Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [2] )
‘indien en nadat bij onherroepelijke beslissing in de procedure met rolnummer H 1255/90 de vordering van [verweerster 3] tot levering van het pand aan de [a-straat 5] is afgewezen’. Deze beslissing heeft het hof Leeuwarden bij beschikking van 4 maart 1992 – (productie 2 bij de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in (deels voor-waardelijke) reconventie) - bekrachtigd onder toevoeging van een tweede voorwaarde:
‘en indien [eiser] niet binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis van de rechtbank te Leeuwarden in de procedure onder rolnummer 1255/90,heeft aangegeven dat hij het recht op eerste koop effectueert’.
“Een recht van eerste koop kan, anders dan een koopoptie, pas worden ingeroepen op het moment dat de eigenaar het object waarop het recht betrekking heeft te koop aanbiedt. Hetgeen erflaatster aan [eiser] heeft toegekend is een recht van eerste koop, zoals blijkt uit haar handgeschreven verklaring van 24 augustus 1987 (productie 5 bij de inleidende dagvaarding). De woning is in juli 1993 echter niet te koop aangeboden. Op grond van de beschikking van het hof van 4 maart 1992 kon de woning pas na 20 september 2002 te koop worden aangeboden. [eiser] heeft zijn recht van eerste koop dan ook niet eerder dan 20 september 2002 kunnen uitoefenen. Hierop stuit grief I af.“
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
voortijdiginroepen door [eiser] van zijn recht, maar ook uit – de niet geciteerde – rov. 16 van hetzelfde tussenvonnis. Daarin oordeelt de rechtbank dat [eiser] dat recht van eerste koop pas in de periode van 20 september tot en met 20 december 2002 kon inroepen. Zij verbindt aan haar zojuist vermelde oordeel ook de conclusie dat voor de waardering van de woning de periode van 20 september tot 20 december 2002 bepalend is. De rechtbank zit hiermee op dezelfde lijn als het hof. Kortom, rov. 2.6 wordt op een niet steekhoudende grond bestreden.