Op 2 november 2011 is de schuldsaneringsregeling van verzoekers uitgesproken. De bewindvoerder verzocht op 5 augustus 2014 om tussentijdse beëindiging van deze regeling vanwege nieuwe schulden en boedelachterstand. De rechtbank Zeeland-West-Brabant wees dit verzoek op 30 oktober 2014 af en verlengde de regeling met 24 maanden om verzoekers de gelegenheid te geven de schulden in te lopen.
Op 10 maart 2016 beëindigde de rechtbank de schuldsaneringsregeling tussentijds zonder toekenning van een schone lei, omdat bleek dat de nieuwe schulden waren opgelopen tot circa €15.500 en verzoekers niet aan hun informatieplicht hadden voldaan. Het hof ’s-Hertogenbosch bekrachtigde dit vonnis op 2 juni 2016.
Verzoekers kwamen tijdig in cassatie, maar het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het grotendeels bestond uit herhalingen zonder nieuwe onderbouwing. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat sprake was van een toerekenbare tekortkoming en dat de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd was.