ECLI:NL:PHR:2016:1151
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onwettig bewijs en onvoldoende belang
Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2014. De verdachte stelde twee middelen van cassatie voor, waarbij werd betoogd dat de verklaring van de raadsman van een medeverdachte ten onrechte als bewijs is gebruikt. De Hoge Raad overweegt dat de verklaring van de raadsman zelf niet als bewijs kan dienen, maar dat het hof de verklaring van de medeverdachte als bewijs gebruikte. Het feit dat de medeverdachte geen afstand heeft genomen van de verklaring van zijn raadsman verandert hier niets aan.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het middel feitelijke grondslag mist en dat het aspect van de verklaring van ondergeschikt belang is gezien de overige bewijsvoering. Voorts stelt de Hoge Raad vast dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom wordt het beroep in cassatie met toepassing van artikel 80a van het Wetboek van Rechtsvordering niet-ontvankelijk verklaard.
De conclusie is dat het cassatieberoep niet kan leiden tot vernietiging van het hofarrest en dat het beroep wordt afgewezen op procedurele gronden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onwettig bewijs en onvoldoende belang.