ECLI:NL:PHR:2015:801

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2015
Publicatiedatum
2 juni 2015
Zaaknummer
14/01727
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 216 SvArt. 344 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt veroordeling wegens ontoereikende bewijsmotivering meineed

Verdachte werd door het hof veroordeeld wegens het afleggen van een valse verklaring onder ede bij de rechter-commissaris in een strafzaak. De tenlastelegging betrof verklaringen die verdachte op 19 augustus 2011 en 6 december 2011 in Almelo zou hebben afgelegd.

De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs onvoldoende is gemotiveerd. De processen-verbaal waarin de beëdiging van verdachte zou zijn vastgelegd, ontbreken in het dossier. De verklaring van verdachte zelf dat hij onder ede is gehoord, is onvoldoende om te bewijzen dat de eed op de wettelijk voorgeschreven wijze is afgelegd. Ook blijkt niet dat sprake was van een situatie waarin een verklaring onder ede wettelijk vereist is.

Verder is niet aantoonbaar dat verdachte opzettelijk vals heeft verklaard. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest is vernietigd wegens ontoereikende bewijsmotivering en de zaak is terugverwezen naar het hof.

Conclusie

Nr. 14/01727
Zitting: 31 maart 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 11 maart 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “In de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Mr. B.P. de Boer en mr. D.N. de Jonge, beide advocaat te Amsterdam, hebben namens de verdachte één middel van cassatie voorgesteld.
Aan de vervolging van verdachte wegens meineed ligt het volgende feitencomplex ten grondslag. Verdachte was aanwezig op een feest dat aansluitend op een voetbaltoernooi plaats vond. Tijdens het feest werd een striptease-act opgevoerd en werd de begeleider van de stripster mishandeld. Verdachte is in het kader van deze mishandeling als getuige gehoord waarbij de vraag centraal stond of hij informatie kon verschaffen over degene die de mishandeling had gepleegd. Verdachte is daarop vervolgd omdat hij bij de rechter-commissaris een meinedige verklaring zou hebben afgelegd.
Het
middelklaagt dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op of omstreeks 19 augustus 2011 en/of 6 december 2011, te Almelo, in het kabinet rechter-commissaris van de Rechtbank Almelo, meermalen, althans eenmaal telkens als getuige in het verhoor bij de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [A], nadat hij in handen van de rechter-commissaris op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed/belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in elk geval in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert en daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:
“De mensen die ik gesproken heb, weten niet wie het gedaan heeft. Ik dacht eerst nog dat die man verkeerd gevallen was” en
“U vraagt mij of ik de vorige keer alles heb verteld. Ik heb zo volledig mogelijk antwoord gegeven op vragen. U houdt mij voor dat getuige [B] verklaart dat ik, haar contactpersoon, een slaande man van haar partner heeft afgetrokken. U vraagt mij hoe dat kan. Ik zou het niet weten.
U vraagt zich af hoe het kan dat ik niet weet of ik daadwerkelijk hulp heb verleend en heb verklaard dat ik in de bestuurskamer heb gewacht. Als ik iets gedaan zou hebben, zou ik intuïtief gehandeld hebben. Ik zou het niet weten. Ik denk vanwege de hectiek. Het is waarschijnlijk dat ik intuïtief mij om het slachtoffer heb bekommerd en nadat alles rustig was en daadwerkelijk EHBO werd verleend ik in de bestuurskamer heb gewacht.”
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 25 februari 2014 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben op 19 augustus 2011 en op 6 december 2011 bij het kabinet rechtercommissaris van de rechtbank Almelo onder ede gehoord. De verklaring zoals die is opgenomen in de tenlastelegging heb ik bij de rechter-commissaris afgelegd. Ik heb daar onder ede onder meer het volgende verklaard: “(…) U vraagt mij naar [A]. Ik ken nu zijn naam, maar ik ken hem niet. (...) Ik ken ook het slachtoffer en de dader niet. (...) De mensen die ik gesproken heb, weten niet wie het gedaan heeft. (...) Ik dacht eerst nog dat die man verkeerd gevallen was.”
“U vraagt mij of ik de vorige keer alles heb verteld. Ik heb zo volledig mogelijk antwoord gegeven op vragen. (...) U houdt mij voor dat getuige [B] verklaart dat ik, haar contactpersoon, een slaande man van haar partner heeft afgetrokken. U vraagt mij hoe dat kan. Ik zou het niet weten. (...)
U vraagt zich af hoe het kan dat ik niet weet of ik daadwerkelijk hulp heb verleend en heb verklaard dat ik in de bestuurskamer heb gewacht. Als ik iets gedaan zou hebben, zou ik intuïtief gehandeld hebben. Ik zou het niet weten. Ik denk vanwege de hectiek. Het is waarschijnlijk dat ik intuïtief mij om het slachtoffer heb bekommerd en nadat alles rustig was en daadwerkelijk EHBO werd verleend ik in de bestuurskamer heb gewacht.”
Ik hoorde achter mij een klap en zag achter mij het slachtoffer liggen.
Het klopt dat ik bij de rechter-commissaris niet heb verklaard dat het gerucht ging dat [A] het had gedaan.
2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een tapgesprek (als bijlage gevoegd op pagina 11-13 van het proces-verbaal genummerd PL05CE 2011117511) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Gespreksgegevens: 08/710456
Tijdstip: 09-12-11 10:06:29
Beller: [betrokkene 1]
Gebelde: [verdachte]
: (...) Als je maar niet zegt datje mijn reactie hebt gezien die (onverstaanbaar)..na die klap, zeg maar.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 96 van het proces-verbaal genummerd PL05CE 2011117511 ) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
Ik ken [A]. Ik ken hem waarschijnlijk via Vak P. Ik heb de naam [A] vóór de zaak al eens horen vallen. Ik heb [A] vast wel eens eerder gezien of gesproken. Misschien dat ik hem wel eens kort gesproken heb bij de voetbal.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 102-105 van het proces-verbaal genummerd PL05CE 2011117511) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
Volgens mij kwam [betrokkene 2] binnen toen de begeleider van de stripper nog op de grond lag. Zij heeft dus de commotie meegekregen. Volgens mij gingen er tijdens die betreffende dag al de geruchten rond dat [A] de mishandeling had gepleegd. Ik denk dat [betrokkene 2] hier toen ook bij was of dat ik haar dat verteld heb. Ik weet niet meer exact wie mij heeft verteld dat [A] de mishandeling gepleegd had, maar ik ben direct nadat het slachtoffer met de ambulance was afgevoerd gaan rondvragen wie het gedaan had.
Ik denk dat jullie in ieder geval moeten praten met de broer van [A], [betrokkene 3]. [betrokkene 3] kent mensen van het huidige derde elftal van [C] waaronder [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10] en ene [betrokkene 11].
Ik denk dat ik met enkele van de hierboven genoemde jongens heb gesproken en dat de naam van [A] ook bij een van deze jongens is gevallen. Daar is waarschijnlijk over gesproken op de avond van het toernooi.
U vraagt mij naar het motief voor de mishandeling. Ik heb van ene [betrokkene 12] of [betrokkene 12] gehoord dat dit met iets uit het verleden te maken had. Het zou gaan over iets wat bij de voormalige discotheek Groothuis in Hengelo (O) zou zijn gebeurd.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 106-109 van het proces-verbaal genummerd PL05CE 2011117511) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
De verklaring van mijn vriendin [betrokkene 2], waarin zij verklaard heeft dat ik naast het slachtoffer stond en mij om hem ‘bekommerde’, klopt. Met ‘bekommeren’ bedoel ik kijken of ik iets kon doen. Ik kon voor mijn gevoel niets voor hem doen, dus ik heb dat overgelaten aan mensen die daar meer verstand van hebben en daarna heb ik gewacht in de bestuurskamer en daar kwam [betrokkene 2] toen ook bij mij. Ik zag dat zij behoorlijk in shock was. Ik ken [A] niet goed. Ik wist echter wel wie hij was. Ik bedoel daarmee dat ik hem wel zou herkennen.
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 19-21 van het proces-verbaal genummerd PL05CE 2011117511) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2]:
Ik was bij het feest dat is gehouden bij de voetbalvereniging de [C]. Ik kwam binnen toen de strip-act bezig was. Ik zag commotie ontstaan. Ik ben toen naar buiten gegaan.
U vraagt mij wat er gebeurd is. Ik heb gehoord dat de bodyguard van de stripster was neergeslagen. Later zag ik dat hij werd opgehaald door de ambulance. Ik ben later naar binnen gegaan om te kijken waar [verdachte] was. Toen ik binnen kwam, zag ik dat [verdachte] bij die man was die op de grond was geslagen. Ik ben toen naar [verdachte] gelopen. Ik vroeg toen aan [verdachte] wat er was gebeurd. [verdachte] vertelde mij dat de man was neergeslagen. Ik kan u zeggen dat [verdachte] inderdaad weet wie het gedaan heeft. [verdachte] heeft echter nooit tegen mij gezegd wie het heeft gedaan. Hij wilde mij daar buiten houden. [verdachte] vertelde wel dat de dader ’s middags niet had meegevoetbald, maar wel op het feest was. [verdachte] vertelde ook dat het motief van de dader om de bodyguard neer te slaan, uit het verleden kwam. Er zouden vroeger problemen zijn geweest tussen de dader en het slachtoffer.
7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 18 van het proces-verbaal genummerd PL05CE 2011117511) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van bevindingen van verbalisant:
Op dinsdag 13 december 2011 te 10:30 uur werd door verbalisant [verbalisant 1] telefonisch contact opgenomen met [betrokkene 2] om een aanvullende verklaring op te nemen. Zij verklaarde als volgt:
Vraag: Werden er tijdens de strip-act foto’s of filmpjes gemaakt?
Antwoord: Dat weet ik niet. Ik weet wel dat [verdachte] foto’s had en dat hij die foto’s door heeft gestuurd naar een teamgenoot van hem. [verdachte] zijn computer is gecrasht. De naam van zijn teamgenoot weet ik niet.
Vraag: Wat deed [verdachte] toen jij terug kwam van buiten?
Antwoord: [verdachte] stond bij het slachtoffer en bekommerde zich om hem. Het slachtoffer was verward en zat half rechtop. Naast het slachtoffer zat de stripster.
Vraag: Wanneer heeft [verdachte] jou verteld, wie de mishandeling gepleegd had?
Antwoord: Dit moet ongeveer een maand na de mishandeling zijn geweest. Ik wist het dus al een tijdje.
Vraag: Heeft [verdachte] hierbij ook een naam genoemd?
Antwoord: Nee, hij heeft geen namen genoemd. Hij heeft alleen verteld dat hij wist wie het gedaan had.
8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 52-56 van het proces-verbaal genummerd PL05CE 2011117511) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van bevindingen van verbalisant:
Ik, verbalisant, verklaar het volgende.
De getuige [B] (stripster) verklaarde tijdens de act een harde klap te hebben gehoord en zij zag aangever [betrokkene 13] hierna roerloos op de grond liggen. Bovenop hem zag zij een man zitten die insloeg op het hoofd van aangever [betrokkene 13].
Getuige [B] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat getuige [A] de verdachte van haar partner heeft afgetrokken. Zij heeft ook verklaard dat ze na het incident met [A] in de bestuurskamer heeft gesproken.
9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de officier van justitie te Almelo, C. Hofstee, gesloten en ondertekend op 15 december 2011 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van bevindingen van de officier van justitie, mr. C. Hofstee:
ln de zaak betreffende de verdachte, [A], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats], heb ik verdachte tegen het einde van het verhoor bij de rechter-commissaris op 19 augustus 2011 dringend verzocht om zoveel mogelijk informatie in dit onderzoek aan de politie te verstrekken: namen van mogelijke getuigen, telefoonnummers, foto’s en/of films, wat voor informatie dan ook. Dit, omdat tijdens het opsporingsonderzoek bleek dat het erg lastig was om het verhaal van die avond duidelijk te krijgen.
De rechter-commissaris heeft tevens aan verdachte uitgelegd dat het ontzettend belangrijk is dat hij zoveel mogelijk informatie geeft. Zij heeft verdachte erop gewezen dat hij geacht wordt om alles wat maar van belang kan zijn te vertellen. Ook dingen die voor hem wellicht niet relevant lijken, kunnen relevant zijn voor dit onderzoek, heeft zij hem voorgehouden.
Verdachte heeft na het verhoor bij de rechter-commissaris op 19 augustus 2011 gezegd: “ik heb inmiddels mijn verhaal gedaan, alles verklaard wat ik weet en alle vragen zo volledig mogelijk beantwoord.”
Aan het begin van het verhoor van 6 december 2011 heeft de rechter-commissaris verdachte gevraagd of hij in zijn vorige verhoor op 19 augustus 2011 volledig is geweest.”
7. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Nadere overweging met betrekking tot het bewijs
Gelet op de bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat verdachte tijdens het afleggen van zijn verklaringen bij de rechter-commissaris opzettelijk niet de gehele waarheid heeft gezegd. Dat, zoals door de advocaat-generaal is betoogd, uit de inhoud van het strafdossier niet kan blijken welke vragen aan de verdachte zijn gesteld tijdens het afleggen van zijn verklaringen bij de rechter-commissaris zodat de op die vragen gegeven antwoorden niet in volle omvang zijn te toetsen, laat het vorenstaande onverlet.”
8. In het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat uit de bewijsvoering niet valt af te leiden dat de verdachte op of omstreeks 19 augustus 2011 en/of 6 december 2011, te Almelo, in het kabinet rechter-commissaris van de Rechtbank Almelo (…) “nadat hij in handen van de rechter-commissaris op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed/belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in elk geval in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert en daaraan rechtsgevolgen verbindt” heeft verklaard. Met andere woorden: uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte voorafgaand aan het afleggen van zijn verklaringen door de rechter-commissaris is beëdigd.
9. Of de bedoelde eed/belofte is afgelegd zal in de regel zijn opgenomen in de processen-verbaal waarin de desbetreffende verklaringen zijn opgenomen. Juist die processen-verbaal ontbreken echter in het onderhavige strafdossier. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is daaromtrent het volgende opgenomen:
“De advocaat-generaal merkt op dat dat hij niet beschikt over de originele verklaringen van de verhoren van verdachte door de rechter-commissaris.
De voorzitter merkt op dat deze verklaringen ook niet in het dossier van het hof zitten maar zich zullen bevinden in het dossier van Dijkstra nu de verklaringen in zijn zaak zijn afgelegd.”
10. Het hof heeft het bewijs dat de verdachte op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed/belofte heeft afgelegd, kennelijk afgeleid uit de als bewijsmiddel 1 opgenomen verklaring van de verdachte inhoudende dat hij op de genoemde data bij het kabinet rechter-commissaris onder ede is gehoord. Dat is echter onvoldoende om tot het bewijs van de in het middel bedoelde onderdeel van de tenlastelegging te komen. Bedoelde verklaring houdt immers niet in dat de verdachte de door de wet gevorderde eed (of belofte dan wel bevestiging) op de bij de wet voorgeschreven wijze heeft afgelegd. [1] Dat de processen-verbaal van de rechter-commissaris van 19 augustus 2011 en 6 december 2011 zich niet bij de stukken bevinden heeft er, naar ik aanneem, toe geleid dat het hof ook het in de tenlastelegging opgenomen gedeelte “in elk geval in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert en daaraan rechtsgevolgen verbindt” bewezen heeft verklaard. Ook dit laatste blijkt echter niet uit de gebezigde bewijsmiddelen. Ingevolge art. 216 Sv Pro worden getuigen door de rechter-commissaris in de regel slechts in de daarin genoemde uitzonderingssituaties beëdigd. [2] Dat betekent dat de omstandigheid dat verdachte als getuige door de rechter-commissaris is gehoord niet zonder meer impliceert dat het gaat om een geval waarin de wet een eed vereist of daaraan rechtsgevolgen verbindt.
11. De eerste in het middel vervatte klacht is terecht voorgesteld, waardoor de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. Gelet daarop volsta ik met betrekking tot de tweede in het middel vervatte klacht met de constatering dat uit de gebezigde bewijsvoering inderdaad niet zonder meer valt af te leiden dat de verdachte opzettelijk valselijk geheel of ten dele in strijd met de waarheid heeft verklaard.
12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8621 rov. 2.5. en HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3839, rov. 3.5.
2.Art. 216 Sv Pro noemt de volgende gevallen: als de getuige niet op de zitting kan verschijnen, als een beëdigde verklaring nodig is in verband met een uitlevering of als het gaat om het verhoor van een kroongetuige of als beëdiging noodzakelijk wordt geacht in verband met de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring.