Conclusie
1.Feiten
Enig (indirect) bestuurder van Ibou Consultancy & Management BV is [eiser] .
In de overeenkomst is tevens bepaald dat partijen geheimhouding en vertrouwelijkheid ten aanzien van de overeenkomst betrachten
.
2.Procesverloop
’s-Hertogenbosch.
3.De beoordeling van het cassatieberoep
eerste klachtricht zich tegen rov. 3.6.2, in samenhang met 3.6.1 van het arrest, waarin het hof het door [eiser] gevoerde ontvankelijkheidsverweer passeert. De betreffende rechtsoverwegingen luiden als volgt:
€ 200.000,-- níet in de gemeenschap valt (memorie van antwoord punt 8 en 27). Heel duidelijk zijn Maessens stellingen hiermee niet; kennelijk staat hem voor ogen dat áls er een opbrengst was gegenereerd (daarvan is volgens hem geen sprake), in dát geval een gemeenschap zou zijn geweest.
In de overeenkomst van 30 juni 2008 zijn [eiser] , [verweerder] en [betrokkene 1] overeengekomen dat zij 'zullen delen in eigendom en daarmee samenhangende opbrengst' van het Faxx-gebouw. Van een gezamenlijke eigendom van het Faxx-gebouw is het echter nooit gekomen. De transacties van 6 oktober 2009 zijn alleen via [eiser] gelopen; hij is degene geweest die het pand heeft gekocht en weer heeft doorgeleverd. Het Faxx-gebouw heeft nooit aan [eiser] , [verweerder] en [betrokkene 1] gezamenlijk toebehoord, zodat in dat opzicht in ieder geval geen sprake is geweest van gemeenschap.
Het bij de transacties bedongen terugkooprecht van de gemeente Tilburg betrof eveneens uitsluitend [eiser] . [verweerder] en [betrokkene 1] hebben nimmer enige aanspraak gehad jegens de gemeente. Het is dan ook niet in te zien dat sprake is geweest van een gemeenschappelijk vorderingsrecht jegens de gemeente Tilburg; dit vorderingsrecht rustte enkel op [eiser] . Het is ook [eiser] geweest die de vaststellingsovereenkomst met de gemeente Tilburg heeft gesloten. Er is dus geen sprake van gemeenschap van een vorderingsrecht. Indien dat wel het geval zou zijn geweest, zou dat tot gevolg hebben gehad dat de deelgenoten slechts gezamenlijk bevoegd zouden zijn geweest tot het aannemen van de - tot de gemeenschap behorende - prestatie. [4] Deze situatie heeft zich echter niet voorgedaan.
Ten slotte is ook de door de gemeente betaalde schadevergoeding van € 200.000,-- (die het hof als 'opbrengst' kwalificeert) niet in een gemeenschap gevallen. De vergoeding is betaald uit hoofde van de met [eiser] en één van zijn vennootschappen gesloten vaststellingsovereenkomst en is feitelijk betaald aan die vennootschap. Ook hier is derhalve geen sprake van gemeenschap.
Ook als geen sprake is van gemeenschap, kan zich voordoen dat een prestatie die aan twee of meer schuldeisers is verschuldigd, ondeelbaar is. In dat geval hebben schuldeisers - net als bij gemeenschap - één vorderingsrecht, zo is bepaald in art. 6:15 lid 2 BW Pro. [5] De stellingen van [eiser] houden ook in, zo begrijp ik, dat sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding en dat om die reden ook [betrokkene 1] in het geding had moeten worden betrokken. Dit verweer is door het hof in rov. 3.6.2 verworpen, omdat niet is in te zien dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. In het cassatiemiddel lees ik - los van het betoog dat sprake is van gemeenschap - geen klachten tegen dit oordeel. Het oordeel acht ik ook juist.
tweede onderdeelheeft in de eerste plaats betrekking op de uitleg die het hof in rov. 3.6.4 tot en met 3.6.7 aan de overeenkomst van 30 juni 2008 heeft gegeven. De klacht spitst zich daarbij toe op rov. 3.6.6, waarin het hof een uitleg geeft aan punt 8 van de overeenkomst van 30 juni 2008 en overweegt dat die situatie zich
nietvoordoet. In het vervolg van het tweede onderdeel (punten 2.2.1, 2.2.2, 2.2.3 en 2.2.4) zijn geen klachten opgenomen tegen rov. 3.6.7, waarin het hof punt 7, 3e 'sub' van de overeenkomst uitlegt en overweegt dat die situatie zich
welvoordoet.
In het onderdeel wordt aangevoerd dat het hof bij de toepassing van de Haviltex-formule een aantal (deels in eerste aanleg) gestelde feiten en omstandigheden buiten beschouwing heeft gelaten, althans niet kenbaar heeft meegewogen. Op grond van de devolutieve werking van het appel had het hof de volgende in eerste aanleg aangevoerde feiten en omstandigheden in de toepassing van de Haviltex-formule had moeten betrekken (cassatiedagvaarding punt 2.2.1):
j. Op het moment dat de overeenkomst van 30 juni 2008 werd getekend bestond nog de mogelijkheid dat er geen overeenstemming met VMK en dus geen overeenkomst met VMK zou worden gesloten en dat [eiser] Faxx aan een derde zou verkopen. [eiser] had immers middels bieding het recht verworven voor afname van bovengenoemd object tegen een prijs van € 3.900.000,- kk, aldus punt 1 van de overeenkomst. Dat was dus niet de issue. Geregeld werd in die overeenkomst de verkoop aan VMK. Die overeenkomst is eerst gesloten op 4 juli 2008. In de periode 23 juni 2008 en 4 juli 2008 bestond derhalve nog de mogelijkheid dat er geen koopovereenkomst met VMK zou worden gesloten en dat het Faxx-gebouw aan een derde werd verkocht. Daarin voorziet de eerste optie onder punt 7 van de overeenkomst.
alleargumenten te bespreken die door partijen worden aangevoerd. [6] Het gaat erom dat essentiële argumenten bij de beoordeling worden betrokken. Wat in de opsomming onder a tot en met l nu precies de essentiële argumenten zijn, is moeilijk te doorgronden. Ik zal een poging doen.
a tot en met gwordt melding gemaakt van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de aanloop naar het sluiten van de overeenkomst van 30 juni 2008. Zonder toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk waarom deze omstandigheden betrokken hadden moeten worden bij de uitleg van de overeenkomst. Evenmin is door [eiser] duidelijk gemaakt dat, en waarom, het betrekken van deze omstandigheden bij de uitleg tot een
andereuitleg van de overeenkomst had moeten leiden.
Ten aanzien van het vermelde onder
h en igeldt dat het hof deze stellingen in zijn oordeel heeft betrokken (rov. 3.6.6 en 3.6.7). Het hof heeft echter geoordeeld dat de lezing van [verweerder] tot uitgangspunt moet worden genomen.
j, k en lgeldt het volgende. De discussie tussen [eiser] en [verweerder] heeft zich toegespitst op de vraag of sprake is geweest van de situatie genoemd onder punt 8 van de overeenkomst (
'in het geval onvoorzien de gehele overdracht van het object aan [eiser] niet door mocht gaan ...'), óf dat aan de orde was de situatie als omschreven onder punt 7, 3e 'sub' (
'bij niet teruglevering door VMK dan wel Red Concepts zal de opbrengst na aftrek van alle kosten worden gedeeld ...'). Volgens [eiser] deed de situatie onder punt 8 zich voor (in welk geval [verweerder] geen aanspraken had jegens hem); volgens [verweerder] was sprake van de situatie onder punt 7, 3e 'sub' (zodat hij aanspraak had op 30% van de opbrengst).
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de situatie onder punt 8 zich voordeed, voerde [eiser] met name aan dat onder 'overdracht' in punt 8 moest worden verstaan 'terugoverdracht', dus een teruglevering van het pand (via VMK en de gemeente Tilburg) aan [eiser] (memorie van antwoord punt 28). Die 'terugoverdracht' is niet doorgegaan, waarmee aan de orde was de situatie zoals beschreven onder punt 8, volgens [eiser] . Het geval dat de gehele overdracht aan VMK niet door zou gaan (op het moment van het tekenen van de overeenkomst van 30 juni 2008 had [eiser] het pand nog niet gekocht), was volgens [eiser] geregeld in punt 7, 1e 'sub'. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de situatie onder punt 7, 3e 'sub', zich
nietvoordeed, voerde [eiser] aan dat de daar beschreven mogelijkheid aan de orde was in het geval VMK het pand wel teruggeleverd zou hebben gekregen van de gemeente, maar het dan niet zou hebben doorgeleverd (teruggeleverd) aan [eiser] (memorie van antwoord punt 23). Dit was niet aan de orde, omdat VMK het pand nooit heeft teruggekocht van de gemeente, aldus nog steeds [eiser] . In dat kader verwees hij ook naar art. 14e van de overeenkomst tussen hem en VMK, waarin VMK een boete verschuldigd zou zijn indien zij haar verplichting tot teruglevering van het pand aan [eiser] niet zou nakomen.
Het hof heeft in rov. 3.6.6, laatste alinea, het standpunt van [eiser] dat het geval beschreven onder punt 8 zich voordeed, verworpen. Argument daarvoor was dat punt 8 is geschreven met het oog op de onderlinge verhouding tussen [verweerder] en [betrokkene 1] voor het geval de gehele overdracht van het Faxx-gebouw aan [eiser] niet door zou gaan, maar dat die situatie zich niet voordoet, daar immers op 6 oktober 2008 de verschillende koopovereenkomsten wél notarieel zijn verleden. Hierin ligt besloten dat het hof de uitleg van [eiser] , dat onder 'overdracht aan [eiser] ' moet worden begrepen 'terugoverdracht aan [eiser] ' heeft verworpen. Ook ligt in dit oordeel besloten dat art. 14e van de overeenkomst tussen [eiser]
en VMKonvoldoende gewicht in de schaal legt om tot de door [eiser] verdedigde uitleg van te komen. De uitleg die het hof geeft aan punt 8 acht ik niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk. De door [eiser] verdedigde uitleg volgt niet uit de tekst van punt 8 en volgt ook niet dwingend uit de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden. Voor het overige is de door het hof gegeven uitleg aan punt 8 sterk verweven met een waardering van feitelijke aard, die is voorbehouden aan de feitenrechter. Overigens ziet hetgeen is vermeld onder j, k en l strikt genomen ook niet op de uitleg van punt 8 van de overeenkomst (maar op punt 7).
Onder punt 65 heeft [eiser] bewijs aangeboden van zijn stelling ‘dat de verdeling van de opbrengst inzake de Faxx-overeenkomst, luidende [eiser] 40%, [verweerder] 30% en [betrokkene 1] 30% is gebaseerd op het uitgangspunt dat de met de herontwikkeling van het Veemarktkwartier en de herontwikkeling van het Faxx-gebouw gemoeide werkzaamheden hoofdzakelijk zouden worden verricht door [betrokkene 1] en [verweerder] .’ Ook dit bewijsaanbod ziet kennelijk op de uitleg van punt 7, 3e 'sub' van de overeenkomst, waartegen [eiser] , zoals gezegd, in cassatie geen klacht heeft gericht. Daarbij komt dat uit de overwegingen van het hof is af te leiden dat het van oordeel was dat deze omstandigheid niet van belang was bij de uitleg van punt 7 van de overeenkomst. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, omdat [eiser] geen, althans onvoldoende duidelijk, feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst een koppeling voor ogen stond tussen enerzijds de te verrichten werkzaamheden en anderzijds de percentages voor verdeling van de opbrengst.
Ten slotte zij nog opgemerkt dat zowel het bewijsaanbod onder punt 64 als dat onder punt 65 geen concrete feiten of omstandigheden bevat die, indien bewezen, tot de door [eiser] gewenste uitleg van (punt 7 en/of punt 8 van) de overeenkomst zouden leiden. Ook om deze reden kon het hof de bewijsaanbiedingen passeren.
Ook los hiervan is niet duidelijk wat de verklaring van [betrokkene 1] precies zou moeten meebrengen. Zijn verklaring houdt in dat [verweerder] en hijzelf volgens hem geen aanspraak kunnen maken op enig bedrag, maar niet blijkt dat die opvatting is gebaseerd op concrete feiten en omstandigheden (bijvoorbeeld rond de totstandkoming van de overeenkomst), die steun zouden kunnen geven aan een uitleg van de overeenkomst in de door [eiser] gewenste zin. De verklaring van [betrokkene 1] is dan slechts een mening. Het hof was niet gehouden die mening expliciet bij zijn uitleg van de overeenkomst te betrekken en hoefde evenmin [betrokkene 1] als getuige te horen over die mening.
De klacht slaagt dan ook niet.
derde onderdeelbevat een subsidiaire klacht tegen rov. 3.6.8 en 3.6.12, voor het geval onderdeel 2.1 faalt. Hiervoor is besproken dat onderdeel 2.1 faalt, zodat aan de subsidiaire klacht wordt toegekomen.
De door hem bepleite uitleg van punt 8 heeft het hof in rov. 3.6.6 echter al verworpen. Wat de bedoeling van partijen was met punt 7, 3e 'sub' (daarover gaat het immers in rov. 3.6.8) heeft [eiser] niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Er viel dan ook weinig te bespreken door het hof. Voorts zij opgemerkt dat het hof in rov. 3.6.8 niet oordeelt dat élke opbrengst 'wat daaronder ook moet worden verstaan' als opbrengst in de zin van punt 7, 3e 'sub' heeft te gelden. Geoordeeld is dat de door [eiser] van de gemeente Tilburg ontvangen schadeloosstelling als opbrengst in de zin van genoemde bepaling moet worden aangemerkt. Dit oordeel is noch onjuist noch onbegrijpelijk. [eiser] heeft er weinig tot niets concreets tegenover gesteld.
Voorts is nog op te merken dat het voor de argeloze lezer moeilijk is zich aan de indruk te onttrekken dat [eiser] zich veel moeite heeft getroost om de schadeloosstelling die hij van de gemeente Tilburg zou ontvangen, buiten het zicht van [verweerder] te houden. Zowel in de overeenkomst met [B] BV als in die met de gemeente Tilburg heeft hij een geheimhoudingsclausule opgenomen. [verweerder] heeft zowel een WOB-procedure [7] als een art. 843a Rv-procedure moeten voeren om de overeenkomst met de gemeente in handen te krijgen. Vervolgens heeft [eiser] zijn vorderingsrechten op de gemeente gecedeerd aan een aan hem gelieerde vennootschap. Tegen deze achtergrond komt het standpunt van [eiser] dat [verweerder] hoe dan ook geen aanspraak zou hebben op een deel van het bedrag omdat de schadeloosstelling niet telt als ´opbrengst´, niet heel waarachtig over.
Voor wat betreft het passeren van het bewijsaanbod onder punt 64 van de memorie van antwoord verwijs ik naar punt 3.17 van deze conclusie.
De klacht faalt.
redengevend verweer is gevoerd, waarmee is bedoeld dat [eiser] niet een steekhoudende reden heeft aangevoerd waarom hij zijn vorderingsrechten op de gemeente heeft gecedeerd aan aan hem gelieerde vennootschappen, zodat moet worden aangenomen dat sprake is geweest van onverplichte rechtshandelingen. Dit oordeel is niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk. [eiser] voert hierover niets overtuigends aan. [eiser] lijkt zijn standpunt in dezen met name te baseren op de stelling dat door de vennootschappen waaraan gecedeerd is, kosten zouden zijn gemaakt. Nog los van de vraag of dit een steekhoudende reden voor cessie oplevert, geldt dat het hof in rov. 3.6.11 overweegt dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vennootschappen kosten hebben gemaakt en dat hij die kosten in het geheel niet heeft onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Ook dit oordeel is niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk.
Bij gebreke aan concrete stellingen kon het hof ook het bewijsaanbod uit punt 67 van de memorie van antwoord passeren.
vierde onderdeelheeft betrekking op het pand aan de [a-straat] . De eerste klacht is gericht tegen rov. 3.7.4 en 3.7.5. Het hof overwoog daarin het volgende:
De klacht houdt wel in dat het hof [eiser] nog gelegenheid had moeten geven om, zo begrijp ik, na het pleidooi te reageren op de stelling van [verweerder] bij pleidooi dat inmiddels betaling had plaatsgevonden, zodat de regresvordering was ontstaan. Door [eiser] die gelegenheid niet te bieden, is gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.
wanneerdat zou plaatsvinden. Zodra het pand geëxecuteerd zou worden, zou vanwege de hoofdelijke verbondenheid van [verweerder] en [eiser] voor de schuld aan de Rabobank, de regresvordering van [verweerder] op [eiser] ontstaan. [eiser] heeft zich tegen deze stellingname kunnen verweren en heeft dat ook gedaan (conclusie van antwoord punt 37-53 en memorie van antwoord punt 44-49). Uiteindelijk is vlak voor het pleidooi in hoger beroep de regresvordering
inderdaadontstaan. De executieveiling was gepland op 12 december 2013 en vlak daarvoor heeft de bank het door [verweerder] uitgebrachte bod geaccepteerd (van deze feiten is al melding gemaakt onder punt 79, 80 en 104 van de memorie van grieven). Bij beschikking van 3 februari 2014 (ná de memorie van grieven) heeft de voorzieningenrechter vervangende toestemming verleend aan de Rabobank voor de onderhandse verkoop van het pand aan [verweerder] . [9] Vervolgens heeft de bank op 10 juni 2014 zowel [verweerder] als [eiser] aangeschreven tot betaling van de restantvordering. [10] Na vergeefse sommatie aan [eiser] heeft [verweerder] op 8 september 2014 zelf de volledige restantvordering voldaan, [11] waarna bij e-mail van 11 september 2014 [eiser] is aangeschreven om de daarmee ontstane regresvordering te voldoen.
Uit deze gang van zaken blijkt dat [eiser] al ruim voorafgaand aan het pleidooi op 2 oktober 2014 precies wist wat de feitelijke stand van zaken was. Het ontstaan van de regresvordering
Recht doen aan het beginsel van hoor en wederhoor betekent immers niet dat volgens een ijzeren regel
altijdgelegenheid moet worden gegeven aan de wederpartij om bij akte te reageren op nieuwe informatie. Het gaat erom dat, gelet op aard en omvang van de nieuwe informatie - daaronder begrepen een wijziging van de feitelijke grondslag - de wederpartij voldoende gelegenheid heeft om daarvan kennis te nemen en daarop adequaat te reageren. [12] Hier is dat het geval geweest.
- dat er een onafhankelijke taxatie van de waarde dient plaats te vinden omdat [eiser] van mening is dat het pand meer waard is dan [verweerder] ervoor heeft betaald en ook die meerwaarde in mindering dient te worden gebracht op een eventuele regresvordering;
Volledigheidshalve zij nog het volgende opgemerkt. Zoals gezegd is het pand na toestemming van de voorzieningenrechter onderhands verkocht voor € 900.000,--. Als [eiser] bezwaar had willen maken tegen die prijs, had hij in die procedure, waar hij als belanghebbende was opgeroepen, moeten verschijnen. [14] Aan een beroep op verrekening kan de rechter voorbij gaan indien de gegrondheid van dat verweer niet op eenvoudige wijze valt vast te stellen (art. 6:136 BW Pro). Dat is hier het geval: niet duidelijk is op welke tegenvordering(en) [eiser] zich precies beroept. In rov. 3.6.11 heeft het hof overigens overwogen dat [eiser] de in verband met het Faxx-gebouw gemaakte kosten onvoldoende heeft onderbouwd om een verrekenbare tegenvordering te hebben jegens [verweerder] .
Dat in het geval van het pand aan de [a-straat] ook sprake is van een gemeenschap, is door [eiser] voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd. Dit is te laat, zodat het hof aan dat verweer - wat daar verder ook van zij - voorbij kon gaan.