Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
destijdsin redelijkheid heeft kunnen besluiten tot tenuitvoerlegging van de dwangbevelen over te gaan. Volgens eisers had het hof, gelet op het arrest HR 13 januari 1995, NJ 1997/366, (ook) behoren te onderzoeken of de aanslagen waarvan de invordering plaatsvond,
uiteindelijk“overeind zijn gebleven”: de Ontvanger handelt onrechtmatig indien de belastingaanslag waarvoor het dwangbevel is uitgevaardigd wordt vernietigd, ook al was de Ontvanger op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht overtuigd.
geheelongegrond blijkt [13] . In deze zaak staat niet ter discussie dat de belastingvorderingen (aanslagen) die aan het beslag ten grondslag zijn gelegd, deels nog door eisers moeten worden voldaan (vgl. rov. 3.2). Ook in zoverre zoekt de klacht tevergeefs aansluiting bij voornoemd arrest van 13 januari 1995.
onderdelen 1.2 – 1.4monden uit in de klacht dat het oordeel rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is, omdat vast beleid is dat de Ontvanger geen onherroepelijke invorderingsmaatregelen treft voor
betwisteaanslagen (gelet op art. 25.2.6 Leidraad Invordering 2008). In dit geval werden de aanslagen door eisers betwist. De executoriale verkoop van een woning is een onherroepelijke invorderingsmaatregel.
allebetrokken belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Het hof zou deze regel hebben miskend, dan wel onvoldoende inzicht hebben gegeven in zijn gedachtegang. Volgens de toelichting op deze klacht heeft het hof slechts twee omstandigheden in zijn belangenafweging betrokken, te weten (i) de omstandigheid dat de Ontvanger aan eisers voldoende gelegenheid heeft gegeven om de woning onderhands te verkopen, en (ii) de omstandigheid dat ook na ambtshalve vermindering van de aanslagen, de openstaande schuld niet wordt voldaan.
Onderdeel 2.2sluit hierbij aan met de klacht dat de eerstgenoemde omstandigheid een verkeerde voorstelling van zaken behelst, nu de geplande executoriale verkoop op 5 oktober 2011 niet als een door de Ontvanger aan eisers geboden gelegenheid, maar als gevolg van het tegen de executie ingestelde verzet geen doorgang heeft gevonden.
dateisers niet erin zijn geslaagd de woning onderhands te verkopen; ongeacht de oorzaak ervan. In het betoog van eisers lag de nadruk erop dat een onderhandse verkoop de voorkeur had boven de voorgenomen executoriale verkoop en dat het onredelijk is dat de Ontvanger die voorkeur niet volgt. De kern van de bestreden overweging is dat een onderhandse verkoop ten tijde van ’s hofs beslissing niet (of niet langer) als een redelijkerwijs te verwachten mogelijkheid moet worden gezien. In die redenering is minder van belang hoe, en op welke tijdstippen, eisers door de Ontvanger tot onderhandse verkoop in de gelegenheid zijn gesteld.
- de omstandigheid dat de materiële verschuldigdheid van de aanslagen na ambtshalve vermindering slechts “een fractie” betrof van de aanslagen waarvoor de Ontvanger in eerste instantie beslag had gelegd op de woning;
- de omstandigheid dat de Ontvanger, gelet op het arrest HR 13 januari 1995, NJ 1997/366, onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te leggen, terwijl een groot deel van de aanslagen niet overeind is gebleven;
- dat door het onrechtmatig handelen van de Ontvanger een ‘veel moeilijker’ uitgangssituatie voor eisers is ontstaan.
fair play-beginsel. Voor zover de klacht op de gedachte berust dat een executoriale verkoop steeds tot een lagere opbrengst leidt dan een onderhandse verkoop, is deze gedachte in hoger beroep niet uitgewerkt in een of meer concrete stellingen waarop het hof had kunnen reageren. De slotsom is dat onderdeel 2 niet tot cassatie leidt.