Conclusie
1.Feiten
aanvullingis opgenomen dat
alledeuren zijn voorzien van magneetcontacten. Na controle is gebleken dat dit niet het geval is.
nietgebruikt.
2.Procesverloop
“(v)oldoet (…) aan de kwaliteitseisen die binnen de branche daarvoor gelden” [4] .
Keukenvloer
3.Bespreking van het cassatiemiddel
“(a)anloop naar de klachten”(onder 1.14-1.25). Ook daarin wordt, onder 1.24, vooruitgelopen op de te formuleren klachten.
klacht 1.a(onder 1.26) klaagt [eiseres] dat het oordeel in de rov. 3.9-3.11 onjuist is, althans niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed, omdat het hof de essentiële stelling van [eiseres] dat omzetting in een verbintenis tot schadevergoeding, gelet op het geringe karakter van het gebrek ingevolge art. 6:87 lid 2 BW Pro niet gerechtvaardigd is, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is [10] , dan wel de vordering tot schadevergoeding dient te worden gematigd [11] , ten onrechte onbehandeld heeft gelaten dan wel (impliciet) ongemotiveerd heeft verworpen.
“de aard en omvang van de klacht met betrekking tot de vloer (…) in geen enkele verhouding (staat) tot de aard en omvang van de herstelwerkzaamheden”(zie in het bijzonder de genoemde akte onder 3.8). Weliswaar was dit betoog (dat [eiseres] in de memorie van antwoord onder 4.32-4.34 in het kader van een chronologische weergave van de gebeurtenissen heeft herhaald) toegespitst op het van [eiseres] verlangde herstel, maar [eiseres] heeft deze stellingen (op 14 november 2007) betrokken, vóórdat [verweerder] bij conclusie na deskundigenbericht tevens akte houdende wijziging/vermeerdering van eis (op 29 juni 2011) zijn vorderingen in die zin wijzigde, dat hij, in plaats van het (in reconventie onder II) gevorderde bevel tot herstel, een schadeloosstelling ten aanzien van de gebreken in de oplevering, althans ten aanzien van de in rechte vastgestelde toerekenbare tekortkomingen in de oplevering vorderde. Bij pleidooi in hoger beroep (pleitnotitie onder 16, waarnaar eveneens in voetnoot 31 van de cassatiedagvaarding wordt verwezen) heeft [eiseres] met betrekking tot de knik in de vloer betwist dat van een tekortkoming sprake is en heeft zij herhaald dat het, gelet op het geringe karakter van het gebrek, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om [eiseres], indien zij al tot herstel was verplicht, aan die verplichting te houden.
herstelvan haar vordert, heeft naar mijn mening hetzelfde te gelden voor de vordering van de
kosten van dat herstelbij wijze van vervangende schadevergoeding. Naar mijn mening had het hof het bedoelde betoog van [eiseres] dan ook mede bij de beoordeling van de gevorderde vervangende schadevergoeding dienen te betrekken, temeer waar [eiseres] zich - ook - tegen de vervangende schadevergoeding heeft verweerd, die vervangende schadevergoeding
“alles behalve redelijk en reëel”heeft genoemd en - ook - in dat verband heeft gewezen op de te geringe aard van de klachten om herstel te rechtvaardigen [12] . Dat [eiseres] zich niet expliciet op art. 6:87 lid 2 BW Pro heeft beroepen, impliceerde ten slotte niet dat het hof die bepaling bij de beoordeling van het verweer van [eiseres] buiten beschouwing kon laten, gelet op de verplichting van het hof de rechtsgronden van het verweer van [eiseres] ambtshalve aan te vullen.
“de vereiste herstelwerkzaamheden in het rapport van deskundige Akse worden omschreven als “een ingrijpende operatie”(rov. 3.11), zou de gegeven motivering inderdaad tekortschieten. Het door [eiseres] gevoerde verweer ziet immers niet (althans niet louter) op disproportionaliteit van de door [verweerder] opgevoerde kosten ten opzichte van het door hem gewenste herstel van de keukenvloer, maar op de disproportionaliteit van dat herstel ten opzichte van het aan de keukenvloer klevende gebrek.
“een ingrijpende operatie”worden omschreven (rov. 3.11), het hof zou hebben miskend dat het voor de beoordeling of zich hier het geval voordoet dat een omzetting niet is gerechtvaardigd of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, niet aankomt op de vraag of het herstel al dan niet een ingrijpende operatie vergt, maar op de vraag of de tekortkoming al dan niet te gering is om een ingrijpende operatie, althans omvangrijke (en kostbare) herstelwerkzaamheden te rechtvaardigen.
“een ingrijpende operatie”moeten worden aangemerkt, een afwijzing van een beroep op art. 6:87 lid 2 BW Pro, althans op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid, inderdaad niet zou kunnen dragen.
klacht 1.d(onder 1.29) beklaagt [eiseres] zich over de overweging dat
“(d)e enkele stelling dat het bedrag “buitenproportioneel” is (…) niet (volstaat)”, voor zover daaruit moet worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat [eiseres] haar stelling dat de gevorderde vervangingsschade buitenproportioneel is, niet nader heeft geadstrueerd en geen nadere argumenten heeft aangedragen. Volgens [eiseres] is het aldus gelezen oordeel niet naar de eisen der wet met redenen omkleed, nu zij uitgebreid heeft uiteengezet waarom omzetting niet gerechtvaardigd, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en de vordering voor matiging in aanmerking komt. Zij stelt dat zij daarbij heeft gewezen op de onmogelijkheid het (bij het lopen onmerkbare) knikje met het blote oog waar te nemen [21] , op het gebruik van de vloer gedurende acht jaar [22] , op het tussen partijen gevoerde overleg toen tijdens de bouw bleek van de onmogelijkheid om de vloer vlak te krijgen als de ondervloer niet werd geëgaliseerd [23] , de instructie van [verweerder] de vloer aldus te leggen omdat hij geen meerkosten wenste te maken voor egalisatie van de ondervloer [24] en dus met de bestaande vloer moest worden meegegaan [25] , waarbij [eiseres] erop heeft gewezen dat de vloer als gevolg daarvan enigszins zou aflopen [26] .
klacht 1.e(onder 1.30 en 1.31) komt een vervangende schadevergoeding slechts in de plaats van de oorspronkelijke verbintenis. Zij strekt niet tot vergoeding van niet overeengekomen verbintenissen. ’s Hofs oordeel zou dan ook onjuist zijn, althans niet naar de eisen der wet met redenen zijn omkleed, waar in de toegewezen vervangende schadevergoeding een aanzienlijke post is opgenomen voor egalisatie van de ondervloer, terwijl [verweerder], om meerkosten te vermijden, geen egalisatie wenste. [eiseres] stelt dit in feitelijke aanleg ook te hebben aangevoerd [28] .
“bijv.”) verwijst (pleitnotitie van 10 november 2014 onder 25), niet door duidelijkheid uitmunt, moet aan [eiseres] worden toegegeven dat zij consequent het standpunt heeft ingenomen dat de noodzakelijke egalisatie van de ondervloer meerwerk zou zijn geweest, waarvan [verweerder] om financiële redenen zou hebben afgezien [29] . Een schadevergoeding die de overeengekomen prestatie vervangt kan uiteraard niet mede betrekking hebben op meerwerk dat niet was overeengekomen en dat ook niet aan de overeengekomen aanneemsom ten grondslag lag.
“een ingrijpende operatie”worden omschreven. Bij die stand van zaken heeft het hof zonder nadere motivering het door [verweerder] gevorderde bedrag toewijsbaar kunnen achten. Voldoende inzichtelijk is waarom het hof van de raming van de deskundige is afgeweken, zo al van een afwijking kan worden gesproken, gezien het door de deskundige gemaakte voorbehoud en gegeven advies [32] .
onderdeel IIvangt aan met een
“(a)anloop naar de klachten”(onder 1.34-1.37). Met
klacht II.a(onder 1.38) - de enige klacht waaruit het onderdeel bestaat - komt [eiseres] vervolgens op tegen het oordeel in rov. 3.10 dat [eiseres] aan de Stabu-richtlijn is gebonden, althans dat de Stabu-richtlijn als objectieve norm kan worden gehanteerd, (enkel) nu de deskundige die betitelt als een binnen de branche gebruikelijk uitgangspunt. Volgens [eiseres] is dat oordeel onjuist, dan wel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet voldoende begrijpelijk, nu a) [verweerder] [eiseres] niet aan de Stabu-richtlijn houdt omdat die in de branche gebruikelijk zou zijn, maar omdat de toepasselijkheid van de Stabu-voorwaarden zou zijn overeengekomen en b) de toepasselijkheid van algemene voorwaarden moet worden overeengekomen (en het hof niet heeft vastgesteld dat dit is gebeurd), althans de Stabu-richtlijn (die onderdeel uitmaakt van de Stabu-voorwaarden) niet reeds tot objectieve norm wordt doordat zij, aldus de deskundige, een in de branche gebruikelijk uitgangspunt is. Volgens [eiseres] is het oordeel dat de Stabu-richtlijn als objectieve norm kan worden gehanteerd te meer onbegrijpelijk nu partijen, naar [eiseres] heeft aangevoerd, gaandeweg de uitvoering van de werkzaamheden een hiervan afwijkende afspraak hebben gemaakt [33] .
“ook als deze niet expliciet tussen partijen is overeengekomen”. Weliswaar sluit dat laatste contractuele gelding van die richtlijn (bijvoorbeeld als bestendig gebruikelijk beding) niet uit, maar de terminologie volgens welke de betrokken richtlijn als
“objectieve norm”kan worden gehanteerd, wijst veeleer erop dat het hof een andere dan een contractuele gelding van de richtlijn op het oog heeft gehad.
nietcontractueel bond, rijst de vraag waarom die richtlijn, als zij geen deel uitmaakte van de overeenkomst, partijen dan niettemin als
“objectieve norm”zou hebben gebonden. Dat
“de richtlijn blijkens het rapport(van de deskundige Akse; LK)
een in de praktijk gebruikelijk uitgangspunt is”, acht ik in dat verband, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende.
“(h)et standpunt van [eiseres] dat de wijze waarop de keukenvloer is gelegd door [verweerder] zelf is bepaald, (…) evenmin (leidt) tot het oordeel dat [eiseres] niet aansprakelijk is voor de tekortkoming. Niet gesteld of gebleken is dat [eiseres] op enig moment erop heeft gewezen dat het rechtstreeks lijmen van de tegels op de bestaande vloer er toe zou leiden dat niet zou kunnen worden voldaan aan de kwaliteitseis die in de branche gebruikelijk is.”Weliswaar wordt de geciteerde overweging niet als zodanig met een zelfstandige klacht bestreden, maar de klacht volgens welke het oordeel dat de Stabu-richtlijn als objectieve norm kan worden gehanteerd, onbegrijpelijk is in het licht van de door [eiseres] bedoelde, daarvan afwijkende afspraak, moet mijns inziens worden geacht mede tegen die overweging te zijn gericht. Kennelijk heeft het hof de bedoelde stellingen aldus opgevat dat [eiseres] daarmee betoogde dat niet zij maar [verweerder] zelf de toegepaste wijze van uitvoering heeft gekozen en dat dit haar, [eiseres], ontsloeg van haar verantwoordelijkheid voor de verkeerde uitvoering (
“de tekortkoming”). Zoals in de klacht ligt besloten, gaat het [eiseres] echter niet zozeer om het feit dat [verweerder] zelf heeft gekozen voor de wijze waarop de vloer is gelegd, als wel om de redenen waarom hij die keuze maakte; nadat was gebleken dat egalisatie van de ondervloer in verband met de onvlakheid daarvan nodig was, zag [verweerder] volgens de stellingen van [eiseres] om financiële redenen van die egalisatie (het leggen van een nieuwe ondervloer) af en nam hij daarmee de onvlakheid van de ondervloer (en van de direct daarop te lijmen nieuwe tegelvloer) voor lief. Dat het hof daaraan is voorbijgegaan, blijkt ook hieruit dat het hof het betoog van [eiseres] van de hand heeft gewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat [eiseres] op enig moment erop heeft gewezen dat het rechtstreeks lijmen van de tegels op de bestaande vloer ertoe zou leiden dat niet zou kunnen worden voldaan aan de kwaliteitseis die in de branche gebruikelijk is. Anders dan het hof kennelijk heeft aangenomen, heeft [verweerder] (nog steeds volgens de stellingen van [eiseres]) niet voor een bepaalde wijze van leggen van de keukenvloer gekozen, zich geheel onbewust van de onvlakheid van de nieuwe vloer waartoe die wijze van leggen zou leiden, maar heeft hij voor de gevolgde wijze van leggen gekozen, juist omdat de onvlakheid van de bestaande vloer tot egalisatie noopte, maar hij de daaraan verbonden kosten niet wilde maken. Bij die stand van zaken valt niet zonder meer in te zien waarom [eiseres] [verweerder] nog eens uitdrukkelijk op de gevolgen van de door [verweerder] voorgestane werkwijze had moeten wijzen. Voor dat laatste bestond te minder aanleiding, indien, zoals [eiseres] heeft gesteld, de aanvaardbaarheid van de door [verweerder] voorgestane wijze van uitvoering vooral een esthetische kwestie was, de vlakteafwijking nauwelijks waarneembaar was en niet tot enig gebruiksongemak of functioneel gebrek leidde, en tegen die achtergrond geen bijzondere waarschuwingsplicht op [eiseres] met betrekking tot de gevolgen van de volgens haar door [verweerder] gewenste, afwijkende wijze van uitvoering van de keukenvloer rustte.
onderdeel IIIricht [eiseres] haar pijlen op de rov. 3.13-3.15, deel uitmakende van de overwegingen onder het opschrift
“Ouderbadkamer en kinderbadkamer”. Het onderdeel omvat één klacht, aangeduid als
klacht III(onder 1.41) en ligt in het verlengde van de voorgaande onderdelen. Volgens [eiseres] is ’s hofs oordeel onjuist, althans niet naar de eisen der wet met redenen omkleed, omdat het hof de essentiële stelling dat toekenning van vervangingsschade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is [35] , dan wel de vordering tot schadevergoeding dient te worden gematigd [36] , mede nu [verweerder] langere tijd gebruik heeft kunnen maken van de keukenvloer (bedoeld zal zijn; de badkamers; LK) [37] , ten onrechte onbehandeld heeft gelaten, dan wel (impliciet) ongemotiveerd heeft verworpen.
“de aard van de klachten te gering is”, is overigens, voor zover zij op de badkamers ziet, in duidelijke tegenspraak met de in rov. 3.13 van het bestreden arrest weergegeven bevindingen van de deskundige Maat. Wat betreft het op gebruik van de badkamers gegronde matigingsberoep merk ik op dat ook zonder motivering duidelijk is waarom het hof daarin geen aanleiding tot matiging heeft gezien. Dat inmiddels acht jaren zijn verstreken, komt mede door de afwijzende opstelling van [eiseres] en dient, na vaststelling van haar ongelijk, dan ook voor haar rekening te komen.
onder 1.42af met een restklacht. De klacht herinnert eraan dat bij welslagen van één van beide (of beide) klachten de op de met succes bestreden oordelen voortbouwende rechtsoverwegingen en het dictum van het arrest evenmin in stand kunnen blijven. De restklacht mist naast de voorgaande klachten zelfstandige betekenis en behoeft dan ook geen afzonderlijke bespreking.