Conclusie
- i) Kogra, waarvan [betrokkene] bestuurder en aandeelhouder is, en [verweerder] hebben eerst op 1 september 2009 maar daarna opnieuw op 21 oktober 2009 een huurkoopovereenkomst afgesloten met betrekking tot een horecabedrijf te Den Haag, met in begrip van de daarbij horende goodwill, handelsnaam en inventaris. De overeengekomen huurkoopsom diende voor een gedeelte in de vorm van een som ineens te worden voldaan en voor het overige in 28 maandtermijnen van € 6000,-. Voor overname van courante voorraden was [verweerder] een bedrag van € 5.000,- verschuldigd.
- ii) Partijen zijn tevens met elkaar een overeenkomst van onderhuur aangegaan met betrekking tot het pand, waarin het horecabedrijf werd uitgeoefend. De overeengekomen maandelijkse huursom bedroeg € 3.317,14 en de door [verweerder] in termijnen aan Kogra te betalen waarborgsom € 10.000,-. De laatste termijn van € 4000,- diende uiterlijk op 1 januari 2010 te zijn betaald.
- iii) In een verklaring d.d. 6 oktober 2009 staat vermeld dat de – op naam van [betrokkene] staande en aan zijn bankrekening gekoppelde – pin-/creditcard-apparatuur aan [verweerder] wordt overgedragen wanneer de waarborgsom ter zake van de huur en de overname van de voorraad is betaald, dat tot die tijd de beschikking over en de mogelijkheid tot betaling bij [betrokkene] blijft en dat de kasopbrengst bij [betrokkene] blijft totdat het contract is opgesteld.
- iv) Het restaurant is, na een controle op 18 december 2009, wegens het ontbreken van de vereiste vergunningen op last van de gemeente op 23 december 2009 gesloten.
- v) Op 2 juni 2010 is het huurpand op grond van een tussen partijen op 21 april 2010 gewezen verstekvonnis ontruimd. Het restaurant is in de periode juni 2010 tot 19 september 2010 gesloten geweest.
- i) ontbinding van de huurkoopovereenkomst per 1 mei 2010 met het bevel aan [verweerder] om al hetgeen hem in huurkoop is overgedragen aan Kogra terug te geven c.q. ter beschikking te stellen;
- ii) ontbinding van de huurovereenkomst per 1 juni 2010 met een veroordeling van [verweerder] om binnen drie dagen na betekening van het vonnis het horecapand te ontruimen;
- iii) veroordeling van [verweerder] om aan Kogra te betalen onder meer de maandelijks verschuldigde huurkooptermijnen ad € 6.000,00 (tot en met april 2010), te vermeerderen met 2% rente te betalen vanaf 1 november 2009, en de huurtermijnen ad € 3.317,14 per maand vanaf 1 april 2010 tot de feitelijke ontruiming.
( [3] )In genoemd bedrag zijn opgenomen een bedrag van € 60.000,- dat [verweerder] stelt aan Kogra te hebben betaald als aanbetaling op de huurkoopprijs, en een bedrag van € 51.000,- dat betrekking heeft op de omzet van het horecabedrijf in de maanden september en oktober 2009 en door Kogra is geïnd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 2.1.1-iwordt erover geklaagd dat het hof geen aandacht heeft geschonken aan de grondslag van de ontbinding van de huurkoop- en onderhuurovereenkomst. Betoogd wordt dat Kogra als grondslag voor de ontbinding een toerekenbaar tekortschieten van [verweerder] heeft aangevoerd. Het hof had hieromtrent een beslissing moeten geven, althans het hof heeft nagelaten inzicht in zijn gedachtengang hieromtrent te geven.
subonderdeel 2.1.1-iihoudt in dat hof, hoewel het uitgaat van een ontbinding per 11 februari 2011, de verplichting van [verweerder] tot het betalen van een ongedaanmakingsvergoeding voor het genot dat hij van het restaurant heeft gehad zonder nadere motivering per juni 2010 laat stoppen. Dit oordeel getuigt, zo wordt gesteld, van een onjuiste rechtsopvatting en is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Immers, zo wordt betoogd, als de overeenkomst wordt ontbonden vervallen alleen de verbintenissen voor de toekomst, dus de verplichting om een huur- en huurkoopsom te betalen. De verbintenissen die tot die tijd hebben gegolden, blijven onaangetast. Het hof had dus moeten beslissen over de periode van juni 2010 tot februari 2011.
( [4] )
subonderdeel 2.1.2-i t/m viizijn een aantal klachten opgenomen die op het volgende betrekking hebben. In rov. 3.2 stelt het hof vast dat [verweerder] in verband met de huurkoop een bedrag van € 60.000,- aan Kogra heeft betaald en dat dit bedrag ingevolge de ontbinding van de huurkoopovereenkomst weer aan [verweerder] moet worden terugbetaald. Maar in rov. 3.4 geeft het hof te kennen dat bij de gehoudenheid tot terugbetalen van dit bedrag rekening moet worden gehouden met het gegeven dat [verweerder] gedurende de periode oktober 2009 tot en met mei 2010 de mogelijkheid heeft gehad het restaurant te exploiteren en dat hij in verband hiermee uit hoofde van diens ongedaanmakingsverplichting aan Kogra een vergoeding dient te betalen. Omtrent die vergoeding heeft Kogra in haar memorie van grieven, sub 43 opgemerkt:
“Dit houdt in dat die € 60.000,- moet worden gedeeld door 30 maanden (2,5 jaar), hetgeen neerkomt op een bedrag van € 2.000,- per maand. Dit vermenigvuldigd met 8 maanden (oktober 2009 t/m mei 2010), komt neer op een bedrag van € 16.000,- (8 x €2.000,-).”In zijn memorie van antwoord bestrijdt [verweerder] sub 27 deze berekening van Kogra van de vergoeding. Deze bestrijding komt hierop neer dat de looptijd van de tussen partijen gesloten huurkoopovereenkomst dient te worden aangehouden en dat die looptijd 27 maanden (te weten van 1 oktober 2009 tot 1 januari 2012) bedraagt. Uit de in appel overgelegde Pleitnotities en het proces-verbaal van de pleidooizitting valt af te leiden dat dit thema tijdens het pleidooi in appel door partijen niet opnieuw is aangesneden. Het hof volgt een andere weg bij de bepaling van de vergoeding. Het hof neemt tot uitgangspunt de waarde van het horecabedrijf, welke waarde het hof vaststelt op € 195.000,-. Daarop laat het hof volgen:
“Uitgaande van genoemde waarde van het horecabedrijf van € 195.000,-, een (niet onredelijk) rendement van 10 procent per jaar en een gebruik van acht maanden komt het hof uit op een bedrag van € 13.000,00.”Een en ander voert het hof tot de conclusie dat op Kogra uit hoofde van de ongedaanmakingsverplichting ter zake van de ontvangen € 60.000,- per saldo een verplichting tot terugbetaling van € 47.000,- aan [verweerder] rust.
subonderdeel 2.1.2-iwordt tegen ’s hofs bepaling van de aan Kogra toekomende vergoeding voor het in staat stellen van [verweerder] om van het horecabedrijf gedurende de maanden oktober 2009 tot en met mei 2010 gebruik te maken aangevoerd dat het hof daarmee buiten het debat van partijen is getreden. In dat verband wordt onder meer er op gewezen dat in de stukken van beide partijen geen stellingen voorkomen omtrent het door het hof aangehouden rendement van 10% per jaar. De klacht komt gegrond voor. Over de hoogte van de vergoeding is tussen partijen niet gedebatteerd op de voet als het hof doet. De vaststelling van de hoogte van de vergoeding door het hof is niet het resultaat van aanvulling van het recht krachtens artikel 25 Rv Pro. Met het aanhouden van met name een rendement van 10% per jaar vult het hof een niet door beide partijen gesteld feit aan.
subonderdelen 2.1.2-viii en ixworden hiertegen klachten gericht.
( [5] )vergoeding voor de volgens Kogra op 2 juni 2010 mede door een deurwaarder geconstateerde schade aan de door Kogra aan [verweerder] ter beschikking gestelde inboedel en inventaris (ad € 15.345,-), voor de kosten van de deurwaarder in verband met de ontruiming en de constatering van de schade (ad € 875,-), voor de kosten van de na de ontruiming met betrekking tot het horecabedrijfs-ruimte uitgevoerde herstelwerkzaamheden (ad € 15.000,-), alsmede voor het moeten doorbetalen van huur aan de hoofdverhuurder (ad € 10.000,-) en het derven van omzet (ad € 21.000,-) in de periode juni tot 16 september 2010, in welke periode het horecabedrijf mede als gevolg van de herstelwerkzaamheden niet kon worden uitgeoefend. Deze vorderingen heeft de kantonrechter in zijn eindvonnis d.d. 1 maart 2011 als te laat ingesteld buiten behandeling gelaten. Hiertegen is Kogra in appel opgekomen. In het kader van grief V worden de schadevorderingen weer aan de orde gesteld. In rov. 3.11 van zijn arrest oordeelt het hof de vorderingen van Kogra niet toewijsbaar. Dat oordeel baseert het hof hierop, kort gezegd, dat Kogra – gelet op de betwisting van [verweerder] – nagelaten heeft nader te onderbouwen dat de door haar gestelde schade door toedoen van [verweerder] is ontstaan. Onderdeel 2.2 is goeddeels gewijd aan de bestrijding van rov. 3.11.
subonderdeel 2.2.1 onder aheeft alleen betrekking op de vordering van Kogra tot vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van beschadiging en vermissing van inboedel- en inventarisgoederen, die zij op grond van de huurkoop-overeenkomst aan [verweerder] ter beschikking had gesteld. In subonderdeel 2.2.1 sub a wordt immers meer malen alleen gerept van ‘roerende zaken, inboedel en inventaris’. Dat er schade van dergelijke aard is ontstaan, acht het hof door Kogra aangetoond. In de kern genomen houdt de klacht het volgende in. Het hof heeft ten onrechte in de betwisting van [verweerder] dat hij de schade heeft veroorzaakt, een reden gezien om te oordelen dat Kogra nader had moeten onderbouwen dat de schade als gevolg van de beschadiging en vermissing van ter beschikking gestelde inboedel- en inventarisgoederen door [verweerder] is veroorzaakt. Daarmee miskent het hof, zo wordt betoogd, dat [verweerder] uit hoofde van diens uit de ontbinding van de huurkoop voortvloeiende ongedaanmakingsverplichting gehouden is de van Kogra ontvangen inboedel- en inventarisgoederen terug te geven in de staat waarin deze goederen verkeerden toen hij ze ontving. En in dat kader is het niet aan Kogra om aan te tonen dat de gebleken beschadiging en vermissing van terug te geven goederen door [verweerder] is veroorzaakt, maar dient – tot op het bewijs door [verweerder] van het tegendeel – te worden aangenomen dat de beschadiging en vermissing, waarvan blijkt, hebben plaatsgevonden door zijn toedoen of onder zijn verantwoordelijkheid.
( [6] )Het bewijs van dit bevrijdend verweer zal de tot teruggave verplichte partij echter niet hoeven te leveren, indien er al zodanige feiten en omstandigheden vaststaan dat op grond daarvan voorshands valt aan te nemen dat het niet kunnen teruggeven van de goederen in de staat ten tijde van de terbeschikkingstelling is toe te schrijven aan feiten en omstandigheden die haar niet zijn toe te rekenen.
“nu volgens haar eigen stelling het restaurant van december 2009 tot en met 2 juni 2010 (door toedoen van [verweerder]) gesloten is geweest en [verweerder] onbetwist heeft gesteld dat [betrokkene] nog steeds beschikte over de sleutels van het pand.”Hiermee lijk het hof te suggereren dat de veroorzaking van de schade ook wel eens gezocht zou kunnen worden in de hoek van Kogra zelf. Maar die suggestie is, naar het voorkomt, niet voldoende om reeds als vaststaand aan te nemen dat de schade het gevolg is van omstandigheden, die niet aan [verweerder] zijn toe te rekenen. De sluiting van het restaurant vanaf december 2009 betekent niet dat inboedel- en inventarisgoederen niet reeds voordien zijn beschadigd geraakt of uit het pand zijn gehaald. Die sluiting betekent ook niet dat [verweerder] of andere personen, voor wie Kogra niet verantwoordelijk is te houden, niet in het horecapand hebben kunnen komen. Verder is niet gebleken dat Kogra er belang bij had om inboedel- en inventarisgoederen te beschadigen of weg te halen en ook is niet gebleken dat dat beschadigen en weghalen is verricht door personen, wier handelen aan Kogra valt toe te rekenen.
subonderdeel 2.2.1 onder b en ckomen hierop neer dat het hof de schadevorderingen ter zake van de inboedel- en inventarisgoederen, die Kogra aan [verweerder] ter beschikking had gesteld ten behoeve van de uitoefening door hem van het horecabedrijf, de kosten van de herstelwerkzaamheden en de omzetderving ten onrechte heeft afgewezen door te hoge eisen aan de stelplicht van Kogra te stellen en daarmee aan haar de mogelijkheid te onthouden om bewijs van haar stellingen inzake de schade te leveren.
( [7] )
subonderdeel 2.2.2wordt, vanuit de veronderstelling dat één of meer klachten uit subonderdeel 2.2.1 slagen, gesteld dat evenmin stand kan houden ’s hofs oordeel in rov. 3.6 dat er niets te verrekenen valt met de door Kogra aan [verweerder] terug te betalen borgsom van € 10.000,-.
( [8] )Na die vaststelling volgt de overweging:
“Gelet hierop had het op de weg van Kogra gelegen haar betwisting nader te onderbouwen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Het door [verweerder] gevorderde bedrag is derhalve in beginsel toewijsbaar, tenzij het verrekeningsverweer van Kogra slaagt.”Wat dat verweer betreft, oordeelt het hof dat het verweer niet opgaat voor zover het betrekking heeft op betalingen waarvan Kogra stelt dat zij door haar ten behoeve van de bedrijfsvoering van het restaurant zijn gedaan, maar dat het wel terecht wordt gevoerd voor zover Kogra zich op verrekening met huurtermijnen beroept. [verweerder] heeft immers bij pleidooi erkend dat de eerste huurtermijnen, te weten de eerste vijf termijnen van in totaal € 16.585,70, op de pinontvangsten zijn ingehouden. Op grond van een en ander acht het hof de omzetvordering van [verweerder] toewijsbaar voor een bedrag van € 34.271,65. In onderdeel 2.3 worden klachten tegen de beoordeling door het hof van de omzetvordering van [verweerder] aangevoerd.
subonderdeel 2.3.1wordt betoogd dat Kogra, anders dan het hof in rov. 3.16 overweegt, de vordering van [verweerder] inzake de door Kogra geïnde omzet over de maanden september en oktober 2009 wel degelijk inhoudelijk – dus voor wat de hoogte betreft – heeft betwist. Zij heeft ontkend dat ook de kasbetalingen aan Kogra/[betrokkene] ten goede zijn gekomen. Voor die ontkenning wordt in subonderdeel 2.3.1 verwezen naar het proces-verbaal van de pleidooizitting bij het hof, blz. 4 derde gedachtestreepje van onderen. Daar staat als uitlating van de raadsman van Kogra vermeld:
“Dat wij ons de kasopbrengsten zouden hebben toegeëigend is niet waar.”In
subonderdeel 2.3.2wordt de klacht in subonderdeel 2.3.1 nader uitgewerkt. Geciteerd wordt een verklaring van de raadsman van [verweerder] die op blz. 2 tweede gedachtestreepje van genoemd proces-verbaal is te vinden en luidt:
“De kasopbrengst kon vanaf 15 september 2009 niet langer naar [betrokkene] gaan, omdat de sleutel bij [verweerder] terecht was gekomen.”Verder wordt nog erop gewezen dat [betrokkene] tijdens het pleidooi heeft verklaard dat hij de pin-betalingen op zijn rekening liet betalen; (zie het proces-verbaal, blz. 4 op één na laatste gedachtestreepje).
“Het is aan Kogra, die zich beroept op de verrekening, te stellen en, gelet op de betwisting van [verweerder]( [9] ), te bewijzen dat hij betalingen heeft gedaan die met de vordering van [verweerder] kan verrekenen. Uit de bankafschriften blijkt zonder toelichting, die ontbreekt, niet dat er kosten zijn betaald die deels terug te voeren zijn op de bedrijfsvoering van het restaurant. Ook zijn er geen facturen in het geding gebracht. Van verrekening kan dan ook geen sprake zijn.”Een en ander komt hierop neer dat het hof het beroep van Kogra op verrekening afwijst, omdat het bij gebreke van een toelichting op de bankafschriften niet aangetoond acht dat de betalingen, waarop Kogra zich beroept, betrekking hadden op de bedrijfsvoering van het restaurant van [verweerder].
“Verwezen wordt naar onderdeel 2.2.1 sub c dat hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
”In subonderdeel 2.2.1 sub c wordt geklaagd over het hanteren door het hof van een te zware maatstaf voor de beoordeling of aan de stelplicht is voldaan ten einde tot bewijslevering te kunnen worden toegelaten. Indien met de verwijzing naar onderdeel 2.2.1. sub c inderdaad beoogd wordt deze klacht ook in subonderdeel 2.3.3 naar voren te brengen, zal de klacht hier Kogra niet kunnen baten. Kogra heeft ten aanzien van de aard van de betalingen geen bewijsaanbod gedaan. Integendeel, in haar memorie van antwoord in het incidenteel beroep betoogt zij sub 27:
“Daarnaast betwist Kogra dat het aan haar is om aan te tonen welke facturen zij zou hebben betaald (zie randnummer 70 incidentele memorie)’ ensub 28:
“Voor wat betreft de bewijslastverdeling merkt Kogra nog op (dat) het [verweerder] is die stelt dat sprake is van een vordering die neerkomt op € 50.857,35. Het is dus aan [verweerder] om deze vordering aan te tonen. In dat verband is het Kogra een raadsel waarop [verweerder] baseert dat het aan Kogra ‘als meest gerede partij’ is om aan te tonen welke facturen door haar betaald zouden zijn.”Op dit standpunt is Kogra nadien niet teruggekomen.