Conclusie
eersteprocedure betreft een in mei 2008 aangespannen kort geding door PPC tegen Eurobrom. PPC heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter Eurobrom zou gebieden conform de overeenkomst broom te leveren op de gebruikelijke wijze, totdat onherroepelijk over de geldigheid van de overeenkomst in een arbitrale procedure zou zijn geoordeeld, op straffe van een dwangsom van € 500.000,- per dag.
tweedeprocedure betreft een procedure in kort geding die in september 2008 door PPC tegen ICL is aangespannen toen de uitvoering van het Haagse vonnis voor geschillen tussen partijen zorgde. Volgens PPC heeft ICL geen juiste uitvoering aan het Haagse vonnis gegeven door niet te voldoen aan haar verplichting om het door PPC op de gebruikelijke wijze bestelde elementaire broom aan PPC te leveren.
op de gebruikelijke wijze besteld(mede) worden gelezen als
de gebruikelijke hoeveelheidzodat het vonnis van 28 mei 2008 van de Haagse voorzieningenrechter aldus zou moeten worden gelezen, dat ICL (slechts) verplicht is
de gebruikelijke hoeveelheid(of:
de gebruikelijk bestelde hoeveelheid) elementair broom aan PPC te leveren.
wijze van bestelling(mede) moet worden gelezen als de
bestelde hoeveelheid(…)
arbitrageprocedurein Engeland gestart. De arbiter heeft op 11 maart 2010 in de
First Partial Awardin de arbitrageprocedure onder meer geoordeeld dat de overeenkomst geldig is. Vervolgens is op 14 april 2010 door de raadsman van PPC aan de arbiter het volgende bericht:
Final Award by Consent(hierna: het arbitraal vonnis), voor zover thans van belang, het volgende overwogen:
derdeprocedure voor de Nederlandse overheidsrechter aangespannen: ICL heeft PPC op 28 juni 2011 voor de rechtbank Amsterdam gedagvaard en primair een verklaring voor recht gevorderd dat ICL geen van de bij het Haagse vonnis opgelegde dwangsommen heeft verbeurd en dat PPC wordt veroordeeld tot het staken en gestaakt houden van de tenuitvoerlegging van dat vonnis en tot afgifte aan ICL van de ten gunste van PPC gestelde bankgarantie, op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 5.000.000,-. Subsidiair heeft ICL gevorderd dat de rechtbank PPC verbiedt het Haagse vonnis verder ten uitvoer te leggen dan tot een door de rechtbank te bepalen bedrag, op straffe van een dwangsom van € 5.000.000,- ten aanzien van de veroordelingen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt in de kern dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden door te oordelen dat aan de afwijzing van de in de arbitrageprocedure gevorderde verklaring voor recht dat ICL niet aan haar leveringsverplichting heeft voldaan, geen gezag van gewijsde toekomt, nu deze beslissing is gebaseerd op een schikking tussen partijen en niet op een eigen oordeel van de arbiter. Dit tegen de achtergrond van de omstandigheid dat de rechtbank in rov. 4.3 van het vonnis van 18 april 2012 heeft geoordeeld dat aan het arbitraal vonnis gezag van gewijsde toekomt. Subonderdeel 1.1 voert aan dat PPC hiertegen geen grief heeft gericht, zodat het hof gebonden was aan deze eindbeslissing van de rechtbank. Subonderdeel 1.2 betoogt dat het hof voor zover het heeft geoordeeld dat PPC wel een grief van die strekking heeft aangevoerd, heeft miskend dat voor grieven de eis geldt dat zij behoorlijk in het geding naar voren moeten worden gebracht zodat zij voor de rechter en de wederpartij voldoende kenbaar zijn.
Final Award by Consentdie de rechtsbetrekking in geschil betreffen, ingevolge art. 236 Rv Pro in samenhang met de art. 1059 en Pro 1069 Rv (oud) [10] en art. III van het Arbitrageverdrag van New York van 10 juni 1958 [11] bindende kracht hebben tussen partijen; (ii) dat het gezag van gewijsde enkel toekomt aan de beslissingen van de arbiter die gegrond zijn op zijn beoordeling van het geschil, en (iii) dat aan de afwijzing van de verklaring voor recht dat ICL niet aan haar leveringsverplichting heeft voldaan, geen gezag van gewijsde toekomt, nu deze beslissing is gebaseerd op een schikking tussen partijen en niet op een eigen oordeel van de arbiter.
Force Majeurezoals gedefinieerd in de overeenkomst. Ook heeft het hof in rov. 3.6 overwogen dat indien sprake is van
Force Majeure, in dat geval volgens de overeenkomst ook geen sprake is van een
defaultdan wel aansprakelijkheid, zodat ICL in een dergelijk geval het gebod om aan PPC conform de overeenkomst op gebruikelijke wijze besteld broom te leveren niet heeft overtreden, en zij dus geen dwangsommen heeft verbeurd. Anders dan het (sub)onderdeel betoogt, kan niet worden gezegd dat het hof het door ICL aangevoerde niet (kenbaar) bij zijn oordeel heeft betrokken, dat het hof zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) zou hebben geformuleerd, of dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend.