ECLI:NL:PHR:2016:1137

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2016
Publicatiedatum
15 november 2016
Zaaknummer
16/02061
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 UitleveringswetArt. 11b OpiumwetArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve vernietiging uitleveringsuitspraak wegens onduidelijke feitomschrijving en herkwalificatie naar Nederlands recht

De rechtbank Rotterdam verklaarde de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Servië toelaatbaar ter strafvervolging voor feiten die in het uitleveringsverzoek niet duidelijk waren omschreven. De Hoge Raad constateerde dat noch het uitleveringsverzoek noch de bestreden uitspraak een voldoende duidelijke feitomschrijving bevatte, wat vereist is op grond van art. 28, derde lid, Uitleveringswet.

De feiten betreffen deelname aan een criminele organisatie die synthetische drugs (Ecstasy en cocaïne) in Nederland aankoopt en naar Servië transporteert en verkoopt. De rechtbank kwalificeerde deze feiten naar Nederlands recht als overtreding van diverse artikelen van de Opiumwet, maar verzuimde de feiten ook te kwalificeren als overtreding van art. 11b Opiumwet, dat deelname aan een criminele organisatie strafbaar stelt.

De Hoge Raad herstelt dit verzuim door de uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de feiten zoals uiteengezet in de bijlagen bij het verzoek en voegt de kwalificatie van art. 11b Opiumwet toe. De overige middelen van cassatie worden verworpen, onder meer omdat het beroep op intrekking van de dagvaarding niet ontvankelijk is in cassatie en onvoldoende gemotiveerd.

De uitspraak benadrukt het belang van een duidelijke feitomschrijving in uitleveringszaken en bevestigt dat de Hoge Raad ambtshalve kan ingrijpen bij dergelijke procedurele tekortkomingen. De uitlevering wordt daarmee toegestaan voor de strafbare feiten zoals nader gespecificeerd en gekwalificeerd.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt ambtshalve het vonnis voor de feitomschrijving en kwalificatie en verklaart de uitlevering toelaatbaar met toevoeging van art. 11b Opiumwet.

Conclusie

Nr. 16/02061 U
Zitting: 11 oktober 2016
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[de opgeëiste persoon]
1. Bij beslissing van 7 april 2016 heeft de rechtbank Rotterdam de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Republiek Servië toelaatbaar verklaard ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten “
omschreven in het uitleveringsverzoek”. In het uitleveringsverzoek zijn echter geen feiten omschreven. Wel wordt in het uitleveringsverzoek verwezen naar de “
Order for Investigation of the Prosecutor’s Office for Organized Crime KTI 37/15 from 15.12.2015” die onder I en II een uiteenzetting van feiten bevat. Het gaat, kort gezegd, om het deelnemen aan een organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven, te weten het in Nederland kopen van Ecstasy en cocaïne teneinde het een en ander uit Nederland uit te voeren en Servië in te voeren. De feiten zijn door de rechtbank naar Nederlands recht gekwalificeerd als overtreding van de artikelen 2, onder A, B en C, en 10 Opiumwet alsmede het voorbereiden of bevorderen daarvan als bedoeld in artikel 10a en 10, vierde en vijfde lid, Opiumwet. Op beide punten – de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, en de kwalificatie van die feiten naar Nederlands recht – kom ik ambtshalve terug.
2. De opgeëiste persoon heeft beroep in cassatie doen instellen. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. M.P. Hilhorst, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelbehelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd “
heeft aangenomen dat [de opgeëiste persoon] door de uitlevering niet wordt blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge het EVRM […] toekomend recht.”
4. Het middel gaat eraan voorbij dat de rechtbank ook heeft overwogen “
dat niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro ten dienste staat, wanneer een zodanige inbreuk zou plaatsvinden.” De rechtbank heeft het verweer op goede gronden verworpen. Het middel faalt.
5. Het
tweede middelbehelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft overwogen “
dat het lopende onderzoek en de vervolging geen belemmering zou zijn voor de uitlevering”. Hiertoe wordt een beroep gedaan op het intrekken van de dagvaarding op grond waarvan [de opgeëiste persoon] ter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam had moeten verschijnen om terecht te staan wegens, zoals het zich laat aanzien, dezelfde feiten als waarvoor diens uitlevering is verzocht.
6. Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat uit het proces-verbaal van de zitting niet kan blijken dat aldaar is aangevoerd dat de dagvaarding is ingetrokken of een document is overgelegd waaruit dat zou kunnen blijken. In cassatie kan niet met succes voor het eerst een beroep worden gedaan op dergelijke feiten. Om die reden faalt het middel reeds.
7. Hieraan doet niet af dat in cassatie alsnog een afschrift van de brief d.d. 11 maart 2016 wordt overgelegd, waarin namens de officier van justitie wordt medegedeeld dat de dagvaarding is ingetrokken. De Hoge Raad kan als cassatierechter niet over de feiten oordelen en het kennisnemen ervan vergt een feitelijk oordeel. In zoverre merk ik ten overvloede op dat het middel berust op de opvatting dat de vervolging is gestaakt doordat de dagvaarding is ingetrokken. Die opvatting is onjuist. Voor zover het middel zou bedoelen te betogen dat met het intrekken van de dagvaarding hernieuwde vervolging is uitgesloten, faalt het eveneens omdat hernieuwde vervolging in dit verband alleen is uitgesloten in de gevallen genoemd in artikel 9, eerste lid onder b, Uitleveringswet, en daaronder is niet het intrekken van de dagvaarding begrepen.
8. Het middel faalt.
9. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
10. Ambtshalve wijs ik op het volgende. De rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard ter zake van de feiten “
omschreven in het uitleveringsverzoek”. Daarmee heeft de rechtbank niet voldaan aan de eis om de feiten voldoende duidelijk te specificeren. Het uitleveringsverzoek bevat namelijk geen uiteenzetting van de feiten. Die is wel te vinden in de “
Order for Investigation of the Prosecutor’s Office for Organized Crime KTI 37/15 from 15.12.2015” dat door de verzoekende staat is overgelegd ter staving van het uitleveringsverzoek en waarnaar in het uitleveringsverzoek wordt verwezen. De rechtbank heeft klaarblijkelijk bedoeld de uitlevering toelaatbaar te verklaren ter zake van de feiten die daarin onder I en II zijn uiteengezet.
11. In de “
Order for Investigation of the Prosecutor’s Office for Organized Crime KTI 37/15 from 15.12.2015” zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, onder I en II als volgt uiteengezet:
I.
That on an unknown date within the period from the beginning of 2015 until 10.12.2015, in Belgrade Serbia and in the Kingdom of Netherlands, unknown person ‘[betrokkene 1]’ and suspected [de opgeëiste persoon] have formed an organized criminal group, whose member was also the suspected [betrokkene 2], for purpose of commission of criminal offence Unlawful Production and Circulation of Narcotics from Article 246 paragraph 4 in relation with paragraph 1 of Criminal Code punishable by imprisonment of 10 (ten) years minimum. They were aware of their act, that it is forbidden by the law, but they wanted to commit it, and they acted in agreement with the aim to obtain unlawful financial gain. They were unlawfully purchasing at the territory of the Kingdom of Netherlands, synthetic narcotics — amphetamine 3,4 methylene-dioxy-amphetamine (Ecstasy) and semi-synthetic narcotic cocaine, for purpose of further circulation and selling at the territory of the Republic of Serbia, in such way that they agreed on the joint purchase, transportation and selling of synthetic narcotics — amphetamine 3,4 methylene-dioxy-amphetamine (Ecstasy) and semi synthetic narcotic cocaine, from the territory of the Kingdom of Netherlands to the territory of the Republic of Serbia. Unknown person ‘[betrokkene 1]’ was financing and organizing purchase of narcotics at the territory of Netherlands, and the suspected [de opgeëiste persoon] was taking over the narcotics and he engaged truck driver, the suspected [betrokkene 2], for transportation of narcotics to Serbia. [betrokkene 2] was engaged in legal loading of cargo for transportation from Netherlands to Serbia, and they were planning to hide narcotics in cavities of the truck and drive it together with the legal cargo to Serbia, where [de opgeëiste persoon] was taking it over again for further selling at the territory of Serbia.

II.

That on an unknown date within the period from the beginning of 2015 until 10.12.2015, in Belgrade Serbia and in the Kingdom of Netherlands, within the organized criminal group described in item 1 here, aware of their act, that it is forbidden by the law, but they wanted to commit it, they have unlawfully purchased narcotics, synthetic narcotics — amphetamine 3,4 methylene-dioxy-amphetamine (Ecstasy) and semi-synthetic narcotic cocaine, in total net quantity of 6.908,7 grams, in the Kingdom of Netherlands and transported it to the Republic of Serbia for further selling, in such way:
- Unknown person with nick name ‘[betrokkene 1]’ has purchased the mentioned quantity of narcotics in the Kingdom of Netherlands, then he handed it over to the suspected [de opgeëiste persoon], who travelled to Netherlands for that purpose and who has engaged the truck driver, the suspected [betrokkene 2], who is a legal transporter of onion, and who is driving cargo vehicle “Mercedes Actros”, red color, with registration plates [AA-00-BB], and they agreed to hide the narcotics in cavity of the truck and to drive it to Serbia together with legal cargo. In the period from 08.12 to 10.12.2015 they had intensive telephone communication with SMS messages from telephone number [001] used by the suspected [betrokkene 2] to telephone number [002] used by the suspected [de opgeëiste persoon], who has informed [de opgeëiste persoon] that he was arriving to Netherlands to load goods for transportation to Serbia, and they agreed to meet on 10.12 in the afternoon at the address [adres] Gravenpolder, where they were supposed to put the goods in the cargo vehicle. By action the Dutch police on 10.12.2015 at 12:27 h, in Gravenpolder, the suspected [de opgeëiste persoon], who was driving ‘Volkswagen Passat’ with registration plates [CC-00-DD] was stopped while we was driving toward the agreed location, and the police has found in the car a bag with seven packages plastered with the scotch tape, net weight 6.908,7 grams: 3.665 grams of amphetamine, 2.250,8 grams of MDMA and 992,9 grams of cocaine, and on the same day at 12.35 h [betrokkene 2] was also arrested when he was waiting for the suspected [de opgeëiste persoon] at the agreed address in Gravenpolder.
- They would have committed by that the offence of Criminal Alliance from Article 346 paragraph 5 in relation with paragraph 2 of Criminal Code in concurrence with the offence Unlawful Production and Circulation of Narcotics from Article 246 paragraph 4 in relation with paragraph 1 of Criminal Code.
12. Voorts heeft de rechtbank de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard naar Nederlands recht gekwalificeerd als overtreding van de artikelen 2, onder A, B en C, 10 en 10a Opiumwet. De uitlevering is echter ook gevraagd ter zake van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Dat blijkt uit de uiteenzetting van de feiten, in het bijzonder uit de slotsom ervan, en uit de omstandigheid dat de verzoekende staat de tekst van artikel 346, tweede en vijfde lid, van het Servische strafwetboek heeft overgelegd, waarin – kort gezegd – strafbaar is gesteld het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van ernstige misdrijven. Gelet hierop heeft de rechtbank kennelijk verzuimd de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht ook te kwalificeren als overtreding van artikel 11b Opiumwet.
13. De Hoge Raad kan zelf doen wat de rechtbank had behoren te doen.
14. Deze conclusie strekt tot
- vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard en de kwalificatie van die feiten naar Nederlands recht,
- tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering ter fine van vervolging ter zake van de feiten zoals die onder I en II uiteen zijn gezet in de “
Order for Investigation of the Prosecutor’s Office for Organized Crime KTI 37/15 from 15.12.2015”,
- tot toevoeging van artikel 11b Opiumwet als grondslag voor de strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht,
- en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG