Conclusie
omschreven in het uitleveringsverzoek”. In het uitleveringsverzoek zijn echter geen feiten omschreven. Wel wordt in het uitleveringsverzoek verwezen naar de “
Order for Investigation of the Prosecutor’s Office for Organized Crime KTI 37/15 from 15.12.2015” die onder I en II een uiteenzetting van feiten bevat. Het gaat, kort gezegd, om het deelnemen aan een organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven, te weten het in Nederland kopen van Ecstasy en cocaïne teneinde het een en ander uit Nederland uit te voeren en Servië in te voeren. De feiten zijn door de rechtbank naar Nederlands recht gekwalificeerd als overtreding van de artikelen 2, onder A, B en C, en 10 Opiumwet alsmede het voorbereiden of bevorderen daarvan als bedoeld in artikel 10a en 10, vierde en vijfde lid, Opiumwet. Op beide punten – de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, en de kwalificatie van die feiten naar Nederlands recht – kom ik ambtshalve terug.
eerste middelbehelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd “
heeft aangenomen dat [de opgeëiste persoon] door de uitlevering niet wordt blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge het EVRM […] toekomend recht.”
dat niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro ten dienste staat, wanneer een zodanige inbreuk zou plaatsvinden.” De rechtbank heeft het verweer op goede gronden verworpen. Het middel faalt.
tweede middelbehelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft overwogen “
dat het lopende onderzoek en de vervolging geen belemmering zou zijn voor de uitlevering”. Hiertoe wordt een beroep gedaan op het intrekken van de dagvaarding op grond waarvan [de opgeëiste persoon] ter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam had moeten verschijnen om terecht te staan wegens, zoals het zich laat aanzien, dezelfde feiten als waarvoor diens uitlevering is verzocht.
omschreven in het uitleveringsverzoek”. Daarmee heeft de rechtbank niet voldaan aan de eis om de feiten voldoende duidelijk te specificeren. Het uitleveringsverzoek bevat namelijk geen uiteenzetting van de feiten. Die is wel te vinden in de “
Order for Investigation of the Prosecutor’s Office for Organized Crime KTI 37/15 from 15.12.2015” dat door de verzoekende staat is overgelegd ter staving van het uitleveringsverzoek en waarnaar in het uitleveringsverzoek wordt verwezen. De rechtbank heeft klaarblijkelijk bedoeld de uitlevering toelaatbaar te verklaren ter zake van de feiten die daarin onder I en II zijn uiteengezet.
Order for Investigation of the Prosecutor’s Office for Organized Crime KTI 37/15 from 15.12.2015” zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, onder I en II als volgt uiteengezet:
II.
Order for Investigation of the Prosecutor’s Office for Organized Crime KTI 37/15 from 15.12.2015”,