Conclusie
(hierna: [verweerder] )
Selbsteintritttotstandgekomen rechtshandeling door de volmachtgever kan worden bekrachtigd, of dat een zodanige bekrachtiging niet mogelijk is.
1.Feiten en procesverloop
subsidiaireen verklaring voor recht dat enige tussen erflaatster en [verweerder] ter zake van de aandelencertificaten tot stand gekomen koopovereenkomst is vernietigd althans dat in rechte terecht de vernietigbaarheid is ingeroepen wegens het ontbreken van een op de koopovereenkomst gerichte wil van erflaatster, althans wegens een geestelijke stoornis en/of een wilsgebrek;
2.Bespreking van het cassatiemiddel
op zichzelfals een bekrachtiging van de onbevoegd tot stand gekomen koopovereenkomst kan worden beschouwd, dat wil zeggen afgezien van de vraag of erflaatster in staat was haar wil te bepalen (en [eisers] terecht de vernietiging van de rechtshandeling hebben ingeroepen).
op basis van die volmachtondertekende akte van levering’, als een bekrachtiging van de koopovereenkomst aangemerkt (laatste zin van rechtsoverweging 3.19) en dus niet de akte van levering als zodanig. Hetzelfde blijkt uit de aanhef van rechtsoverweging 3.22: ‘De door de volmacht van 23 mei 2008 bekrachtigde koopovereenkomst…’.
formeelkarakter:
feitelijkniet tot een zorgvuldige wilsvorming in staat is als gevolg van een blijvende of tijdelijke stoornis van zijn geestvermogens. Men spreekt in dit verband wel van ‘feitelijke onbekwaamheid’, ter onderscheiding van de onbekwaamheid in de zin van art. 3:32 BW Pro. Laatstbedoelde vorm van onbekwaamheid duidt men ter onderscheiding van feitelijke onbekwaamheid op haar beurt veelal aan met de weinig onderscheidende term ‘handelingsonbekwaamheid’. Duidelijker is: ‘wettelijke onbekwaamheid’. Op grond van art. 3:34 BW Pro kan ook feitelijke onbekwaamheid tot de vernietigbaarheid van een rechtshandeling leiden. Of dit het geval is, is afhankelijk van
materiëlecriteria, namelijk de vraag of de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, dan wel de verklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.
Subonderdeel 2.2klaagt er terecht over dat het hof ervan is uitgegaan dat de vernietigbaarheid uit hoofde van art. 3:34 BW Pro valt onder de bepaling van art. 3:52 lid 1 aanhef Pro en onder a BW. Een geestelijke stoornis als bedoeld in art. 3:34 BW Pro is immers niet gelijk te stellen aan (wettelijke) onbekwaamheid. Uit het voorgaande zal duidelijk zijn dat eisers tot cassatie bij deze klacht alle belang hebben, omdat het beginpunt van de verjaring ingeval van onbekwaamheid wezenlijk anders is vormgegeven dan dat in geval van vernietigbaarheid op grond van art. 3:34 BW Pro. Uitgaande van zijn onjuiste rechtsopvatting en het daarbij passende formele beginpunt heeft het hof niet van belang geacht op welk moment [eiser 2] en [eiser 3] kennis kregen van de overdracht van de certificaten. Bij toepasselijkheid van art. 3:52 lid 1 aanhef Pro en onder d BW is dat moment denkelijk wel van (groot) belang.
subonderdeel 2.1aan dat partijen over het beginpunt van de verjaring hebben gedebatteerd aan de hand van de bepaling van art. 3:52 lid 1 onder Pro d BW, zodat het hof ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, [10] althans zijn beslissing mede een ontoelaatbare verrassingsbeslissing is.
subonderdeel 2.3aan dat voor zover het hof zich wel, althans mede, op art. 3:52 lid 1 aanhef Pro en onder d BW heeft gegrond (voor welke lezing van het arrest van het hof mijns inziens weinig aanleiding bestaat), het hof ook dan van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. In dat geval had het hof immers behoren te onderzoeken op welk moment aan [eiser 2] en [eiser 3] als erfgenamen daadwerkelijk de bevoegdheid tot vernietiging ten dienste was komen te staan en was in dat verband mede van belang het tijdstip waarop zij van de certificatenoverdracht kennis kregen.
subonderdeel 2.5erover dat het hof ervan is uitgegaan dat [eiser 2] de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. Door [eisers] is op de in de cassatiedagvaarding aangehaalde vindplaatsen (conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie onder 33 en p. 2 van de pleitnota in appel) uitdrukkelijk gesteld dat [eiser 2] en [eiser 3] de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard. Het oordeel van het hof dat het er ‘bij gebreke van een andersluidende stelling’ voor moet worden gehouden dat sprake is van een zuivere aanvaarding is dan ook onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.6, waarmee [eisers] betogen dat het oordeel van het hof dat [eisers] onvoldoende hebben onderbouwd dat sprake is van bedrog of misbruik van omstandigheden, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Door [eisers] is in eerste aanleg en ten overstaan van het hof onder meer betoogd: [11]
derde onderdeel, voor zover het niet voortbouwt op de onderdelen 1 en 2, klaagt erover dat het hof op grond van de devolutieve werking van het appel mede had moeten ingaan op het standpunt van [eisers] dat bekrachtiging van de koopovereenkomst niet mogelijk was omdat [verweerder] heeft gehandeld in strijd met het verbod op
Selbsteintritt(art. 3:68 BW Pro) en in een zodanig geval moet worden aangenomen dat in het geheel geen rechtshandeling tot stand is gekomen.
Selbsteintrittniet kan worden bekrachtigd, is namelijk onjuist. Art. 3:68 BW Pro bevat een regel van aanvullend recht (‘Tenzij anders is bepaald’) volgens welke de gevolmachtigde slechts dan als wederpartij van de volmachtgever kan optreden, wanneer de inhoud van de te verrichten rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen beider belangen uitgesloten is. De volmachtgever kan dus anders bepalen. Als de volmachtgever dit vooraf kan doen, bestaat er geen bezwaar tegen om aan te nemen dat hij ook een in strijd met art. 3:68 BW Pro verrichte rechtshandeling kan bekrachtigen. Daartegen bestaat te minder bezwaar omdat op dat moment de inhoud van de rechtshandeling uiteraard vaststaat (de rechtshandeling is reeds verricht), zodat de gevolmachtigde weet waarin hij alsnog toestemt. Mijns inziens valt een dergelijke bekrachtiging binnen het bereik van art. 3:69 BW Pro. Het aanvullende recht van art. 3:68 BW Pro is medebepalend voor de inhoud van de volmacht en dus van de bevoegdheid van de gevolmachtigde. Daarmee is het geval dat een rechtshandeling is totstandgekomen met een door de volmacht in verband met art. 3:68 BW Pro niet toegelaten
Selbsteintrittniets anders dan een
speciesvan het in art. 3:69 lid 1 BW Pro als
genusomschreven geval dat iemand zonder daartoe bevoegd te zijn als gevolgmachtigde in naam van een ander heeft gehandeld. Dat bekrachtiging in het bedoelde geval inderdaad mogelijk is, is in overeenstemming met de uitdrukkelijke bepalingen van art. 2.2.7 lid 2 Unidroit Principles 2010, art. 3:205 lid 3 PECL Pro en art. II.6:109 lid 3 DCFR. [12]
nietmogelijk, namelijk (zie conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie onder 16): A.C. van Schaick, Volmacht, Mon. BW B5, p. 53, P.J. van der Korst & P.H.M. Gerver, GS Vermogensrecht, art. 3:68 BW Pro, aant. 1, en W.J. Zwalve, Bekrachtiging en aanverwante rechtsfiguren, Den Haag: Vermande 2003, p. 40. Van der Korst & Gerver bieden op de aangehaalde plaats geen enkele steun voor het standpunt dat bekrachtiging niet mogelijk is; bij hen valt enkel te lezen dat een rechtshandeling in strijd met art. 3:68 BW Pro nietig is. Naar blijkt uit de volgende zin bedoelen zij dit in tegenstelling met vernietigbaarheid (zoals die volgens art. 1395 Italiaanse Pro Codice Civile geldt). Over de mogelijkheid van bekrachtiging zeggen deze auteurs niets. Dat de kwalificatie ‘nietig’ bekrachtiging niet uitsluit, volgt rechtsstreeks uit art. 3:58 BW Pro, waarvan art. 3:69 BW Pro een lex specialis is. [13] Zwalve spreekt op de aangehaalde plaats over een wezenlijk ander geval, namelijk van nietigheid uit hoofde van art. 3:40 BW Pro. Van Schaick, ten slotte, spreekt op de aangehaalde plaats geen duidelijke voorkeur uit. Hij zegt mijns inziens enkel dat aan de tekst van art. 3:68 BW Pro een argument kan worden ontleend voor de opvatting dat bekrachtiging niet mogelijk is. Dat tekstuele argument (naar ik begrijp zou uit het gebruik van de formulering ‘kan een gevolmachtigde slechts dan’ volgen dat in het geheel geen rechtshandeling tot stand komt, zodat er niets valt te bekrachtigen) dunkt mij vergezocht. In de kleine letter vermeldt Van Schaick met zoveel woorden de mogelijkheid van bekrachtiging naar Duits recht. [14]
onder 4van het cassatiemiddel behoeft geen bespreking.
3.Conclusie
de Hoge Raad der Nederlanden