de kosten van de door Het Grootslag aangelegde voorzieningen, meen ik dat de onderdelen 3-5, op één enkele uitzondering na, onbesproken kunnen blijven. Zou de Hoge Raad daarover anders oordelen, dan kan hij uiteraard een nadere conclusie vragen.
subonderdeel 3.2. Die klacht is gericht tegen het in rov. 3.12 van het tussenarrest vervatte oordeel dat de Gemeente onvoldoende heeft onderbouwd dat van bovenwijkse voorzieningen sprake is.
“(v)erhaal van ‘bovenwijkse voorzieningen’ (…) niet mogelijk (is)” [25] .Wat onder de Wro overigens zij van dit (in cassatie onbestreden) oordeel (naar mij voorkomt is verhaal van kosten van bovenwijkse voorzieningen onder de Wro geenszins uitgesloten), is voor verhaal van kosten onder het regime van de (oude) WRO inderdaad van belang of die kosten al dan niet zogenaamde bovenwijkse voorzieningen betreffen [26] . Omdat na verwijzing na cassatie de mogelijkheden van kostenverhaal onder de (oude) WRO (mogelijk) nader aan de orde zullen komen, meen ik dat het opportuun is dat reeds thans over het karakter van die kosten, al dan niet als kosten van bovenwijkse voorzieningen, wordt beslist.
“het gaat om voorzieningen van openbaar nut (zoals riolering, wegen, fietspaden, groenstroken, leidingen, waterberging), overeenkomstig het door de gemeente goedgekeurde Ambitieus Inrichtingsplan, die in het belang zijn van het gehele plangebied”. In die laatste zinsnede (
“die in het belang zijn van het gehele plangebied”) ligt reeds besloten dat ten opzichte van [A] van
bovenwijksevoorzieningen sprake is. [A] heeft immers niet het gehele plangebied in eigendom en beoogt slechts zijn deel daarvan te ontwikkelen (zie onder meer rov. 2.11 van het tussenarrest). De kosten van de betrokken voorzieningen kunnen niet voor 100% ten laste worden gebracht van het perceel van [A] (in termen van afdeling 6.4 (
“Grondexploitatie”) van de nieuwe Wro: van een in samenhang met een wijzigingsplan ten behoeve van [A] vast te stellen exploitatieplan c.q. van het daarin aan te geven exploitatiegebied [27] ) en dát is voor het bovenwijkse karakter van die voorzieningen voldoende [28] . Het gestelde bovenwijkse karakter behoefde geen nadere feitelijke onderbouwing.