Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwd man, tenzij de rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat”.
“[verzoeker 2] (…) het kind niet (kon) erkennen, omdat hij ten tijde van de geboorte nog was gehuwd met een andere vrouw dan de moeder.”Ook heeft de bijzondere curator erop gewezen dat [verweerder] nog was gehuwd:
“dat (…) de rechtbank in haar (eerste) tussenbeschikking van 24 april 2013 kennelijk en terecht had geoordeeld dat van de in art. 1:204 lid 1 sub Pro e [10] bedoelde uitzondering géén sprake is/kan zijn omdat het huwelijk van de vader op 4 maart 2013 door echtscheiding is ontbonden.”Volgens mr. Bruning hebben de vrouw en [verzoeker 2] tegen dit kennelijk oordeel van de rechtbank géén grieven gericht, waardoor deze (door de bijzondere curator opgeworpen) kwestie tussen partijen in hoger beroep géén onderwerp van geschil was en het hof dan ook niet zijn taak als appelrechter heeft miskend door niet meer te beoordelen of sprake was van één van de uitzonderingen van art. 1:204 lid 1 sub Pro e (oud) BW.
“tenzij de rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat”) zich voordeed. Daarbij moet echter worden bedacht dat de beslissende vraag in deze zaak
nietis of [verweerder] [A] na 4 maart 2013 rechtsgeldig kon erkennen. In de onderhavige zaak is beslissend of de vrouw misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt door (vóór of) op 21 maart 2012 aan [verzoeker 2] toestemming voor de erkenning van [A] te geven met slechts het oogmerk de belangen van [verweerder] te schaden. Die laatste vraag moet worden beantwoord naar het recht dat ten tijde van de verlening van die toestemming gold. Toen de litigieuze toestemming werd verleend, was art. 1:204 lid 1 sub Pro e (oud) BW (nog) van kracht; die bepaling is weliswaar per 1 april 2014 ingetrokken, maar daarmee behoefde de vrouw (vóór of) op 21 maart 2012 nog geen rekening te houden, temeer niet nu het desbetreffende wetsvoorstel ten tijde van de verlening van de litigieuze toestemming nog moest worden ingediend [11] . Onder het ten tijde van de verlening van de toestemming geldende wetsregime gold als uitgangspunt dat [verweerder] [A]
niet(rechtsgeldig) kon erkennen, tenzij zich één van beide, door de rechtbank vast te stellen uitzonderingen voordeed. Noch de rechtbank, noch het hof heeft vastgesteld dat één van beide uitzonderingen daadwerkelijk van toepassing was. Bij die stand van zaken kan niet (althans niet zonder meer) worden aangenomen dat, beoordeeld naar het het moment waarop de vrouw de litigieuze toestemming gaf, zij erop bedacht had moeten zijn dat [verweerder] door de verlening van die toestemming in zijn belang bij erkenning van [A] werd geschaad.
beoordeeld naar het moment waarop de litigieuze toestemming werd gegeven, [A] überhaupt (rechtsgeldig) kon erkennen en of (naar ook de vrouw had moeten voorzien) [verweerder] deswege in zijn belangen zou worden geschaad, als de vrouw haar toestemming niet aan hem, maar aan [verzoeker 2] zou verlenen. Dat [verweerder] ten tijde van de verlening van de litigieuze toestemming nog was gehuwd, was in eerste aanleg uitdrukkelijk aan de orde en bleek uit de stukken. Voorts had de vrouw in eerste aanleg stellingen betrokken (te weten dat
“noch sprake (is) van een nauwe persoonlijke betrekking in de zin der wet (artikel 1:337 a BW [12] ) noch van ‘family life’ in de zin van artikel 8 Europees Pro verdrag voor de Rechten van de mens (EVRM) tussen ( [verweerder] ) en [A] ”en dat zij en [verweerder]
“nimmer hebben samengewoond, noch is hun relatie, gelet op de aard (puur seksueel) en duur (enkele weken), geheel op een lijn te stellen met een huwelijk”; verweerschrift onder 20 en 21), welke stellingen de vrouw in hoger beroep heeft gehandhaafd (zie het appelrekest onder 18) en die, zo zij waar zouden zijn, de uitzonderingen van art. 1:204 lid 1 sub Pro e (oud) BW beide zouden uitsluiten. Bij die stand van zaken kon het hof, mede gelet op zijn uit art. 25 Rv Pro voortvloeiende verplichting om binnen het door de grieven ontsloten gebied de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen, niet ervan uitgaan dat [verweerder] in zijn belang bij erkenning van [A] kon zijn geschaad,
zonderte hebben vastgesteld dat één van beide uitzonderingen van art. 1:204 lid 1 sub Pro e (oud) BW zich voordeed. Nog daargelaten dat art. 1:204 lid 1 sub Pro e (oud) BW uitdrukkelijk een rechterlijke vaststelling van de daarin bedoelde uitzonderingen verlangt, stond het bovendien niet ter vrije beschikking aan partijen maar is het een kwestie van openbare orde of [verweerder] [A] al dan niet (rechtsgeldig) kon erkennen en of [verweerder] deswege in zijn belangen kon zijn geschaad. In dat verband lag het overigens op de weg van [verweerder] om aannemelijk te maken dat één van beide uitzonderingen van art. 1:204 lid 1 sub Pro e (oud) BW zich voordeed, en niet op de weg van de vrouw en [verzoeker 2] om het tegendeel aan te tonen.
Kamerstukken II1996/97, 24 649, nr. 6, blz. 40, is dit als volgt toegelicht:
“Uit de parlementaire geschiedenis moet echter worden afgeleid dat de wetgever het mogelijk heeft geacht dat de verwekker, in een situatie waarin hij vervangende toestemming tot de erkenning heeft kunnen vragen maar zulks heeft nagelaten, met een beroep op misbruik van de bevoegdheid de - met toestemming van de vrouw gedane - erkenning van het kind aantast indien door de vrouw toestemming tot erkenning aan een niet-verwekker is gegeven slechts met het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden.”). Voorts leid ik dat af uit het feit dat het hof zich in rov. 4.8 (p. 5, eerste volzin:
“(…) is het hof - met de rechtbank - van oordeel”) heeft aangesloten bij het oordeel van de rechtbank, die in rov. 2.7 van de beschikking van 2 oktober 2013 expliciet heeft aangegeven de strikte maatstaf toe te passen (
“Gelet op de overgelegde stukken en de verklaringen van de moeder ter zitting zal de rechtbank op basis van de strikte maatstaven onderzoeken of de erkenning kan worden aangetast op grond van misbruik van bevoegdheid door de moeder bij het verlenen van haar toestemming aan die erkenning en dat de moeder haar toestemming heeft gegeven met slechts het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden.”).
“(v)oor zover een beslissing over de toepasselijkheid van de uitzonderingen van art. 1:204 lid 1 sub e BW Pro (oud) in het oordeel van het hof besloten zou liggen”.
klacht 3zich tegen de volgende passages in rov. 4.8:
slechtswerd gegeven met het oogmerk de belangen van [verweerder] te schaden.
van belang isof de vrouw, reeds voordat zij aan [verzoeker 2] toestemming gaf om [A] te erkennen, op de hoogte was van de (eventuele) wensen tot erkenning van [A] door [verweerder] en zo ja, of zij met die wetenschap in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan [verzoeker 2] heeft kunnen komen, heeft het hof in het vervolg van die rechtsoverweging (niet slechts
van belang, maar) kennelijk
beslissendgeacht dat
“de vrouw (…) voldoende op de hoogte was van het feit dat [verweerder] zich als de biologische vader van [A] beschouwde en de wens tot erkenning van zijn vaderschap had.” “Daarmee”, zo vervolgt het hof in rov. 4.8,
“heeft zij zowel het belang van [A] als dat van [verweerder] geschaad en misbruik van haar bevoegdheid gemaakt door aan [verzoeker 2] toestemming tot erkenning van [A] te geven, met het oogmerk de belangen van (…) [verweerder] te schaden. Het hof is derhalve van oordeel dat de erkenning van [A] dient te worden vernietigd (…).”Nog daargelaten of uit de enkele omstandigheid dat de vrouw wist dat [verweerder] [A] wenste te erkennen, ook voortvloeit dat zij met de door haar aan [verzoeker 2] verleende toestemming het
oogmerk(de intentie) had de belangen van [verweerder] te schaden (in plaats van een benadeling van [verweerder] op de koop toe te nemen), valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, in elk geval niet uit de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden af te leiden dat de intentie van de vrouw met de door haar aan [verzoeker 2] verleende toestemming
uitsluitend(
“slechts”) op het schaden van de belangen van [verweerder] was gericht. De eis dat de moeder toestemming tot erkenning door de niet-verwekker heeft gegeven met
slechtshet oogmerk de belangen van de verwekker te schaden, is een hoge eis waaraan in de praktijk slechts moeilijk zal kunnen worden voldaan. In zijn NJ-noot bij de beschikking van de Hoge Raad van 12 november 2004 (NJ 2005/248) schreef annotator J. de Boer daarover:
private and family life-belang waarvan niet zonder meer kan worden gezegd - tenzij het conflicteert met een duidelijk belang van het kind - dat dit niet rechtens te respecteren is. De nadruk moet in de toepasselijke (eerste) maatstaf worden gelegd op het woordje ‘slechts’/‘geen ander doel’, aangezien het (‘voorwaardelijk’) oogmerk om de belangen van de verwekker te schaden vaak wel
medeaanwezig zal zijn. Zo ook in casu waarin de erkenning door de andere man plaatsvond slechts twee weken na een gesprek tussen de moeder en de advocaat van de verwekker.”
Rózański tegen Polen), ECLI:NL:XX:2006:AY1277, RvdW 2006/725, EHRC 2006/84. Die zaak had betrekking op de Poolse wetgeving, volgens welke de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben om een verzoek, strekkende tot vaststelling van vaderschap, toe of af te wijzen. In het gegeven geval was het verzoek afgewezen op de enkele grond dat de nieuwe partner van de moeder het kind inmiddels had erkend. Volgens het EHRM is het feit dat de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben als een andere man het kind heeft erkend, op zich niet aan kritiek onderhevig, omdat dit in het belang van het kind is. Niettemin achtte het EHRM de toepassing van die bevoegdheid in het gegeven geval met art. 8 EVRM Pro in strijd vanwege 1) de afwezigheid van een direct toegankelijke procedure voor klager om zijn vaderschap vast te stellen, 2) de afwezigheid van wettelijke richtlijnen hoe de discretionaire bevoegdheid moet worden uitgeoefend en 3) de mechanische manier waarop de discretionaire bevoegdheid werd toegepast. Naar mijn mening staat deze uitspraak niet zonder meer aan toepassing van de strikte maatstaf in de weg, al was het maar omdat die maatstaf vooronderstelt dat de verwekker tijdig vervangende toestemming had kunnen vragen, maar zulks heeft nagelaten.
“de toen reeds geruime tijd bestaande gezinssituatie te bevestigen”en
“de belangen van [A] te behartigen”, het hof niet kon concluderen dat de moeder misbruik maakte van haar bevoegdheid door [verzoeker 2] toestemming te geven om [A] te erkennen. Volgens de klacht heeft het hof ten onrechte ook geen rekening gehouden met het feit dat [verzoeker 2] in de procedure als belanghebbende is opgetreden en zich daarbij - zakelijk weergegeven - op
family lifemet [A] heeft beroepen (cassatierekest onder 44), evenmin als met de navolgende omstandigheden, die ondersteunen dat de vrouw andere beweegredenen dan het oogmerk de belangen van [verweerder] te schaden heeft (althans kon hebben) gehad:
slechtshet oogmerk had de belangen van [verweerder] te schaden. Een nadere motivering van het bestreden oordeel was temeer geboden in het licht van de hiervóór (onder 2.16) genoemde omstandigheden onder (ii)-(iv) [16] , die het hof in rov. 4.5 (en deels in rov. 2.1) eveneens heeft gereleveerd en die aannemelijk maken dat de vrouw met de litigieuze toestemming (althans mede) de door haar gestelde, legitieme oogmerken heeft (althans kan hebben) gehad. Ik acht de klacht in zoverre gegrond. Dat [verzoeker 2] als belanghebbende in de procedure is opgetreden en zich op
family lifemet [A] heeft beroepen (het cassatierekest vermeldt, wat dit laatste betreft, overigens geen vindplaatsen), kan bij toepassing van het strikte criterium mijns inziens echter niet doorslaggevend zijn; het belang van [verzoeker 2] staat mijns inziens niet eraan in de weg te oordelen dat de vrouw haar bevoegdheid tot het verlenen van toestemming heeft misbruikt, indien zij haar toestemming slechts heeft verleend met het oogmerk de belangen van [verweerder] te schaden.
“onevenredigheid tussen de belangen van de verwekker bij erkenning en de daartegenover staande belangen van de moeder - telkens in verband met de belangen van het kind -”. Het hof heeft, althans bij de beoordeling van de door de vrouw verleende toestemming in rov. 4.8 [17] , de belangen van [verweerder] en de vrouw, telkens in verband met de belangen van het kind, niet kenbaar tegen elkaar afgewogen, laat staan daarbij de in de rov. 2.1 en 4.5 bedoelde stellingen en omstandigheden betrokken. Ook als wordt uitgegaan van de minder strikte maatstaf, zou de klacht daarom doel treffen.
family lifemet [A] . Onder die omstandigheden kon het hof niet oordelen over de vernietiging van de erkenning door [verzoeker 2] zonder de belangen van [verzoeker 2] bij de beoordeling van die vernietiging een rol te laten spelen. Het hof had de belangen van [verzoeker 2] bij zijn erkenning van [A] bij de oordeelsvorming over de vernietiging moeten betrekken, aldus de klacht.
toestemmingslechts is gegeven met het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden; is dat het geval, dan is aantasting van de erkenning een rechtstreeks en noodzakelijk sequeel van misbruik door de moeder van haar bevoegdheid tot het verlenen van toestemming. Bij deze toets spelen de belangen van de niet-verwekker (die toestemming van de moeder tot erkenning heeft gekregen) geen rol. Anders dan de klacht verdedigt, kon het hof derhalve oordelen over de vernietiging van de erkenning van [A] door [verzoeker 2] , zonder hierbij de belangen van [verzoeker 2] te betrekken [18] .