Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) Eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) en haar op 26 februari 2011 overleden ex-echtgenoot [betrokkene 1] hebben een viool, bekend staand als Stradivarius, Cremona 1727, “Ex Smith” (hierna: de viool), op 1 januari 2010 voor verkoop in consignatie gegeven op basis van een overeenkomst (hierna: de consignatie-overeenkomst), waarin als ondertekenaar staat vermeld [A] GmbH (hierna: [A]). Dit is een vennootschap naar Oostenrijks recht, waarvan de bestuurder was [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]).
- ii) In de consignatie-overeenkomst worden als eigenaar van de viool genoemd [betrokkene 1] en [eiseres] (zijnde [eiseres]). Verder wordt in de overeenkomst als ‘item’ de viool vermeld en is daarin onder meer bepaald:
- iii) Bij een op 26 maart 2010 mondeling gesloten en in april 2010 schriftelijk vastgelegde overeenkomst, waarin als verkoper [betrokkene 2] wordt vermeld en als koper Stichting Melviool – een stichting waarvan verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) enig bestuurder is en de naam is gewijzigd in Stichting Melstring –, worden twee violen verkocht voor een bedrag van in totaal € 3.900.000,-. Eén van de violen is de viool. Daarvan is de koopsom vastgesteld op € 2.200.000,-. De totale koopsom is voldaan deels door betaling door [verweerder] van een bedrag van € 1.000.000,-, deels door verrekening van een schuld van [betrokkene 2] aan [verweerder] die op een bedrag van € 2.900.000,- is gesteld. De viool wordt overgedragen. Betaling van een bedrag van US$ 2.200.000,- aan [betrokkene 1] en/of [eiseres] vindt niet plaats.
- iv) Eind 2010 is [A] in staat van faillissement verklaard. Begin 2011 bericht de curator aan [eiseres] dat de viool niet in de boedel is aangetroffen.
- v) Bij vonnis van het Landesgericht für Strafsachen Wien van 9 november 2012 is [betrokkene 2] tot een gevangenisstraf van zes jaar veroordeeld wegens onder meer verduistering van de viool.
- vi) Aan een verzoek bij brief van 17 februari 2012 tot teruggave van de viool heeft [verweerder] niet voldaan.
( [1] ). Voor het geval dat van een en ander wel sprake blijkt te zijn, voert [verweerder] aan dat [betrokkene 2] bevoegd was de viool aan hem te verkopen en te leveren
( [2] ), althans dat, indien die bevoegdheid heeft ontbroken, hij te goeder trouw [betrokkene 2] voor bevoegd heeft kunnen houden
( [3] ).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“In zoverre grieft [eiseres] dus ook tegen rov. 2.6 van het vonnis van de Rechtbank van 27 februari 2013, waarin ten onrechte is vastgesteld dat op 26 maart 2010, vastgelegd in april 2010 en geregistreerd op 29 juni 2010, de Stichting Melviool een vaststellingsovereenkomst koop violen gesloten heeft met [betrokkene 2] in privé, waarbij de viool door [betrokkene 2] aan deze stichting is verkocht.”Onderdeel 1 heeft op deze kwestie betrekking.
subonderdeel 1.1wordt verondersteld dat het hof in rov. 3.3 ook heeft geoordeeld dat de viool op 26 maart 2010 aan Stichting Melviool is verkocht. De klacht luidt dat dit oordeel onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. De klacht faalt want mist feitelijke grondslag. In rov. 3.3 overweegt het hof niet meer dan dat Stichting Melviool als koper in de koopovereenkomst wordt vermeld. Een vaststelling van het hof dat de stichting ook werkelijk de koper van de viool is geweest, valt in rov. 3.5 niet te lezen.
subonderdeel 1.2als die in
subonderdeel 1.3stoelen op een veronderstelde lezing door het hof van grief IV. Wat er ook zij van de veronderstelde lezing, beide klachten missen reeds doel wegens gemis aan belang. Grief IV heeft geen rol gespeeld bij de beoordeling door het hof van de revindicatievordering van [eiseres]. Uit het sub 126 van de memorie van grieven gestelde blijkt duidelijk dat grief IV is aangevoerd met het oog op het door [verweerder] eventueel nog te voeren verweer dat niet hij maar Stichting Melviool de koper en de eigenaar van de viool is geweest. Dat verweer heeft [verweerder] echter niet alsnog gevoerd en bij de beoordeling van de revindicatievordering van [eiseres] heeft het hof ook niet laten meewegen of dan wel dat de viool aan Stichting Melviool is verkocht en geleverd.
“Op grond van artikel 3:119 BW Pro wordt [verweerder], als huidige bezitter van de viool, vermoed rechthebbende te zijn en dient [eiseres] haar beter recht te bewijzen. Het vermoeden van artikel 3:119 BW Pro ziet in beginsel op het actuele bezit van het goed en kan door de huidige bezitter ook worden ingeroepen tegen degenen die pretendeert eerder rechthebbende/bezitter te zijn geweest. [eiseres] dient niet alleen het vermoeden dat [verweerder] eigenaar is te ontkrachten, maar dient ook bewijs te leveren van het feit dat zijzelf voorheen rechthebbende was.”Daarop laat het in de tweede alinea van rov. 4.7 volgen:
“[eiseres] heeft gesteld dat [betrokkene 3] en zij het middellijke bezit van de viool hadden op 1 januari 2010 en dat zij zich daarom tegenover [verweerder] op het vermoeden van 3:119 BW kan beroepen. Haar verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1977 (ECLI:NL:HR:1977:AB7044, NJ 1978, 212 Tenthuisje) gaat niet op, aangezien in die zaak sprake was van een niet vergelijkbare situatie, te weten onvrijwillig bezitsverlies van de voormalige bezitter door diefstal, terwijl [eiseres] en [betrokkene 3] het bezit van de viool vrijwillig hebben afgestaan door deze in consignatie te geven. Gelet met name op dit laatste feit en de overige omstandigheden van het geval ziet het hof geen aanleiding de bewijslast anders te verdelen dan uit de hiervoor genoemde hoofdregel volgt.”Een en ander voert het hof in rov. 4.8 tot de slotsom:
“[eiseres] dient in dit kader onder meer te stellen en te bewijzen dat [betrokkene 2] beschikkingsonbevoegd was op het moment dat [verweerder] de viool van hem verkreeg. Indien [betrokkene 2] immers op dat moment beschikkings-bevoegd was, is de viool geldig aan [verweerder] overgedragen in de zin van artikel 3:84 lid 1 BW Pro (…) en kan [eiseres] de viool niet revindiceren.”
subonderdeel 2.1wordt erover geklaagd dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, indien het van oordeel is dat [betrokkene 3] en [eiseres] het bezit van de viool hebben verloren door de feitelijke macht over de viool aan [betrokkene 2] te verschaffen in verband met de consignatie-overeenkomst. Die overdracht bracht, zo wordt betoogd, niet meer mee dan dat het onmiddellijke bezit van de viool overging in middellijk bezit.
subonderdeel 2.2wordt betoogd dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, indien het van oordeel is dat [eiseres] c.s. alleen in het geval van onvrijwillig verlies van de feitelijke macht over de viool een beroep op het bezitsvermoeden van artikel 3:119 kunnen Pro doen. Indien [eiseres] c.s. eerdere bezitters waren, kan dat bezit immers als basis dienen voor een beroep op het vermoeden van artikel 3:119 BW Pro voor de stelling dat [eiseres] c.s. rechthebbenden waren.
subonderdeel 2.3wordt hetgeen het hof in rov. 4.7 oordeelt als onjuist dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd aangemerkt, indien het hof daarbij tot uitgangspunt heeft aangehouden dat er ten aanzien van de viool sprake is geweest van verduistering en niet van diefstal. Ter onderbouwing van deze bewering wordt op de volgende drie omstandigheden gewezen: [A] was de contractspartij van [eiseres] c.s.; door het hof is niet vastgesteld dat deze vennootschap de viool heeft verduisterd; vaststaat dat [betrokkene 2] de viool aan [verweerder] heeft verschaft op grond van een titel waarbij [betrokkene 2] in privé partij was. Deze omstandigheden kunnen, zo wordt gesteld, de door [eiseres] verdedigde conclusie dragen dat [betrokkene 2] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de viool.
( [5] )Het komt daarom dienstig voor om eerst kort aan te geven waarin het verschil tussen het geval van diefstal en het geval van verduistering is gelegen. Bij diefstal gaat het om het wegnemen van enig goed, dat geheel of gedeeltelijk aan een ander toebehoort, met het oogmerk om het goed zich wederrechtelijk toe te eigenen (artikel 310 Sr Pro). Bij verduistering gaat het ook om het opzettelijk wederrechtelijk toe-eigenen van een goed dat geheel of gedeeltelijk aan een ander toebehoort, maar degene die toe-eigent heeft het bewuste goed al anders dan door misdrijf onder zich (artikel 321 Sr Pro). Voor het wel of niet slagen van subonderdeel 2.3 is vooral van belang of [betrokkene 2] bij de levering van de viool aan [verweerder] de viool wel of niet krachtens misdrijf onder zich had.
( [6] )Dit betekent intussen ook, dat subonderdeel 2.3 ook geen doel treft in het geval dat in onderdeel 3 met succes het oordeel van het hof wordt bestreden dat [betrokkene 2] zelf bij de consignatie-overeenkomst de contractuele wederpartij van [eiseres] en [betrokkene 3] is geweest.
subonderdeel 2.4waarbij ervan wordt uitgegaan dat aan een bezitter geen beroep op artikel 3:119 BW Pro toekomt bij afwezigheid van goede trouw of bij een beroep op afwezigheid van goede trouw, strandt op het volgende. Afwezigheid van goede trouw bij [verweerder] is door het hof niet vastgesteld. Bij de door het hof gevolgde weg, te weten dat [verweerder] de viool van een beschikkingsbevoegde heeft verkregen, hoefde het hof aan dat thema ook geen aandacht te schenken. Verder brengt, anders dan wordt betoogd, het enkele feit dat [eiseres] een beroep op afwezigheid van goede trouw bij [verweerder] heeft gedaan, niet reeds mee dat aan artikel 3:119 BW Pro geen werking meer toekomt. Daarbij is in aanmerking te nemen dat ingevolge artikel 3:118 lid 3 BW Pro goede trouw vermoed wordt bij een bezitter van een goed aanwezig te zijn en dat de afwezigheid daarvan bewezen moet worden.
subonderdeel 2.5wordt de door het hof in rov. 4.8 getrokken conclusie bestreden. Dat geschiedt op de grond dat het slagen van één of meer eerdere subonderdelen van onderdeel 2 meebrengt dat de conclusie niet langer opgeld doet. Ook dit subonderdeel kan [eiseres] niet baten. De veronderstelling dat één of meer eerdere subonderdelen van onderdeel 2 slagen gaat niet op.
( [7] )en de daarop voortbordurende jurisprudentie voorop dat het bij dit vraagpunt aankomt op wat partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden. Na vermelding van een groot aantal feiten en omstandigheden die het hof in dit verband relevant acht, komt het hof vervolgens in rov. 4.11 tot de slotsom dat [betrokkene 2] als partij bij de consignatie-overeenkomst moet worden aangemerkt. Onderdeel 3 strekt tot bestrijding van deze slotsom.
( [8] )Bij het toepassen van de maatstaf geeft het hof ook geen blijk van een onjuiste opvatting over de te hanteren maatstaf. Uit de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden blijkt dat het hof niet uit het oog heeft verloren dat in het stuk, waarin de overeenkomst is vastgelegd, als ondertekenaar [A] staat vermeld. Maar die omstandigheid brengt rechtens niet dwingend mee dat het hof [A] als contractspartij had moeten aanmerken. Ook in die situatie laat de toepasselijke maatstaf toe dat uit de overige omstandigheden van het geval kan volgen dat een ander dan de vermelde ondertekenaar voor contractspartij is te houden. Verder valt uit de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden af te leiden dat het hof zich bij zijn oordeelsvorming heeft laten leiden door wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen hebben mogen afleiden. Verder geeft het hof ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting door mee te wegen gedragingen na het sluiten van de overeenkomst. Ook in zulke gedragingen kunnen aanwijzingen zijn gelegen omtrent hoe een eerder aangegane rechtsverhouding dient te worden opgevat, ook voor wat betreft de vraag wie als partij bij die rechtsverhouding is te beschouwen.
subonderdelen 4.1, 4.2 en 4.3af.
“The above item remains the property of the above owner unless paid in full” –(hierna kortheidshalve de eigendomsclausule te noemen). In aanmerking nemend dat betaling aan [eiseres] en [betrokkene 3] van het in de consignatie-overeenkomst genoemde bedrag van US$ 2.200.000,- is uitgebleven, onderzoekt het hof in rov. 4.14 of deze clausule er aan in de weg staat om bij [betrokkene 2], zoals in rov. 4.13 overwogen, uit hoofde van middellijke vertegenwoordiging beschikkingsbevoegdheid in de zin van bevoegdheid tot leveren van de eigendom aanwezig te achten op het moment dat hij de viool aan [verweerder] leverde. [eiseres] neemt op grond van uitleg van de eigendomsclausule het standpunt in dat geen beschikkingsbevoegdheid kan worden aangenomen.
( [9] )Onder meer omdat volgens het hof een regeling, inhoudende dat levering van de viool na verkoop ervan aan de koper pas zou kunnen geschieden na betaling door [betrokkene 2] van de door hem aan [eiseres] en [betrokkene 3] toegezegde prijs, niet erg voor de hand ligt
( [10] ), had naar het oordeel van het hof [eiseres] haar uitleg van de eigendomsclausule nader moeten onderbouwen.
( [11] )Bij gebreke van die nadere onderbouwing kan, zo concludeert het hof aan het slot van rov. 4.14, niet worden aangenomen dat de eigendomsclausule uit de consignatie-overeenkomst afdoet aan de bevoegdheid van [betrokkene 2] destijds om na de verkoop ook de eigendom van de viool aan [verweerder] te leveren, hoezeer er nog geen betaling aan [eiseres] en [betrokkene 3] had plaatsgevonden. Tegen deze oordeelsvorming keert onderdeel 5 zich.
subonderdeel 5.1worden twee klachten aangevoerd.
subonderdeel 5.2wordt betoogd dat het oordeel van het hof aan het slot van rov. 4.14 dat niet kan worden aangenomen dat de eigendomsclausule afbreuk doet aan de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 2], onjuist is omdat het hof in weerwil van zijn verwijzing naar het Haviltex-arrest miskend heeft dat het bij de bepaling van de betekenis van die clausule aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de clausule mochten toekennen en te dien aanzien van elkaar mochten verwachten en in het bijzonder op wat [eiseres] in de gegeven omstandigheden uit de bewoordingen van de overeenkomst heeft afgeleid en mocht afleiden, namelijk dat zij de eigendom van de viool pas zou verliezen indien zij betaling zou hebben ontvangen.
( [12] )Die uitleg, die stoelt op de bewoordingen van de clausule, houdt in dat de clausule meebrengt dat de eigendom van de viool bij de “owner” blijft totdat deze is betaald. Een en ander blijkt uit wat [eiseres] sub 122 van haar memorie van grieven omtrent de betekenis van de clausule heeft gesteld. Die uitleg komt het hof vooralsnog niet aannemelijk voor. Die uitleg leidt immers, aldus het hof, tot een situatie – te weten levering van de viool aan de koper pas nadat [betrokkene 2] aan [eiseres]/[betrokkene 3] het bedrag van US$ 2.200.000,- heeft betaald –, waarvan niet goed voorstelbaar is dat een koper aan die constructie zou willen meewerken. Hierin valt de gedachte van het hof te lezen dat genoemde situatie en dus ook de door [eiseres] verdedigde uitleg het belang van [eiseres] en [betrokkene 3] bij verkoop van de viool schaden. Daarin ligt de rechtvaardiging voor het verlangen van het hof van een nadere onderbouwing van de door [eiseres] gestelde uitleg en voor het niet aanvaarden door het hof van die uitleg wegens onvoldoende onderbouwing. Door de door [eiseres] thans in de onderhavige procedure verdedigde uitleg van de clausule, welke uitleg op de bewoordingen van de clausule stoelt, mede aan de aannemelijkheid te toetsen geeft het hof geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent de wijze waarop een contractuele bepaling uitgelegd dient te worden.
“Bovendien/althans is het oordeel van het hof dat de consignatieovereenkomst onge-clausuleerde beschikkingsbevoegdheid verleende, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, zoals uit de navolgende subonderdelen blijkt.”Met dit laatste wordt verwezen naar de subonderdelen 5.3 t/m 5.5.
subonderdeel 5.3wordt uit het oog verloren dat het hof niet reeds op grond van de bevoegdheid van [betrokkene 2] om de viool te verkopen en van de bepaling in de consignatie-overeenkomst dat [betrokkene 2] bij verkoop van de viool US$ 2.200.000,- aan [eiseres] c.s. zal betalen, aan het slot van rov. 4.14 oordeelt dat niet kan worden aangenomen dat de eigendomsclausule afdoet aan de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 2] tot verkoop én levering. Daarop strandt het subonderdeel.
subonderdeel 5.4worden nog drie redenen genoemd waarom het oordeel aan het slot van rov. 4.14 niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Die drie redenen voeren echter niet tot de slotsom dat er sprake is van onvoldoende (begrijpelijke) motivering.
subonderdeel 5.5wordt ter staving van de bewering dat ’s hofs oordeel aan het slot van rov. 4.14 onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, onder (i) nog een beroep gedaan op een door [eiseres] gesteld feit en onder (ii) op een door [eiseres] ingeroepen document.
subonderdeel 5.6strandt hierop dat uit rov. 4.14 niet valt af te leiden dat hof in die rechtsoverweging beoogt heeft voort te bouwen op het in het subonderdeel genoemde oordeel in rov. 4.12.
subonderdeel 5.7zij verwezen naar hetgeen hierboven in 2.16 omtrent dat subonderdeel is opgemerkt.
subonderdeel 6.1wordt er over geklaagd dat het hof geen beslissing heeft gegeven ter zake van de vordering om voor recht te verklaren dat [verweerder] jegens de gemeenschap van eigenaren onrechtmatig heeft gehandeld. Die klacht stuit hierop af dat in de door het hof bereikte slotsom dat [verweerder] de viool van een beschikkingsbevoegde [betrokkene 2] heeft verkregen en dus [eiseres], zoals het hof in rov. 4.15 overweegt, de viool ook niet van hem kan revindiceren, besloten ligt dat de gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is.