Conclusie
middelklaagt dat het hof de strafoplegging onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, nu het daarin heeft meegewogen dat het bewezenverklaarde handelen ook voor de verdachte profijtelijk moet zijn geweest.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens medeplegen van valsheid in geschrift en uitkeringsfraude. Gedurende bijna vijf jaar had zij als werkgever valse loongegevens gebruikt op uitzendovereenkomsten en aanvraagformulieren, waardoor onrechtmatig uitkeringen werden aangevraagd en ontvangen. Het hof achtte bewezen dat de verdachte hiermee het vertrouwen van uitkeringsinstanties heeft beschaamd en dat zij hier zelf ook profijt van had.
Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en een geldboete van € 25.000 op. Daarbij nam het hof ook eerdere veroordelingen van de verdachte mee en het feit dat zij nog steeds als werkgever actief was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn strafmotivering voldoende had onderbouwd, ondanks kritiek dat het hof ten onrechte had aangenomen dat het handelen van de verdachte ook voor haarzelf profijtelijk was geweest.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het vonnis van het hof. De strafoplegging werd passend geacht gezien de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de noodzaak om herhaling te voorkomen. Er werden geen gronden gevonden voor vernietiging of terugwijzing.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van € 25.000 wegens medeplegen van valsheid in geschrift en uitkeringsfraude.