De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van het doodschieten door de verdachte van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] maar heeft bepleit dat sprake was van noodweer en dat de verdachte daarom dient te worden ontslagen van rechtsvervolging. De verdediging heeft in dat verband gesteld dat de verdachte als eerste is beschoten waarna hij in een reflex heeft teruggeschoten. Voorts heeft de verdediging bepleit dat zelfs als ervan uit wordt gegaan dat de verdachte als eerste heeft geschoten dan geldt dat, gelet op de situatie ter plaatse waaronder de dreigende houding van [slachtoffer 1] alsmede de voorgeschiedenis tussen de verdachte en de [slachtoffers 2 en 3] , sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.
Het hof overweegt en beslist hieromtrent als volgt.
Een beroep op noodweer kan slechts slagen in een situatie waarin de verdediging van lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding noodzakelijk en geboden is. Bij de beantwoording van de vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.
In het onderhavige geval is het volgende gebleken.
De verdachte is op 4 mei 2011 voor een bespreking bij garagebedrijf “ [A] ”, zijnde het garagebedrijf van zijn neven [betrokkene 1 en 2] , in Amsterdam verschenen. Hij werd daarbij vergezeld door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . De verdachte heeft zich vooraf bewapend: hij heeft één wapen in de band van zijn broek gestoken en hij heeft - naar eigen zeggen - één wapen aan [betrokkene 4] gegeven. Het mag zo zijn dat het voor de verdachte aanvankelijk niet duidelijk was wie ‘van de andere partij’ bij de bespreking aanwezig zouden zijn, maar op enig moment - kort na aankomst bij de garage en vóór het betreden van het kantoor - was dat wel duidelijk. De verdachte heeft immers verklaard dat hij, terwijl hij nog buiten stond [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [betrokkene 6] voor het raam van het kantoor zag staan. De verdachte is vervolgens naar boven gegaan. Uit verschillende verklaringen komt naar voren dat in het kantoor sprake was van een onrustige en agressieve sfeer. Naar eigen zeggen is de verdachte op enig moment door [slachtoffer 1] op zijn schouder getikt, waarna de verdachte zijn pistool heeft getrokken en dat op [slachtoffer 1] heeft gericht. Direct daarop heeft ook [slachtoffer 2] een wapen getrokken, waarna de verdachte zijn wapen op [slachtoffer 2] heeft gericht.
Door tussenkomst van aanwezigen, onder wie in het bijzonder [betrokkene 3] en [betrokkene 1] , is de situatie gesust en was sprake van een kort moment van relatieve rust, waarbij zowel de verdachte als [slachtoffer 2] hun wapen naar beneden hebben gedaan, in elk geval op dat moment niet op personen hebben gericht.
Het hof grondt zijn oordeel ten aanzien van hetgeen vervolgens is voorgevallen op de verklaringen van [betrokkene 3] (verklaring tegenover de rechter-commissaris op 17 februari 2012), [betrokkene 1] (hiervoor weergegeven als bewijsmiddel 13 alsmede diens verklaring tegenover de rechter-commissaris op 18 november 2011), [betrokkene 2] (hiervoor weergegeven als bewijsmiddel 14 alsmede diens verklaring tegenover de rechter-commissaris op 14 december 2011) en [betrokkene 5] (verklaring tegenover de rechtercommissaris op 22 december 2011). Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat deze verklaringen op essentiële onderdelen steun vinden in elkaar. Het hof ziet geen gronden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van hun verklaringen. Uit hun verklaringen leidt het hof af dat de groep van vier ( [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [betrokkene 6] ) zich op enig moment op instigatie van [betrokkene 1] in de richting van de trap (dat wil zeggen het kantoor uit) heeft begeven en dat op dat moment de situatie escaleerde. Terwijl [betrokkene 3] zich nog tussen de verdachte (die achter hem stond) en [slachtoffer 2] (die voor hem stond) in bevond, heeft de verdachte het eerste schot gelost in de richting van de deur, waarna hij - naar eigen zeggen - zijn wapen in één keer heeft leeg geschoten.
Gelet op het voorgaande gaat het door de verdediging geschetste scenario dat de verdachte als eerste is beschoten en dat hij in een reflex heeft teruggeschoten en dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar waartegen de verdachte zich mocht verdedigen niet op. Nu het bestaan van een ogenblikkelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarop niet aannemelijk is geworden, kan verdachtes handelen niet als verdedigend worden aangemerkt en komt de verdachte om die reden geen beroep op noodweer toe. Het beroep op noodweer faalt.