ECLI:NL:PHR:2016:1151

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2016
Publicatiedatum
22 november 2016
Zaaknummer
14/05238
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 339.1 SvArt. 359.3 SvArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onwettig bewijs en onvoldoende belang

Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2014. De verdachte stelde twee middelen van cassatie voor, waarbij werd betoogd dat de verklaring van de raadsman van een medeverdachte ten onrechte als bewijs is gebruikt. De Hoge Raad overweegt dat de verklaring van de raadsman zelf niet als bewijs kan dienen, maar dat het hof de verklaring van de medeverdachte als bewijs gebruikte. Het feit dat de medeverdachte geen afstand heeft genomen van de verklaring van zijn raadsman verandert hier niets aan.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het middel feitelijke grondslag mist en dat het aspect van de verklaring van ondergeschikt belang is gezien de overige bewijsvoering. Voorts stelt de Hoge Raad vast dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom wordt het beroep in cassatie met toepassing van artikel 80a van het Wetboek van Rechtsvordering niet-ontvankelijk verklaard.

De conclusie is dat het cassatieberoep niet kan leiden tot vernietiging van het hofarrest en dat het beroep wordt afgewezen op procedurele gronden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onwettig bewijs en onvoldoende belang.

Conclusie

Nr. 14/05238
Zitting: 4 oktober 2016
Mr. E.J. Hofstee
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2014.
Tegen deze uitspraak is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld.
Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft tijdig twee middelen van cassatie namens de verdachte voorgesteld.
Er bestaat samenhang met de zaken 14/05232P, 15/00780 en 15/00784P. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen.
Onder verwijzing naar HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 meen ik dat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en/of de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Wat betreft het eerste middel merk ik nog op dat het feitelijke grondslag mist; niet de ‘verklaring’ van de raadsman wordt voor het bewijs gebruikt, maar de verklaring van de medeverdachte, die iets heeft gezegd op een vraag van de advocaat-generaal bij het hof (zie arrest, blad 7). Bovendien is dit aspect van ondergeschikt belang, gelet op de bewijsconstructie voor het overige.
Ik stel mij daarom op het standpunt dat het beroep in cassatie met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG