Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
welkevan deze feiten en omstandigheden voor risico van [verzoeker] komen en ook niet om welke reden dat zo zou zijn.
bevoegdheidkan worden afgeleid en op de aanwezigheid
van die bevoegdheidmocht worden vertrouwd. Het subonderdeel wijst erop dat het hof in rov. 3.7 (slechts) heeft geoordeeld dat naar verkeersopvattingen de schijn werd gewekt dat mr. De Wit [verzoeker] ter zake de verkoop vertegenwoordigde en dat [betrokkene 3] daarop mocht vertrouwen: het hof heeft niets gezegd over de
bevoegdheidvan mr. De Wit om [verzoeker] te vertegenwoordigen.
bevoegdheid: die stond tussen partijen ter discussie, niet het feit dat mr. De Wit zich in de onderhandelingen heeft gedragen als een vertegenwoordiger van [verzoeker]. Dat het hof een toereikende schijn van vertegenwoordigings
bevoegdheidvoor ogen heeft gehad, volgt bovendien uit de (reeds geciteerde) passage in rov. 3.9, waarin het hof uitdrukkelijk over de schijn van vertegenwoordigings
bevoegdheidspreekt.
heeftvertrouwd dat [verzoeker] aan mr. De Wit een toereikende volmacht had verleend. Het hof zou in rov. 3.7 slechts (normatief) hebben vastgesteld dat [betrokkene 3] (en daarmee [verweerder]) daarop
mochtvertrouwen. Subsidiair wordt hieraan een motiveringsklacht verbonden [4] .
mochtvertrouwen dat [verzoeker] aan mr. De Wit een toereikende volmacht had verleend, maar ook aangenomen dat [betrokkene 3] (en daarmee: [verweerder]) dit feitelijk
heeftgedaan. Wederom zij verwezen naar rov. 3.9, waarin het hof overweegt dat ‘(…) zoals in dit geval, de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd (…)’. Hetzelfde geldt ten aanzien van
subonderdeel 1.4, waarin [verzoeker] klaagt dat het in rov. 3.8 vervatte oordeel dat het handelen van mr. De Wit aan hem kan worden toegerekend, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu de enkele omstandigheid dat een wederpartij mocht vertrouwen op vertegenwoordiging niet ertoe leidt dat degene in wiens naam een rechtshandeling is verricht geen beroep meer kan doen op het ontbreken van een voor die vertegenwoordigingshandeling toereikende volmacht. Uit de daaraan voorafgaande overwegingen volgt waarop de gevolgtrekking in rov. 3.8 is gebaseerd. Onderdeel 1 faalt.