ECLI:NL:PHR:2016:1111

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2016
Publicatiedatum
11 november 2016
Zaaknummer
16/03002
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 349a FwArt. 350 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet nakomen informatieplicht en nieuwe schulden

Op 2 november 2011 is de schuldsaneringsregeling van verzoekers uitgesproken. De bewindvoerder verzocht op 5 augustus 2014 om tussentijdse beëindiging van deze regeling vanwege nieuwe schulden en boedelachterstand. De rechtbank Zeeland-West-Brabant wees dit verzoek op 30 oktober 2014 af en verlengde de regeling met 24 maanden om verzoekers de gelegenheid te geven de schulden in te lopen.

Op 10 maart 2016 beëindigde de rechtbank de schuldsaneringsregeling tussentijds zonder toekenning van een schone lei, omdat bleek dat de nieuwe schulden waren opgelopen tot circa €15.500 en verzoekers niet aan hun informatieplicht hadden voldaan. Het hof ’s-Hertogenbosch bekrachtigde dit vonnis op 2 juni 2016.

Verzoekers kwamen tijdig in cassatie, maar het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het grotendeels bestond uit herhalingen zonder nieuwe onderbouwing. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat sprake was van een toerekenbare tekortkoming en dat de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd was.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt bevestigd.

Conclusie

16/03002
Mr. R.H. de Bock
Zitting 13 september 2016
Conclusie inzake:
[verzoekster 1] en [verzoeker 2]
verzoekers tot cassatie,
(hierna: ‘ [verzoekers] ’),
mr. K. Aantjes.
1. Op 2 november 2011 is ten aanzien van [verzoekers] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. [1] Op 5 augustus 2014 heeft de bewindvoerder verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Bij vonnis van 30 oktober 2014 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling afgewezen en deze op grond van het bepaalde in artikel 349a Faillissementswet (Fw) verlengd voor de duur van 24 maanden teneinde [verzoekers] in de gelegenheid te stellen de nieuw ontstane schulden en de boedelachterstand, waarvan de rechtbank heeft aangenomen dat deze circa € 2.200,- [2] respectievelijk € 4.090,73 [3] bedroegen, voor het einde van de looptijd in te lopen.
2. Bij vonnis van 10 maart 2016 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, op verzoek van de bewindvoerder [4] , de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd zonder toekenning van een ‘schone lei’. De rechtbank overweegt dat gebleken is dat het totale bedrag aan nieuwe schulden ten tijde van de zitting in 2014 niet circa € 2.200,- bedroeg maar circa € 15.500,-. De rechtbank oordeelt dat [verzoekers] - door geen melding te maken van de fors hogere schulden - toerekenbaar tekort zijn geschoten in hun informatieplicht. Voorts overweegt de rechtbank dat gebleken is dat [verzoekers] niet in staat zullen zijn om de nieuwe (bovenmatige) schulden voor het einde van de looptijd van de verlengde schuldsaneringsregeling in te lopen.
3. Het vonnis is bekrachtigd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn arrest van 2 juni 2016. Het hof heeft daartoe – voor zover van belang – het volgende overwogen:
3.5.1. Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef Pro en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij [verzoekers] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en/of van het door hun doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en/of van het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.
3.5.2. Uit de inhoud van de processtukken, meer in het bijzonder de voortgangsverslagen van de bewindvoerder van respectievelijk 24 mei 2012, 29 november 2012, 29 mei 2013, 29 november 2013, 27 mei 2014 en 16 oktober 2014 is het hof gebleken dat [verzoekers] zich vanaf de aanvang van de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet hebben gehouden aan de aan hen opgelegde uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting.
Het hof stelt voorts vast dat er, ook nadat de rechtbank bij vonnis van 30 oktober 2014 het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [verzoekers] had afgewezen en de termijn van de schuldsaneringsregeling had verlengd met twee jaar, geen verbetering is opgetreden in de gedragingen van [verzoekers] . Blijkens de voortgangsverslagen van de bewindvoerder van 27 juli 2015 en 26 januari 2016 hebben [verzoekers] andermaal nagelaten de bewindvoerder te informeren over al hetgeen dat van belang is voor een doelmatige uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Van deze gedragingen kan [verzoekers] een zodanig ernstig verwijt worden gemaakt dat deze omstandigheid op zichzelf beschouwd voldoende grond oplevert om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
3.5.3. Voorts stelt het hof vast dat de rechtbank bij vonnis van 30 oktober 2014 de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [verzoekers] heeft verlengd met twee jaar, zulks om [verzoekers] in de gelegenheid te stellen de nieuw ontstane schulden van € 2.239,41 en de boedelachterstand van € 4.090,73 in te lopen.
Blijkens de brief van de bewindvoerder van 11 mei 2016 zijn de nieuwe ontstane schulden echter verder opgelopen naar € 15.522,87, onder meer omdat [verzoekers] gedurende een substantiële periode de motorrijtuigenbelasting niet hebben betaald. Verder blijkt daaruit dat [verzoekers] niets hebben afgedragen aan de boedel met als gevolg dat de boedelachterstand per laatst vermelde datum € 5.069,36 bedraagt (bijlagen 2 en 10 bij brief van de bewindvoerder van 11 mei 2016). Ook van deze beide gedragingen kan [verzoekers] een zodanig ernstig verwijt worden gemaakt dat er naast de niet nakoming van de inlichtingenverplichting ook voldoende extra gronden zijn om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
3.6. Hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof overneemt, heeft geoordeeld dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [verzoekers] tussentijds te beëindigen.
4. [verzoekers] zijn van bovengenoemd arrest tijdig in cassatie gekomen. [5] Van het in het cassatieverzoekschrift gemaakte voorbehoud ten aanzien van aanvulling van het rekest op grond van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting in hoger beroep, is geen gebruik gemaakt. [6] In het cassatieverzoekschrift is voorts vermeld dat de cassatieadvocaat bij het indienen van het rekest niet over alle onderliggende stukken beschikte. Voor zover daarin een voorbehoud moet worden gelezen ten aanzien van de aanvulling van het rekest na ontvangst van de betreffende stukken, is daarvan evenmin gebruik gemaakt.
5. Het cassatiemiddel bestaat uit
één onderdeel. Aangevoerd wordt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, gelet op hetgeen door [verzoekers] in hoger beroep is aangevoerd. Voorts wordt opgemerkt dat bij [verzoekers] geen opzet aanwezig is geweest tot het niet naar behoren nakomen van wel frustreren van de schuldsaneringsregeling.
6. Het onderdeel faalt klaarblijkelijk. Het cassatieverzoekschrift bestaat grotendeels uit een herhaling van de in hoger beroep geponeerde en niet onderbouwde gronden. Het hof heeft deze gronden gemotiveerd verworpen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op grond waarvan het oordeel van het hof tot cassatie zou kunnen leiden. De vraag of bij [verzoekers] sprake is geweest van opzet is niet relevant. Voldoende is dat de tekortkoming in de naleving van de verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling toerekenbaar is. Het hof heeft vastgesteld dat van een toerekenbare tekortkoming sprake is. Het betreft hier een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Ik acht het oordeel van het hof gezien de inhoud van het dossier allerminst onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
7. Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De betreffende uitspraak bevindt zich niet in cassatiedossier.
2.Vonnis van rb. Zeeland-West-Brabant d.d. 10 maart 2016, rov. 3.6.
3.Vonnis van rb. Zeeland-West-Brabant d.d. 30 oktober 2014, rov. 3.3.
4.Het verzoek van de bewindvoerder bevindt zich niet in het cassatiedossier; datzelfde geldt voor het (positieve) advies naar aanleiding daarvan van de rechter-commissaris.
5.Bij verzoekschrift van 9 juni 2016.
6.Zie e-mailbericht van de cassatieadvocaat van 30 augustus 2016.