Conclusie
1.Feitenen procesverloop
De aanmerkelijk belang claim
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Irichten zich tegen rov. 41. De
subonderdelen Ia, Ib en Ic, die samenhangen, richten zich in het bijzonder tegen de alinea’s 1 en 2 van rov. 41, die ik hieronder nogmaals weergeef:
subonderdeel Ibter vaststelling van de betekenis van de bewuste passage uit de overeenkomst een onjuiste maatstaf aangelegd en is het dus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, nu het heeft miskend dat zich geen situatie voordeed waarin een puur tekstuele uitleg diende te worden gehanteerd, althans geen situatie voorlag waarin uitleg diende plaats te vinden aan de hand van wat wel wordt aangeduid als de CAO-norm of objectieve Haviltex-norm, en het hof bij zijn uitleg van de contractsbepaling, althans de bewuste passage uit de overeenkomst, acht had moeten slaan op alle omstandigheden van het geval, óók indien wel een objectieve uitlegmethode geïndiceerd was.
“claim voor rekening van de man zou komen”, getuige reeds het andersluidende oordeel van de rechtbank, die aan dezelfde tekst een tegenovergestelde betekenis toekende. Het oordeel van de rechtbank lag meer voor de hand, nu de man (naar de toenmalige verwachtingen over de onderneming en de daaraan gekoppelde waarde van de aandelen) op termijn een AB-claim kon verwachten en dus op termijn een vordering van de fiscus zou moeten voldoen. De rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat, nu de afspraak is gemaakt met het oog op de verdeling, met de woorden
“voor rekening van de man”niets anders kan zijn bedoeld dan dat de door de man op termijn te betalen, door partijen op € 650.000,- [2] gefixeerde, belastingschuld van zijn zijde in de verdeling moest worden betrokken, nu immers de man een fiscale claim ter zake van de door de vrouw aan hem overgedragen certificaten tegemoet zou kunnen zien, en de vrouw, die op grond van de doorschuifregeling gevrijwaard zou blijven van die belastingclaim, voor die certificaten een vergoeding heeft ontvangen.
“een eventuele AB-claim komt voor rekening van [de man] ”, voegt bovendien niets toe aan wat al rechtens heeft te gelden ingevolge de doorschuifregeling en zou met andere woorden een loze toevoeging zijn, als die juist zou duiden op een netto-waarde van de certificaten, waarin de belastingclaim al is verdisconteerd, en dus niet op de afspraak om, tegenover de verplichting om die belasting te betalen, de door partijen bepaalde waarde van de claim als één van de passiva aan de zijde van de man in de verdeling te betrekken. Ook in dit licht is het oordeel van het hof zonder nadere motivering niet voldoende begrijpelijk, aldus het subonderdeel.
“(t)erzijde”nog een aantal opmerkingen gemaakt (
“Terzijde merkt het hof op (…)”), maar deze opmerkingen lijken niet bedoeld om mede dragend te zijn voor de door het hof aan de litigieuze bepaling gegeven - taalkundige - uitleg. Die uitleg houdt in dat de man het risico dat er sprake zou kunnen zijn van een AB-claim op zich heeft genomen en dat het al dan niet bestaan van zo’n claim daarom geen invloed meer kan hebben op de waarde die in het kader van de afwikkeling tussen partijen aan de door de vrouw aan de man over te dragen aandelen moet worden toegekend. De opmerkingen in de derde alinea van rov. 41 (wat daarvan overigens zij) strekken kennelijk ten betoge dat (naar ook de man zich moet hebben gerealiseerd) het risico dat een AB-claim zou volgen heel gering was en dat er uiteindelijk geen sprake zou zijn geweest van een AB-claim naar aanleiding van de overdracht van de aandelen op 1 april 2010.
“partijen haaks op elkaar staande bedoelingen en verwachtingen op deze tekst baseren en geen van beider interpretaties aanstonds volstrekt onaannemelijk is”, maakt niet dat het Haviltex-criterium in dit geval toepassing mist. Ook - of zelfs: juist - in zo’n geval (dat overigens bepaald niet uitzonderlijk is) dient de rechter aan de hand van het Haviltex-criterium te bepalen welke uitleg hij het meest aannemelijk acht [5] .
“naar haar aard bestemd is de rechtspositie van derden te beïnvloeden, zonder dat die derden invloed hebben op de inhoud of de formulering van die overeenkomst/regeling, terwijl de onderliggende partijbedoeling voor die derden niet kenbaar is” [6] . In die gevallen zijn, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad,
“de bewoordingen van de desbetreffende bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst in beginsel van doorslaggevende betekenis” [7] .
niethet resultaat is van een onderzoek naar de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
“(e)en eventuele AB claim (…) voor rekening van [de man](de man; LK)
(komt)”,
“moet volgen dat de man het risico dat er sprake zou kunnen zijn van een AB-claim op zich heeft genomen”en dat daaruit vervolgens weer volgt
“dat het al dan niet bestaan van zo’n claim geen invloed meer zou kunnen hebben op de afgesproken prijs voor de certificaten (…).”
alsofde man de aandelen tegen de lagere, destijds voor de vrouw geldende verkrijgingsprijs heeft verkregen. Dat de doorschuifregeling werkt ten nadele van de man (welk nadeel zich bij een toekomstige vervreemding realiseert), is (anders dan het hof kennelijk heeft aangenomen) méér dan een door de man genomen
“risico”; het is een zekerheid, die de waarde die de aan de man overgedragen aandelen voor hem vertegenwoordigen, aanstonds in negatieve zin beïnvloedt.
“risico (…) van een AB-claim”en van het
“al dan niet bestaan van zo’n claim”heeft gesproken. Kennelijk heeft het hof in rov. 41 de mogelijkheid dat niet aan de voorwaarden voor toepassing van de doorschuifregeling zou zijn voldaan, met het zich voordoen van een AB-claim vereenzelvigd (zie ook de passage
“daaruit volgde dat het risico dat er naar aanleiding van de overdracht door de vrouw aan de man van de aandelen in het kader van de verdeling/verrekening een AB-claim zou volgen vrijwel nihil was, gelet op het feit dat partijen op 23 maart 2010 ook afspraken dat de echtscheiding zo spoedig mogelijk zou worden ingeschreven (…), waarmee ruimschoots binnen de twee jaren werd gebleven die de belastingdienst als eis stelde.”). Die vereenzelviging acht ik onjuist. Zoals gezegd is een AB-claim met toepassing van de doorschuifregeling niet van de baan, maar blijft zij (latent) op de aandelen drukken om zich in een later stadium alsnog te realiseren. Overigens lijkt het hof zich dit wel te hebben gerealiseerd, omdat het aan het slot van rov. 41 heeft overwogen dat de omstandigheid
“(d)at de man, zoals hij stelt, te zijner tijd de aldus doorgeschoven belasting zelf zal moeten betalen, (…) in het kader van de afwikkeling tussen partijen niet ter zake (doet).”
nietaan de voorwaarden voor toepassing van de doorschuifregeling zou zijn voldaan - niet alleen door de man zou worden voldaan, maar vervolgens ook buiten de verrekening tussen partijen zou blijven. Partijen beoogden immers juist
wéltoepassing van de doorschuifregeling, waaraan inherent was dat de AB-claim zou doorschuiven naar de man, (latent) op de door de vrouw aan de man overgedragen aandelen zou blijven drukken en daarmee (ook al voordat die claim zich bij verdere vervreemding van de aandelen ten laste van de man zou realiseren) de waarde van die aandelen voor de man in negatieve zin zou beïnvloeden. Waarom dit één en ander, zoals het hof blijkens het slot van rov. 41 heeft geoordeeld, in het kader van de afwikkeling tussen partijen niet ter zake zou doen, behoeft minst genomen nadere motivering.
subonderdelen Id-Ifzijn gericht tegen rov. 41, derde alinea. De essentie van de in die alinea gemaakte opmerkingen is dat de kans dat een AB-claim zou volgen, vrijwel nihil was.
“(t)erzijde”zijn de opmerkingen in die alinea niet bedoeld mede dragend te zijn voor ’s hofs oordeel over het litigieuze beding, laat staan dat die opmerkingen dat oordeel
zelfstandigkunnen dragen. De subonderdelen Id-If behoeven daarom geen behandeling. Ten eerste is de voor toepasselijkheid van de subonderdelen gestelde voorwaarde niet vervuld en ten tweede, ook los hiervan, heeft de man geen belang bij de klachten, omdat de bedoelde opmerkingen niet mede dragend zijn voor ’s hofs oordeel.
ubonderdeel Idrichten zich tegen de volgende passage in rov. 41:
“Dat de man, zoals hij stelt, te zijner tijd de aldus doorgeschoven belasting zelf zal moeten betalen, doet in het kader van de afwikkeling tussen partijen niet ter zake”.
“te zijner tijd”) alsnog met een belastingclaim te maken krijgt, niet ter zake doet. Dat geldt temeer nu sprake was van een naar de man doorgeschoven AB-claim die vanaf de overdracht op de aan de man overgedragen aandelen drukte, zich bij verdere vervreemding van de aandelen ten laste van de man zou realiseren en daarom de waarde die de aan de man overgedragen aandelen voor hem vertegenwoordigden, aanstonds negatief beïnvloedde.
“de man er bij het totstandkomen van de overeenkomst van 23 maart 2010 van moet zijn uitgegaan dat de waarde waartegen de certificaten werden overgedragen de netto-waarde tussen partijen was”. Deze overweging is, aldus het subonderdeel, in het licht van het voorgaande niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd. Het subonderdeel betoogt dat de conclusie dat de man ervan moet zijn uitgegaan dat de certificaten tegen de netto-waarde tussen partijen werden overgedragen niet zonder meer volgt uit hetgeen het hof heeft overwogen, en bovendien tegenstrijdig is met de rov. 34, 35 en 36, waarin het hof van een werkelijke (reële) waarde van de certificaten van de aandelen van € 2.600.000,- is uitgegaan. Het is, aldus het subonderdeel, van tweeën één: of het bedrag van € 2.600.000,- vertegenwoordigt de waarde van de aandelen per 1 april 2010, in welk geval de AB-claim nog (zoals de rechtbank heeft gedaan) in de verdeling moet worden betrokken, of de aandelen zijn overgedragen tegen een netto-waarde waarin de latente belastingclaim reeds is verwerkt, maar dan kan niet van voormelde waarde van € 2.600.000,- worden uitgegaan.
“de netto-waarde tussen partijen was”, in die zin, dat de kans dat die waarde negatief door een eventuele AB-claim zou worden beïnvloed, was te verwaarlozen. Aldus begrepen, is de bestreden passage, op zichzelf bezien, niet onbegrijpelijk. Zij volgt logisch uit de voorgaande overwegingen. Ook is de bestreden overweging niet in strijd met de rov. 34-36. Het hof is (wat daarvan overigens zij) immers ervan uitgegaan dat de in rov. 41 bedoelde
“netto-waarde tussen partijen”en de in de rov. 34-36 genoemde waarde (hoogswaarschijnlijk) zullen overeenkomen. Aldus beschouwd falen de klachten.
subonderdeel Ifis onjuist, althans onbegrijpelijk, de passage in rov. 41 dat
“alleszins aannemelijk (is) dat er uiteindelijk van een AB-claim naar aanleiding van de overdracht door de vrouw aan de man van de aandelen op 1 april 2010 geen sprake is geweest”.
“het al dan niet bestaan van zo’n claim geen invloed meer zou kunnen hebben op de afgesproken prijs voor de certificaten”, nu het hof de omstandigheid dat geen claim zou zijn opgelegd, desalniettemin alsnog heeft meegewogen bij de beoordeling of de AB-claim in de overeengekomen prijs was inbegrepen.
(“Terzijde”) erop gewezen dat - naar zijn oordeel - het risico dat er een AB-claim zou volgen vrijwel nihil was en dat ook alleszins aannemelijk is dat uiteindelijk van een AB-claim geen sprake is geweest. Noch het een, noch het ander draagt aan de bestreden uitleg bij, of het zou moeten zijn dat het hof heeft bedoeld dat de man, juist omdat ook hij geen AB-claim zou hebben verwacht, het risico van een dergelijke claim heeft willen accepteren. Zou het hof op dit laatste het oog hebben gehad, dan zou de rechtsklacht van het subonderdeel overigens falen. Bij de uitleg van een clausule waarin een partij iets voor haar risico heeft genomen, kan de rechter immers wel degelijk betekenis toekennen aan de inschatting die de betrokken partij van dat risico moet hebben gemaakt. Dat neemt intussen niet weg dat het hof het bedoelde risico kennelijk (en onbegrijpelijk) beperkt heeft geacht tot de kans dat niet aan de voorwaarden voor de doorschuifregeling zou zijn voldaan en daarom terstond een AB-claim zou worden geldend gemaakt, terwijl ook (en juist) in geval van (de kennelijk door partijen beoogde) toepassing van de doorschuifregeling de AB-claim (zij het latent) op de aan de man overgedragen aandelen zou blijven drukken.
onderdeel IIrichten zich tegen de rov. 34-36.
Subonderdeel IIaricht zich tegen de navolgende passage in rov. 34:
“Voor het overige stelt het hof vast dat de rechtbank ook hier niet zelf de waarde van (de certificaten van) de aandelen in FazandtGroep B.V. heeft vastgesteld, maar daarin de stellingen van partijen heeft gevolgd in die zin dat de laagste door een partij gehanteerde waarde is aangenomen.”
nietis voorbijgegaan vanwege de late overlegging daarvan), op een
lagerewaarde heeft beroepen, namelijk ten hoogste € 1.830.161,-, zoals vermeld in het rapport van [A] .
“Na raadpleging van diverse deskundigen is de Ondernemingskamer akkoord gegaan met een waarde van de certificaten van de aandelen van de FazandtGroep van EUR 2.600.000,-. De rechtbank gaat uit van deze waarde.”Het subonderdeel tekent daarbij aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen (hetgeen wellicht ook het oordeel van het hof heeft gestuurd), de Ondernemingskamer in haar beschikking van 1 april 2001 noch in enige andere beschikking heeft overwogen met een waardering op € 2.600.000,- akkoord te gaan. De Ondernemingskamer heeft, aldus het subonderdeel, ook geen opdracht gegeven aan een deskundige tot vaststelling van de waarde van de certificaten.
niethebben gewaardeerd. Ik verwijs in dit verband naar rov. 22 van de bestreden beschikking, waarin het hof zulks heeft onderkend, maar tevens heeft overwogen dat de door de rechtbank gehanteerde bedragen met de stellingen van partijen overeenkomen en dat de man met zijn grief I die waarden op zichzelf niet heeft betwist. Dat laatste geldt echter niet voor de waardering van (de certificaten van) de aandelen in de FazendtGroep op € 2.600.000,-. In rov. 31 heeft het hof met betrekking tot grief IV vastgesteld dat
“(i)n deze grief (…) de man de waardering van (de certificaten van) de aandelen van de FazandtGroep B.V. op € 2.600.000,- ter discussie (stelt).”
“Productie 112: Een accountantsrapport waaruit blijkt dat de aandelen FazandtGroep in maart 2010 voor een veel te hoge waarde in de verrekening zijn betrokken”. Weliswaar wordt in die brief niet geëxpliciteerd dat, in plaats van die
“veel te hoge waarde”van € 2.600.000,-, van de in dat rapport vermelde waarde van € 1.830.161,- dient te worden uitgegaan, maar ook zonder dat kan in het licht van die brief onmogelijk worden aangenomen dat het bedrag van € 2.600.000,- de laagste door een partij ten overstaan van de rechtbank gehanteerde waarde is.
Ook stelt het hof vast dat de man ook reeds in een stadium waarin hij zeer wel moet hebben geweten dat de waarde van € 2.600.000,- mogelijk niet juist zou zijn deze waarde in rechte is blijven hanteren”. Het subonderdeel betoogt dat, voor zover het hof met die overweging tot uitdrukking heeft gebracht dat de man gedurende de gehele procedure in eerste aanleg heeft vastgehouden aan een waardering op € 2.600.000,- terwijl hij moest hebben geweten dat die waarde mogelijk niet juist was, dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet voldoende begrijpelijk is, nu de man niet alleen aanvankelijk heeft aangestuurd op een taxatie van de certificaten, maar bovendien in een later stadium van de procedure in eerste aanleg, toen hij de onjuistheid van de waardering van de certificaten op € 2.600.000,- vermoedde, onder verwijzing naar een op 5 november 2012 bij brief in het geding gebracht rapport van [A] , nadrukkelijk is uitgegaan van een waarde van € 1.830.161,- per 1 april 2010.
“(v)oor zover de man verwijst naar waarderingen van na die datum (…) die hem niet (kunnen) baten, omdat die niet relevant zijn voor de waardebepaling per 1 april 2010”. Voor zover het hof hierbij tevens het oog heeft op het rapport van [A] , is dit oordeel volgens het subonderdeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet genoegzaam gemotiveerd, nu dit rapport nadrukkelijk een waardering biedt per 1 april 2010.
“(o)p het hier overwogene (…) ook (…) het subsidiaire verzoek van de man bij grief I (afstuit) om de waarde van de aandelen vast te stellen conform het rapport van [A] van 10 september 2012.”Als het hof met het
“hier overwogene”slechts het gestelde in rov. 36 heeft bedoeld, zou de klacht feitelijke grondslag missen, omdat rov. 36, anders dan rov. 35, géén betrekking heeft op waarderingen tegen een andere (latere) peildatum dan 1 april 2010, maar slechts op de (volgens het hof) niet beslissende betekenis van nieuwe en afwijkende waarderingen
tegen de peildatum 1 april 2010. Als het hof echter heeft bedoeld dat het beroep van de man op het rapport van [A] zowel om de in rov. 35 bedoelde reden (latere peildatum) als om de in rov. 36 bedoelde reden (het niet beslissend zijn van afwijkende waarderingen tegen de juiste peildatum) faalt, zou de klacht gegrond zijn. Zij zou echter slechts tot cassatie kunnen leiden, als ook subonderdeel IIf gegrond zal worden bevonden. Dat subonderdeel komt op tegen rov. 36, ook voorzover die rechtsoverweging een zelfstandig dragende grond voor het niet in aanmerking nemen van het rapport van [A] omvat.
subonderdelen IId-IIfrichten zich tegen rov. 36. Deze subonderdelen hangen samen en zullen gezamenlijk worden besproken.
“zeer overtuigende aanwijzingen voor de onjuistheid van de stellingname”(over de waardering op € 2.600.000,-) heeft geëist, althans een te streng criterium heeft gehanteerd voor de beoordeling of
“aanleiding bestaat voor een dergelijke nieuwe taxatie”, in ogenschouw genomen ook dat in het geding zelf niet reeds een deskundigenonderzoek c.q. taxatie was gelast.
“slechts bij zeer overtuigende aanwijzingen voor de onjuistheid van die stellingname aanleiding bestaat voor een dergelijke nieuwe taxatie”, nu (volgens het hof) de man beargumenteerd en langdurig een waardering op € 2.600.000,- heeft voorgestaan. Het hof is aldus van een te vergaande stelplicht voor de man uitgegaan, aldus het subonderdeel.
“dergelijke aanwijzingen”niet aanwezig acht, niet voldoende gemotiveerd. Het hof heeft daarvoor verwezen naar
“hetgeen hierboven is overwogen”, maar niet duidelijk is op welke overwegingen het hof hierbij heeft gedoeld. In elk geval bevatten de voorgaande rov. 31-36 geen duidelijke aanknopingspunten voor de conclusie dat, zoals het hof heeft overwogen, geen overtuigende aanwijzingen bestaan voor de onjuistheid van de waardering die de man in eerste aanleg had bepleit. Het tegendeel is het geval: in rov. 34 heeft het hof de man tegengeworpen dat hij nog ter comparitie van 30 augustus 2011 bij een waarde van € 2.600.000,- volhardde, zulks terwijl hem (volgens zijn eigen stellingen bij zijn verweerschrift in incidenteel appel) reeds medio 2010 van een onder de directie van de vrouw in 2008/2009 geleden verlies van circa € 800.000,- zou zijn gebleken. Het behoefde ten minste nadere toelichting waarom het hof enerzijds van oordeel was dat de bedoelde omstandigheid de man aanleiding had moeten geven van zijn aanvankelijke waardering terug te komen, maar anderzijds kennelijk van oordeel was dat de bedoelde omstandigheid niet een zeer overtuigende aanwijzing voor de onjuistheid van de stellingname van de man vormde.
“geenszins gezegd is dat een nieuwe waardering significant anders zou uitvallen dan de thans gehanteerde waarde”, kan het oordeel dat er geen aanleiding is voor een nieuwe en door (een) deskundige(n) te verrichten taxatie onmogelijk mede dragen. Dat laatste geldt ook voor zover in de bestreden passage in rov. 36 ligt besloten dat dermate veel verschillende waarderingsmethoden bestaan die zowel tot hogere als lagere uitkomsten dan de gehanteerde waarde kunnen leiden, dat ook een afwijkende uitkomst van een eventuele nieuwe taxatie niet zonder meer beslissend zou zijn (en daarom ook het rapport van [A] niet kan worden gevolgd). Dat veel verschillende waarderingsmethoden bestaan, ontslaat de rechter niet van zijn taak de waarde van de aandelen te bepalen aan de hand van de methode die het meeste recht doet aan de bijzonderheden van het gegeven geval. Dat de in casu door rechtbank en hof gehanteerde waarde in dat opzicht bij voorbaat boven de door een deskundige vast te stellen waarde zou prevaleren, kan niet worden aangenomen, al was het maar omdat volstrekt onduidelijk is aan de hand van welke methode de thans gehanteerde waarde (zo die al - mede - door een deskundige is bepaald) is vastgesteld.
“Conclusie inzake aanvulling Grieven Op grond van nieuwe feiten en omstandigheden alsmede wijziging c.q. aanvulling van Eis”heeft ingediend. Bij dat processtuk heeft de man een drietal nieuwe grieven (genummerd V, VI en VII) voorgesteld, van welke grieven grief VII op art. 11 lid 5 van Pro de gewijzigde huwelijkse voorwaarden betrekking had. Die grief luidde:
“te bepalen dat artikel 11 sub Pro 5 van de huwelijksvoorwaarden dient te worden gevolgd”.
“de in beginsel strakke regel”nieuwe grieven en nieuwe feiten in het beroepschrift naar voren moeten worden gebracht en dat de in de rechtspraak ontwikkelde uitzonderingen op deze regel zich in het onderhavige geval niet voordoen (rov. 13). De man heeft in cassatie niet over deze rechtsoverwegingen geklaagd.
“de in beginsel strakke regel”, óók met betrekking tot de nieuwe grief VII over het passeren van art. 11 lid 5 van Pro de huwelijkse voorwaarden, heeft geoordeeld. In de rov. 12-14 heeft het hof reeds geoordeeld dat en waarom de kwestie van art. 11 lid 5 van Pro de huwelijkse voorwaarden (door de man uitdrukkelijk gepresenteerd als nieuwe grief) niet meer aan de orde kan worden gesteld en dat en waarom het verzoek te bepalen dat art. 11 lid 5 moet Pro worden gevolgd, niet toewijsbaar is.
“de in beginsel strakke regel”toegepast. Dat, zoals het hof in rov. 16 heeft geoordeeld, het (honoreren van het) verzoek de waardebepaling alsnog conform de regeling van art. 11 lid 5 te Pro doen plaatsvinden, met een goede procesorde in strijd zou zijn, is daarmee niet in strijd, nu
“de in beginsel strakke regel”op de eisen van een goede procesorde berust [16] . Dat, zoals het hof in rov. 16 voorts heeft geoordeeld, het (honoreren van het) bedoelde verzoek tot onredelijke vertraging zou leiden, is in die zin niet concludent, dat
“de in beginsel strakke regel”óók geldt als een afwijking daarvan in het gegeven geval niet tot een onredelijke vertraging zou leiden. Dat een afwijking van de regel niet tot een onredelijke vertraging leidt, is op zichzelf onvoldoende om die afwijking te rechtvaardigen; daarvoor zou, voor zover van belang, nodig zijn dat een onverkorte toepassing van de regel met de eisen van een goede procesorde in strijd zou komen [17] .
“ [de man] (…) de waardebepaling van de certificaten op EUR 2.600.000,- waaraan het hof refereert in onderling overleg met Van der Veer (heeft) bereikt.”