ECLI:NL:PHR:2016:1154

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2016
Publicatiedatum
22 november 2016
Zaaknummer
15/03920
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 27 SrArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de reikwijdte van de machtiging van raadsman en niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep wegens vermeende beperkte machtiging

In deze zaak stond centraal de vraag of de raadsman van de verdachte bevoegd was tot het voeren van de verdediging in hoger beroep. De raadsman had verklaard slechts beperkt gemachtigd te zijn, namelijk alleen voor het doen van een aanhoudingsverzoek en niet voor de inhoudelijke behandeling van de zaak. Het hof oordeelde dat deze beperking niet toelaatbaar is en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie dat een machtiging niet kan worden beperkt tot bepaalde onderdelen van de verdediging en dat de rechter niet hoeft te onderzoeken of de raadsman naar waarheid verklaart over de reikwijdte van zijn machtiging. De mededeling van de raadsman dat hij slechts beperkt gemachtigd was, werd door het hof terecht opgevat als het ontbreken van een geldige machtiging tot verdediging.

Verder werd geklaagd over het oordeel van het hof dat de raadsman niet bevoegd was tot het doen van een wrakingsverzoek, maar ook deze klacht faalt. De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep evident faalt en verklaart het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a RO.

Het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep tegen een veroordeling wegens medeplegen van witwassen, blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende en niet-beperkte machtiging van de raadsman.

Conclusie

Nr. 15/03920
Zitting: 4 oktober 2016 (bij vervroeging)
Mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 31 juli 2015 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, waarbij verdachte ter zake van “medeplegen van witwassen” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd en aan het verkeer onttrokken verklaard op de wijze als in het arrest is vermeld.
Namens de verdachte heeft mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelricht zich tegen de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.
Stellige klachten laten zich in de toelichting op het middel moeilijk lezen. De toelichting bevat namelijk in hoofdzaak een herhaling van hetgeen in de visie van de steller van het middel ter terechtzitting van het hof is voorgevallen. Ik begrijp de klacht uiterst welwillend zo dat het eindarrest van het hof gebaseerd is op een nietig onderzoek ter terechtzitting, omdat het hof ten onrechte heeft overwogen dat verdachte “er nadien klaarblijkelijk voor gekozen had afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht”(toelichting onder 8) en “kenbaar [maakte] dat de raadsman niet gemachtigd zou zijn in de zin van 279 strafvordering en niet de bevoegdheid zou hebben om een wrakingsverzoek te doen”(toelichting onder 11).
Beide klachten hangen in de lucht en moeten daar ook blijven hangen. Ik licht dat als volgt toe. De voorzitter van het hof heeft ter zitting van hof van 31 juli 2015 blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal meegedeeld dat de dagvaarding van verdachte voor de terechtzitting van heden in persoon is betekend en vervolgens nog dat verdachte er nadien klaarblijkelijk voor heeft gekozen afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Dat is niet onbegrijpelijk mede in het licht dat er over de betekening geen verweer is gevoerd en evenmin een verzoek is gedaan tot aanhouding met als reden dat verdachte zijn recht op aanwezigheid ter terechtzitting wenste te effectueren. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag nu immers uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat een dergelijk verzoek is gedaan. [1]
6. Het centrale punt van de tweede klacht is dat het oordeel van het hof dat de raadsman van de verdachte niet op grond van art. 279 Sv Pro uitdrukkelijk was gemachtigd tot het voeren van de verdediging onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 juli 2015 inhoudt dat de raadsman heeft gesteld dat hij wel over een dergelijke machtiging beschikte. Dat proces-verbaal houdt evenwel ook in dat de raadsman nadien heeft verklaard dat hij slechts was gemachtigd tot het doen van een aanhoudingsverzoek en niet (ook) “voor de inhoudelijke behandeling van de zaak.” Het hof heeft dat kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als een mededeling dat de raadsman niet gemachtigd was tot het voeren van de verdediging. De mededeling van de raadsman is onnavolgbaar. Als hij bedoelt te zeggen dat hij is gemachtigd om een aanhoudingsverzoek te doen ter effectuering van het aanwezigheidsrecht dan is dat niet te volgen omdat daarvoor geen machtiging nodig is, terwijl hij bovendien een dergelijk verzoek niet doet. Als hij bedoelt te zeggen dat hij is gemachtigd in het kader van een getuigenverzoek om aanhouding te vragen is dat een niet toegelaten beperking van een machtiging. Deze klacht mist eveneens feitelijke grondslag.
7. Tot slot wordt nog geklaagd over het oordeel van het hof dat de raadsman van de verdachte niet bevoegd was tot het doen van een wrakingsverzoek. Voor zover de opmerking dat het hier gaat om een “een onjuist en onhoudbaar standpunt/oordeel” van het hof al als een cassatieklacht moet worden gelezen, kan deze om de hiervoor besproken redenen niet tot cassatie leiden.
8. Het middel faalt evident en kan worden afgedaan op de voet van art. 80a RO.
9. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het proces-verbaal houdt wel in dat aanhoudingsverzoeken zijn gedaan met het oog op het horen van getuigen. Op die verzoeken wordt in de toelichting op het middel wel gewezen, een klacht over de afwijzing daarvan lees ik in die toelichting echter niet.