Conclusie
Feiten en procesverloop
( [1] )(hierna: CAO) gegeven, maar dat geschiedde wel nadat op 24 juli 2008 een akkoord met FNV Bondgenoten over de toepassing van de CAO was bereikt.
De in deze CAO genoemde lonen en salarissen alsmede de werkelijk betaalde lonen en salarissen worden per 1 april 2010 met 1% structureel verhoogd. Bij loonbetaling per periode geldt de loonaanpassing per de 1e dag van de 4e periode 2010. De in deze CAO genoemde bedragen zijn lonen exclusief vakantiegeld.
Voor werknemers ingedeeld in een salarisschaal waarvan het eindsalaris hoger ligt dan het maximum van schaal 7, vermeerderd met 10%, zijn geen loonschalen in de CAO opgenomen en zijn derhalve de bepalingen van lid 1 niet van toepassing.
Voor werknemers die vallen onder de in artikel 25 genoemde Pro functiegroepen gelden de in lid 1 genoemde verhogingen niet voor de looncomponent boven de maximum grens van de zorgtoeslag.
( [2] )In die brief komt onder meer de volgende passage voor:
( [4] )Daarin concludeert zij onder meer:
Met een OR of PVT een beloningssysteem is afgesproken
( [5] )
( [6] ), maar ook dat [eiseres] door aan vier jongere werknemers wel en vijf oudere werknemers, onder wie [verweerder], niet een vergoeding voor in het verleden niet uitgekeerde structurele loonsverhogingen uit te betalen zich aan ongerechtvaardigde leeftijdsdiscriminatie schuldig maakt.
( [7] )
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [8] )Aan het voorgaande wordt terecht de conclusie verbonden dat de oordelen die het hof over de leden 4 en 5 van Bijlage I uitspreekt zijn op te vatten als rechtsoordelen en dat dergelijke oordelen in cassatie niet met motiveringsklachten maar slechts met rechtsklachten zijn te bestrijden.
( [9] )Dit laatste brengt mee dat de motiveringsklachten, die in het onderhavige cassatieberoep tegen de uitleg van het hof van de leden 4 en 5 van Bijlage I zijn aangevoerd, gedoemd zijn te falen.
( [10] )
“dat Bijlage I in beginsel niet van toepassing is op werknemers die niet vallen onder de in artikel 25 van Pro de cao genoemde functiegroepen en op werknemers die (in de cao 2009-2010) voor 1 april 2009 meer verdienen dan € 4.223,- bruto per maand. Vast staat dat [verweerder] was ingedeeld in een functiegroep (7) als bedoeld in artikel 25 van Pro de cao en minder verdiende dan het genoemde maandsalaris (zijn laatstverdiende salaris was € 3.182,- bruto per maand). Artikel 3 van Pro de cao sluit [verweerder] dus niet uit van de werking van Bijlage 1.”
( [11] )Dit doet onaannemelijk zijn de bewering dat [eiseres] de brochure niet kende en de stelling dat zij zich niet naar behoren heeft kunnen verweren. De klacht dat door het hof het recht van hoor en wederhoor is geschonden stuit hierop af.
”dat niet aannemelijk is dat de regeling van indexering van de salarissen, zoals neergelegd in Bijlage I van de cao, beoogt werknemers die zijn ingedeeld in een functiegroep en op wie ingevolge het bepaalde in artikel 3 lid 2 van Pro de cao op die grond Bijlage I van toepassing is, alsnog (geheel) van indexering uit te sluiten.”Hiertegen worden in het kader van onderdeel IV een aantal klachten aangevoerd.
“dat niet aannemelijk is dat de regeling van indexering van de salarissen, zoals neergelegd in Bijlage I van de cao, beoogt werknemers die zijn ingedeeld in een functiegroep (…..) alsnog geheel van indexering uit te sluiten.”Allereerst valt op dat het hof zijn niet-aannemelijkheidsoordeel niet nader beargumenteerd. Verder leidt lid 4 er niet toe dat alle werknemers die in een functiegroep zijn ingedeeld, van de in lid 1 voorziene structurele salarisverhogingen zijn uitgesloten. Die uitsluiting geldt slechts voor werknemers met een salaris boven de in lid 4 genoemde grens, dus – zoals het in de stukken wel wordt uitgedrukt – voor werknemers met een hoog salaris. De uitsluiting van lid 1 voor die werknemers past bij het hiervoor vermelde en in deze aan te houden oogmerk van lid 4.
( [12] )
( [13] )Bij die stand van zaken is ervan uit te gaan dat het hof tot slagen van grief III concludeert op grond van alle oordelen in de rechtsoverwegingen 3.6.2 t/m 3.6.7 te samen en niet reeds op grond van de oordelen in de rov. 3.6.2 en 3.6.3. Dit betekent dat de klachten waarvan hierboven is gezegd dat zij terecht zijn aangevoerd, ook slagen in die zin dat zij leiden tot vernietiging van de bestreden arresten van het hof.