Conclusie
- i) Verweerster in cassatie (hierna ‘Beheer’ te noemen), houdster van de aandelen in Antonius Vessel Heads B.V. (hierna ‘Antonius’ te noemen), heeft deze aandelen in december 2009 verkocht en geleverd aan eiseres tot cassatie (hierna ‘CEREC’ te noemen) voor een koopprijs van € 14.000.000,-. Van de door CERC aan Beheer verschuldigde koopprijs is een gedeelte, te weten € 2.000.000,-, omgezet in een lening van Beheer aan CEREC, de ‘Vendor Loan’. Krachtens de op deze lening van toepassing zijnde bepalingen diende de lening in tien gelijke kwartaaltermijnen van ieder € 200.000,- te worden afbetaald. Tot zekerheid van deze betalingsverplichting is aan Beheer een pandrecht op de aandelen van CEREC in Antonius verstrekt. Op de Vendor Loan en de pandakte is Nederlands recht van toepassing verklaard.
- ii) Begin 2010 heeft CEREC “concilliation” aangevraagd, een procedure onder Frans recht, die erop is gericht een onderneming in staat te stellen op vrijwillige basis, maar onder begeleiding van een door de rechter benoemde “bewindvoerder”, met haar belangrijkste schuldeisers tot een herstructurering van haar schulden te komen. Het betalingsschema van de Vendor Loan is tot twee keer toe aangepast.
- iii) Sinds 1 maart 2013 verkeert CEREC in “redressement judiciaire”, een insolventieprocedure onder Frans recht die vergelijkbaar is met de Nederlandse surseance van betaling.
- iv) Bij brief van 6 maart 2013 van haar advocaat heeft Beheer de Vendor Loan aan CEREC opgezegd. Eveneens bij brief van 6 maart 2013 van haar advocaat heeft Beheer CEREC meegedeeld dat zij overgaat tot uitwinning van het pandrecht op de aandelen in Antonius.
( [2] ), maar CEREC is van de beschikking in hoger beroep opgekomen bij het hof Amsterdam, voor zover daarin omtrent de koopprijs een beslissing is genomen. Volgens haar heeft de voorzieningenrechter ten onrechte de waardering gevolgd uit het accountantsrapport van PricewaterhouseCoopers, dat in opdracht van Antonius was opgesteld. Haars inziens moet de koopprijs op € 3.404.000 worden gesteld.
( [3] )betoogt zij dat de beschikking ex art. 3:251 lid 1 BW Pro niet appellabel is. CEREC heeft dat standpunt bestreden. Volgens haar volgt uit voornoemde HR-beschikking niet dat het appelverbod van art. 3:268 lid 3 BW Pro, dat de Hoge Raad in die beschikking analoog van toepassing oordeelde op het in artikel 3:251 lid 1 BW Pro genoemde geval van onderhandse
verkoopvan verpande goederen, eveneens analoog van toepassing is op het in artikel 3:251 lid1 BW mede genoemde geval van
het laten verblijven van de verpande goederen aan de pandhouder als koper.
2.Bespreking van het twee onderdelen omvattende cassatiemiddel
( [4] )In die overeenkomst kan als koper de hypotheekhouder zelf zijn vermeld. De hypotheekhouder biedt hiermee zichzelf als de gegadigde voor het verhypothekeerde goed aan.
( [5] )In lid 3 van hetzelfde artikel is bepaald dat tegen een beschikking krachtens lid 2 geen hogere voorziening is toegelaten.
( [6] )
( [7] )( [8] )In artikel 3:251 BW Pro is niet, zoals in artikel 3:268 lid 3 BW Pro, bepaald dat tegen de beschikking van de voorzieningenrechter naar aanleiding van een (verkoop- of verblijf-) verzoek van de pandhouder geen hogere voorziening is toegelaten.
( [9] )
( [10] )De beschikking heeft betrekking op artikel 807 Rv Pro. In dat artikel wordt sub a een hogere voorziening voor zover niet zijnde een cassatieberoep in het belang der wet uitgesloten ter zake van beschikkingen ingevolge een aantal artikelen in titel 14, afdeling 4 (ondertoezichtstelling) van boek 1 BW, waaronder: artikel
“265, met uitzondering van beschikkingen ingevolge artikel 265 f, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek”. De vraag van uitsluiting van een hogere voorziening wordt gesteld naar aanleiding van een beschikking van het hof, waarin het beroep tegen een door de kinderrechter krachtens artikel 1:265 i BW gegeven beschikking met een beroep op artikel 807 Rv Pro niet ontvankelijk wordt verklaard, alhoewel artikel 1:265i BW in dit laatste artikel niet wordt genoemd. In onderdeel 2 van het voorgedragen cassatiemiddel wordt dit oordeel bestreden. De Hoge Raad overweegt hieromtrent onder meer het volgende:
( [11] )Wel rijst in dit verband nog de vraag onder welke omstandigheden tot een vergissing aan de zijde van de wetgever kan worden geconcludeerd. Is daartoe vereist dat blijkens de wetshistorie bij de wetgever een bepaalde bedoeling heeft voorgezeten die vervolgens als gevolg van een omissie niet in de wettekst is verwoord
( [12] )of kan reeds van een vergissing worden gesproken wanneer gevallen, die aan elkaar gelijk zijn of althans in hoge mate aan elkaar gelijk zijn, niet gelijk worden geregeld, terwijl voor een verschil in regeling van beide gevallen in de wetsgeschiedenis geen rechtvaardigingsgrond wordt gegeven en deze ook overigens niet valt aan te nemen? Hier wordt geopteerd om ook in het laatste geval te spreken van een vergissing. Voor het rechtvaardigheidsgevoel, dat in de rechtspraktijk ook een belangrijke rol speelt, is het ongelijk geregeld zijn en laten van gevallen, die aan elkaar gelijk zijn of althans in hoge mate aan elkaar gelijk zijn zonder dat daarvoor in de wetsgeschiedenis of anderszins een rechtvaardigingsgrond is te vinden, ook hoogst onbevredigend. Bovendien zou het aanhouden van de hiervoor genoemde strikte betekenis van het begrip vergissing meebrengen dat dan in zijn geheel op de beschikking van 17 juni 1994 van de Hoge Raad moet worden teruggekomen. Uit de wetsgeschiedenis van de artikelen 3:251 en 3:268 BW blijkt immers niet waarom het invoeren van een uitsluiting van hogere voorzieningen tegen de in artikel 3:251 lid 1 BW Pro genoemde beschikkingen bij het ontwerpen van dat artikel achterwege is gebleven; zie hierboven voetnoot 9. Nu de beschikking van de Hoge Raad geen werkelijke bestrijding heeft gekregen
( [13] ), lijkt het terugkomen op de beschikking niet gewenst. CEREC bepleit dat ook niet.
( [14] )