Conclusie
1.Feiten en procesverloop
f616.000,- (€ 279.528,61) tot zekerheid van de terugbetaling van door [eiser 3] aan [eiser 1] en [eiseres 2] geleende gelden ten bedrage van
f440.000,-(€ 199.663,30,-).
( [2] )Onder meer wordt betwist dat ten opzichte van [eiser 3] als hypotheekhouder een kennisgeving als bedoeld in artikel 3:13 Awb Pro had moeten worden gezonden. [eiser 1] , [eiseres 2] en [eiser 3] hebben de grieven bestreden.
( [3] )uit en bepaalt het door de Gemeente aan [eiser 1] en [eiseres 2] te betalen voorschot op de schadeloosstelling op een bedrag van € 310.972,50.
( [4] ), beroep in cassatie ingesteld. Tegen de Gemeente is verstek verleend. [eiser 1] c.s. heeft een schriftelijke toelichting gegeven.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [5] )aangevoerd dat het hof met het uitspreken van de vervroegde onteigening van de twee appartementsrechten heeft miskend dat de Onteigeningswet niet de mogelijkheid biedt om een appartementsrecht afzonderlijk te onteigenen. Daaraan wordt nog toegevoegd dat, indien het hof van het uitspreken van de vervroegde onteigening van de twee appartementsrechten niet heeft afgezien omdat [eiser 1] , [eiseres 2] en [eiser 3] bij de rechtbank noch bij het hof als verweer hebben aangevoerd dat een appartementsrecht niet voor afzonderlijke onteigening in aanmerking komt, het hof dan heeft miskend dat het krachtens artikel 25 Rv Pro gehouden was ambtshalve toepassing te geven aan de rechtsregel dat een appartementsrecht niet afzonderlijk te onteigenen is.
( [6] )Een afwijzing van de vordering door aanvulling van rechtsgronden (rechtsregels) kan plaatsvinden op basis van door eiser zelf gestelde feiten.
( [7] )
“(…) dat de hypotheekhouder een onvoldoende belang heeft om in de administratieve procedure, waarin de vraag aan de orde isof
er onteigend moet worden, als derde belanghebbende te kunnen worden aangemerkt.”Hiermee brengt het hof, naar het voorkomt, tot uitdrukking dat de hypotheekhouder ter zake van de administratieve procedure bij de Kroon wegens een onvoldoende belang in meer algemene zin niet als belanghebbende kan worden aangemerkt en dus ook niet als belanghebbende in de zin van artikel 3:13 Awb Pro.
( [8] )Er wordt in die afdeling mede aandacht geschonken aan het bekendmaken van het ontwerpbesluit. In artikel 3:12 lid 1 Awb Pro is voorzien in het kennis geven van het ontwerp in (a) de Staatscourant en (b) in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Ingevolge artikel 78 lid 2 Ow Pro heeft voor de onder (b) bedoelde wijze van kennisgeving zorg te dragen de burgemeester van de gemeente waarin de te onteigenen onroerende zaak is gelegen. In lid 1 van artikel 3:13 Awb Pro is bepaald:
“Indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal worden gericht, zendt het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie de aanvrager.”In lid 1 van artikel 3:13 Awb Pro gaat het niet om de belanghebbende in meer algemene zin (zoals bedoeld in artikel 1:2 Awb Pro), maar om de belanghebbende tot wie het te nemen besluit zal worden gericht, dus om een meer specifieke kring van belanghebbenden. Wie zijn tot die kring te rekenen?
“De terminologie ‘tot een of meer belanghebbenden (…) gericht (…), onder wie begrepen de aanvrager’ is ontleend aan artikel 3:41, eerste lid, Awb en heeft dezelfde betekenis als in die bepaling. Het gaat daarbij kort gezegd om degenen die als geadresseerden van het besluit kunnen worden beschouwd. Derdenbelanghebbenden, zoals bijvoorbeeld belangenorganisaties, vallen daar dus niet onder. Het artikel verplicht er dus niet toe dat aan alle belanghebbenden een afschrift van het ontwerpbesluit moet worden gezonden.”( [9] )In de Memorie van toelichting bij het ontwerp van de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb wordt in Deel II (Standaardaanpassingen) onder 8 (Toezending ontwerp aan aanvrager en geadresseerden van het besluit) onder meer het volgende opgemerkt:
“In artikel 3:13 Awb Pro is bepaald dat het ontwerpbesluit moet worden toegezonden aan de belanghebbenden tot wie het besluit zal zijn gericht, inclusief de aanvrager. (…). Voorschriften in bijzondere wetgeving die thans nog specificeren aan welke categorieën van personen deze toezending en mededeling moeten worden plaatsvinden, kunnen vervallen. Onder de belanghebbenden tot wie het besluit zal zijn gericht, moeten in elk geval worden verstaan eigenaren, rechthebbenden, gebruikers en andere persoonlijk gerechtigden van percelen waarop het betreffende besluit betrekking heeft.”( [10] )
( [11] )Op blz. 9 staat onder meer vermeld:
“Nieuw is ook het vereiste om een lijst van belanghebbenden mee te zenden met het verzoek. Op deze lijst worden namen, adressen en de hoedanigheid vermeld van de eigenaren, overige zakelijk gerechtigden, huurders, gebruikers en andere belanghebbenden bij de voorgenomen onteigening. Deze lijst moet de minister van IenM in de gelegenheid stellen op de juiste wijze toepassing te geven aan artikel 3:13 Awb Pro (persoonlijke kennisgeving van (voor)ontwerp koninklijk besluit aan belanghebbenden). (…). De lijst van belanghebbenden zal zo zorgvuldig mogelijk moeten worden samengesteld. Tot de belanghebbenden bij een onteigeningsbesluit worden volgens bestendig Kroonbeleid niet alleen diegenen gerekend die als zakelijk gerechtigden zijn vermeld in de basisregistratie kadaster (art. 3, tweede lid, Ow), maar ook de derde belanghebbenden bij een onteigeningsbesluit die worden genoemd in art. 3, tweede lid, Ow (huurders, onderhuurders, pachters enz.) als ook diegenen die om andere redenen door de voorgenomen onteigening in hun belangen kunnen worden getroffen, zoals bijvoorbeeld economische eigenaren.”Genoemd ministerie publiceert ook Notities met aandachtspunten en aanbevelingen voor het kunnen starten van de administratieve onteigeningsprocedures op grond van de titels II tot en met IIc en IV van de onteigeningswet. Deze Notities worden rondgestuurd aan onder meer gemeenten, provincies en waterschapen. In een Notitie van 14 januari 2014 wordt op blz. 4 in verband met het invullen van voorbeelddocumenten onder meer de volgende aanbeveling gegeven:
“ de vermelding van de op basis van de gegevens van het kadaster, het Handelsregister de Gemeentelijke Basis Administratie en het uit het minnelijk overleg bekende belanghebbenden in de lijst van belanghebbenden, zoals eigenaren, huurders en pachters. (….).”Op blz. 9 wordt naar aanleiding van het in de onderhavige zaak door de rechtbank uitgesproken vonnis ingegaan op de vraag of hypotheekhouders zijn aan te merken als belanghebbende in de administratieve onteigeningsprocedure. Die vraag wordt als volgt beantwoord:
“Rijkswaterstaat Corporate Dienst ziet op basis van deze uitspraak vooralsnog geen aanleiding om hypotheekhouders in de administratieve onteigeningsprocedure als belanghebbende aan te merken. In de eerste plaats worden hypotheekhouders volgens bestendig beleid van de Kroon nimmer als belanghebbende aangemerkt, omdat de hypotheekhouder niet genoemd wordt als schadevergoedingsgerechtigde ex artikel 3 en Pro 59 van de onteigeningswet, terwijl de opsomming in artikel 3 volgens Pro vaste jurisprudentie van de Hoge Raad limitatief is. Verder wordt het recht van hypotheek bij inschrijving van het onteigeningsvonnis op basis van artikel 43 van Pro de onteigeningswet van rechtswege omgezet in een stil pandrecht op het bedrag van het werkelijke waarde en de waardevermindering van het overblijvende van de desbetreffende onroerende zaak. Tot slot heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 16(lees:12)
juli 2013 gesteld dat de hypotheekhouder ingevolge artikel 43, eerste lid, van de onteigeningswet – los van de eigenaar van de te onteigenen onroerende zaak – geen zelfstandig recht heeft op schadevergoeding.”
“Door de onteigening gaat het onteigende in eigendom vrij van lasten en rechten op de onteigende over (titelzuiverende werking). Het ligt daarom enigszins in de reden om aan te nemen dat al degenen, die ten aanzien van hetgeen onteigend gaat worden rechten hebben die als gevolg van die onteigening verloren gaan, beschouwd kunnen worden als belanghebbenden tot wie het besluit tot onteigening zich richt. Tegelijkertijd kan men zich afvragen of deze uitleg tot een in de praktijk werkbare situatie zal leiden. Moet een gemeente bijvoorbeeld ten aanzien van ieder te onteigenen perceel onderzoek laten verrichten naar het bestaan van erfdienstbaarheden? Ik zou deze vraag ontkennend willen beantwoorden omdat het spoedeisende karakter van de onteigeningswet eigenlijk nauwelijks ruimte laat voor een dergelijk onderzoek.. Zekerheid hierover kan op dit moment niet gegeven worden.”In E. van der Schans/A.C.M.M. van Heesbeen, Onteigening, 2011, treft men op blz. 39 met betrekking tot de belanghebbenden in de zin van artikel 3.13 Awb de volgende passage aan:
“Aangenomen kan worden dat dit in ieder geval de rechthebbende zijn die in artikel 3 Ow Pro worden genoemd (eigenaren, rechthebbende en derden belanghebbenden). Op de onteigenaar rust de inspanningsverplichting om deze belanghebbende te traceren. Allereerst moet dat gebeuren in het kadaster, maar voor het opsporen van belanghebbenden wier rechten niet in het kadaster ingeschreven staan (bijvoorbeeld huurders en pachters) zal nader feitenonderzoek nodig zijn via controle ter plaatse, raadpleging van de Gemeentelijke Basis Administratie, of raadpleging van het Handelsregister.”In J.A.M.A Sluysmans/J.J. van der Gouw, Onteigeningsrecht, 2015, wordt op blz. 37 opgemerkt:
“Indien een besluit wordt voorbereid met toepassing van de uniforme voorbereidingsprocedure dient het ontwerp van dat besluit op grond van artikel 3:13 lid 1 Algemene Pro wet bestuursrecht (…) alleen te worden toegezonden aan de belanghebbenden ‘aan wie het besluit zal zijn gericht’. Voor het onteigenings-KB geldt dat alleen de verzoeker om aanwijzing ter onteigening als zodanig is aan te merken.”Deze laatste auteurs juichen intussen toe dat de Kroon een ruimere toepassing aan artikel 3:13 Awb Pro geeft.
“dat de hypotheekhouder een onvoldoende belang heeft om in de administratieve procedure, waarin de vraag aan de orde is of er onteigend moet worden, als derde belanghebbende te kunnen worden aangemerkt”en op die grond heeft geconcludeerd dat artikel 3.13 Awb in het onderhavige geval niet voor geschonden kan worden gehouden.
( [12] )Het apart kennisgeven van de hypotheekhouder van het ontwerpbesluit levert ook op het praktische vlak geen grote problemen op. Met behulp van de openbare registers – Kadaster en Gemeentelijke Basis Administratie – is een betrokken hypotheekhouder vrij eenvoudig op te sporen. In het onderhavige geval was door de Gemeente aan de Kroon ook opgave gedaan van het hypotheekrecht van [eiser 3] met vermelding van zijn kadastrale en gba-adres. En de Kroon heeft ook gepoogd [eiser 3] in kennis te stellen van het ter visie leggen van het ontwerpbesluit, zij het door slechts een brief te sturen naar diens kadastrale adres.