ECLI:NL:PHR:2016:1175

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2016
Publicatiedatum
28 november 2016
Zaaknummer
15/05298
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 150 RvArt. 4:6 BWArt. 4:65 BWArt. 7:317 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waardering van onroerende zaken in verpachte staat voor legitieme portie

In deze zaak staat centraal of bij de berekening van de legitieme portie rekening moet worden gehouden met de verpachte of onverpachte staat van onroerende zaken die deel uitmaken van de nalatenschap van de in 2009 overleden erflater.

De eiseres, die stelt enig kind van de erflater te zijn, vordert betaling van haar legitieme portie. De rechtbank wees haar vordering deels toe, maar het hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde de erfgenamen tot een lager bedrag. Het hof oordeelde dat de waarde van de onroerende zaken moet worden bepaald uitgaande van de verpachte staat, mede gebaseerd op een schriftelijke verklaring van de erflater en een vonnis van de pachtkamer.

Eiseres betwistte de echtheid van de schriftelijke verklaring en stelde dat de waarde van de onroerende zaken in onverpachte staat moet worden genomen. De Hoge Raad bevestigt dat de bewijslast voor het aantonen van valsheid van de akte bij eiseres ligt en dat een enkele betwisting niet voldoende is. Het hof heeft dit terecht als onvoldoende bewijs beoordeeld. Ook is het oordeel dat het vonnis van de pachtkamer geen gezag van gewijsde heeft jegens eiseres, maar dat dit niet leidt tot een andere waardering, niet onbegrijpelijk.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat voor de berekening van de legitieme portie de waarde van de onroerende zaken in verpachte staat moet worden genomen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de waarde van de onroerende zaken wordt vastgesteld uitgaande van de verpachte staat.

Conclusie

15/05298
Mr. P. Vlas
Zitting, 18 november 2016
Conclusie inzake:
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
Bondsrepubliek Duitsland,
(hierna: [eiseres])
tegen
1. [verweerster 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verweerster 2],
wonende te [woonplaats],
3. [verweerster 3],
wonende te [woonplaats],
4. [verweerster 4],
wonende te [woonplaats],
5. [verweerder 5],
wonende te [woonplaats],
6. [verweerster 6],
wonende te [woonplaats],
7. [verweerder 7],
wonende te [woonplaats]
(hierna gezamenlijk: [verweerders])
Het gaat in deze zaak om de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat bij de berekening van de legitimaire massa van een nalatenschap rekening moet worden gehouden met de (al dan niet) verpachte staat van onroerende zaken die deel uitmaken van de nalatenschap.
1. Feiten en procesverloop [1]
1.1 [verweerders] zijn erfgenamen van hun op 1 januari 2009 in Maastricht overleden broer [betrokkene 1] (hierna: erflater).
1.2 [eiseres] stelt dat zij enig kind van erflater is, geboren op [geboortedatum] 1977, en dat erflater het vaderschap heeft erkend bij akte van erkenning ten overstaan van een daartoe bevoegde ambtenaar in Duitsland. In de onderhavige procedure maakt zij aanspraak op haar legitieme portie.
1.3 [eiseres] heeft in eerste aanleg van [verweerders] (na wijziging van haar eis) onder meer betaling gevorderd van een bedrag van € 761.600,50 (het door haar berekende bedrag van de legitieme portie).
1.4 Bij eindvonnis van 23 oktober 2013 heeft de rechtbank Limburg de vorderingen van [eiseres] toegewezen en [verweerders] onder meer veroordeeld om aan [eiseres] een bedrag van € 541.600,50 te betalen.
1.5 [verweerster 1], thans verweerster in cassatie sub 1, is van het eindvonnis van de rechtbank, alsmede van de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 7 december 2011 en 14 november 2012 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch (zaak HD 200.141.370/01). [eiseres] heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank (zaak HD 200.141.089/01).
1.6 Bij tussenarrest van 17 juni 2014 heeft het hof op de voet van art. 353 lid 1 jo Pro. art. 222 Rv Pro de voeging bevolen van de beide zaken. Het hof heeft op 30 juni 2015 in beide zaken eindarrest gewezen.
1.7 [eiseres] heeft in de onderhavige cassatieprocedure slechts cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van het hof voor zover het betreft zaak HD 200.141.089/01. Het hof heeft geoordeeld dat het in die zaak gaat om de vraag of bij de berekening van de legitimaire massa rekening moet worden gehouden met de verpachting van (een deel van) de gronden en de pachtsommen (rov. 7.2.5). Het hof heeft, voor zover thans van belang, in rov. 7.6.2 en 7.6.3 als volgt overwogen:
‘7.6.2. (…). Erflater heeft op 31 oktober 2008, een schriftelijke verklaring opgesteld met de volgende inhoud:
hierbij verklaar ik; [betrokkene 1], geboren [geboortedatum]-1953 te [geboorteplaats], een pachtovereenkomst gemaakt met [betrokkene 2] te [plaats] voor de gehele akkerland groot 22,45 ha., met gezamenlijk gebruik van de stallen en bergingen van de boerderij [A] op de [a-straat 1] te [plaats] en wel voor onbepaalde tijd voor een bedrag van EUR 15.000, te voldoen voor 31 december van ieder jaar. Ingaande 2009 en zolang de overeenkomst bestaat.
Op vordering van [betrokkene 2], gericht tegen [verweerders], heeft de pachtkamer van de rechtbank Roermond bij vonnis van 11 mei 2010 als volgt beslist:
Legt de bestaande pachtovereenkomst tussen partijen op de voet van artikel 7:317 van Pro het burgerlijk wetboek als volgt schriftelijk vast:

verpachter:
de erven [betrokkene 1], gedaagden in de onderhavige procedure,

pachter:
de heer [betrokkene 2], eiser in de onderhavige procedure,

object:
percelen landbouwgrond, stallen en bergingen. Kadastraal bekend als gemeente Echt, sectie [A 001], tezamen groot 23.04.03 ha,

ingangsdatum:
1 januari 2009, voor de wettelijke duur van 12 jaren,

pachtprijs:
EUR 15.000,00 per jaar, betaalbaar vooraf per uiterlijk 31 december.
[eiseres] heeft zich door middel van derdenverzet als bedoeld in artikel 376 Rv Pro verzet tegen voormeld vonnis van 11 mei 2010 en zij heeft daartoe [betrokkene 2] en [verweerders] in rechte betrokken. Zij vorderde verbetering dan wel aanpassing van het vonnis van 11 mei 2010.
De pachtkamer van de rechtbank Roermond heeft deze vorderingen van [eiseres] bij vonnis van 26 maart 2013 afgewezen.
7.6.3. Ingevolge artikel 4:6 BW Pro in samenhang met artikel 4:65 BW Pro moet voor de berekening van de legitieme portie worden uitgegaan van de goederen van de nalatenschap op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater. Bij die waarde gaat het om de waarde die de goederen hebben in het economisch verkeer.
Op basis van hetgeen in de vorige rechtsoverweging is overwogen moet ervan uit worden gegaan dat de hier bedoelde onroerende zaken op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflater in het economisch verkeer een waarde hadden, uitgaande van verpachte staat.
[eiseres] wijst op de omstandigheid dat het vonnis van de pachtkamer d.d. 11 mei 2010 jegens haar geen gezag van gewijsde heeft, maar dat leidt niet tot een ander oordeel wat betreft de waarde van de onderhavige zaken in het economisch verkeer.
De conclusie uit het voorgaande is dat de eerste grief van [eiseres] faalt’.
1.8 Bij arrest van 30 juni 2015 [2] heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank van 23 oktober 2013 vernietigd en [verweerders] veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 446.600,50, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 4:84 BW Pro met ingang van 20 april 2011 tot de dag van betaling, en het door [eiseres] meer of anders gevorderde afgewezen, onder compensatie van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep.
1.9 [eiseres] heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van het hof (in zaak HD 200.141.089/01). [verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna door [eiseres] is gerepliceerd en door [verweerders] is gedupliceerd.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 7.6.2 en 7.6.3 van het bestreden arrest. Het middel klaagt dat het hof in rov. 7.6.2 ten onrechte heeft geoordeeld dat erflater op 31 oktober 2008 een schriftelijke verklaring heeft opgesteld, en daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat hij een pachtovereenkomst had ‘gemaakt’ c.q. had willen sluiten zoals in die verklaring is verwoord, althans dat dit oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. In het verlengde daarvan klaagt het middel dat het hof in rov. 7.6.3 in het kader van de berekening van de legitieme portie ten aanzien van de tot de nalatenschap behorende onroerende zaken ten onrechte is uitgegaan van de waarde van die goederen in het economisch verkeer, uitgaande van verpachte staat, althans dat het hof zijn oordeel dat van een verpachte staat moet worden uitgegaan onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.
2.2
Het middel (onder 3-5) voert daartoe aan dat [eiseres] in eerste aanleg gemotiveerd heeft gesteld [3] – en in hoger beroep heeft volgehouden [4] – dat de bewuste schriftelijke verklaring niet is opgesteld door erflater noch anderszins is gebleken van enige daarmee overeenstemmende wil van erflater. [eiseres] heeft op grond daarvan betwist dat erflater een pachtovereenkomst zoals in die verklaring omschreven had gesloten c.q. had willen sluiten, zodat volgens [eiseres] tussen partijen heeft te gelden dat de onroerende zaken op het tijdstip van overlijden van de erflater in het economische verkeer een waarde hadden, uitgaande van onverpachte staat. Volgens het middel is het hof niet (kenbaar) ingegaan op deze stellingname respectievelijk betwisting, zodat de overweging van het hof dat erflater op 31 oktober 2008 de genoemde schriftelijke verklaring heeft opgesteld niet (voldoende) naar de eis der wet met redenen is omkleed.
2.3
[eiseres] heeft in haar memorie van grieven, waarnaar zij in het middel onder 4 verwijst (de toelichting op grief 1 onder 5), gesteld (a) dat de bewijslast ten aanzien van het bestaan van de pachtovereenkomst op de erfgenamen lag, (b) dat de rechtbank had moeten beoordelen of de erfgenamen dit bewijs hebben geleverd, (c) dat de rechtbank tot de conclusie had moeten komen dat dit niet zo was, en (d) dat de rechtbank tot de conclusie had moeten komen dat in de relatie tussen [eiseres] en de erfgenamen heeft te gelden dat de onroerende zaken op het tijdstip van overlijden van de erflater onverpacht waren.
2.4
Tussen partijen is niet in geschil dat de desbetreffende onroerende zaken deel uitmaken van de nalatenschap van erflater. Het gaat in cassatie uitsluitend om de vraag of bij de berekening van de aan [eiseres] toekomende legitieme portie moet worden uitgegaan van deze onroerende zaken in verpachte of onverpachte staat. In dat kader hebben [verweerders] zich beroepen op de schriftelijke verklaring van erflater van 31 oktober 2008 en op het (eerste) vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Roermond van 11 mei 2010, waarin de rechtbank de bestaande pachtovereenkomst heeft vastgelegd. [eiseres] heeft de echtheid van de schriftelijke verklaring van erflater betwist. De in art. 150 Rv Pro neergelegde hoofdregel omtrent bewijslastverdeling brengt met zich dat op degene die stelt dat een akte vals of vervalst is, de bewijslast daarvan rust en daarmee ook het risico dat zulks niet wordt bewezen. De enkele betwisting van echtheid is niet voldoende om in afwijking van die hoofdregel de wederpartij te belasten met het bewijs van de echtheid van de akte. Ik wijs in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0827, NJ 1993/179, waarin in rov. 3.5 het volgende is overwogen:
‘Het hiervoor bedoelde geschrift is naar de omschrijving van art. 183 lid 1 Rv Pro een onderhandse akte, het is ondertekend en bestemd om tot bewijs te dienen. De echtheid van de tekst van de akte wordt echter betwist. In dat geval dient – zoals naar voren komt uit de parlementaire behandeling van art. 186 lid Pro 2, dat de betwisting betreft van de echtheid van de ondertekening – de vraag hoe de bewijslast met betrekking tot de eerst bedoelde echtheid moet worden verdeeld, worden beantwoord aan de hand van art. 177 [thans art. 150 Rv Pro; A-G] (…). Dit brengt mee dat als hoofdregel op degene die stelt dat de akte vals of vervalst is, de bewijslast daarvan zal rusten en daarmee het risico dat zulks niet wordt bewezen.
(…) Die enkele betwisting is evenwel niet voldoende om in afwijking van de op art. 177 [thans art. 150 Rv Pro; A-G] stoelende hoofdregel (…) [de partij die zich op (de echtheid van) een onderhandse akte beroept] te belasten met het bewijs van de echtheid van de akte. (…)’. [5]
2.5
Nu [eiseres] de echtheid van de schriftelijke verklaring van erflater heeft betwist, lag het op haar weg om bewijs te leveren van haar stelling dat die schriftelijke verklaring vals of vervalst was. In het hierboven weergegeven oordeel van het hof ligt (impliciet) besloten dat het hof van oordeel is dat [eiseres] niet in die bewijslevering is geslaagd. Hetgeen zij in feitelijke instanties daaromtrent heeft aangevoerd, heeft het hof klaarblijkelijk aangemerkt als een enkele betwisting van de echtheid van de schriftelijke verklaring, welke niet voldoende is om in afwijking van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro [verweerders] te belasten met het bewijs van de echtheid van de akte. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof van oordeel dat [eiseres], in het licht van de betwisting door [verweerders] [6] , onvoldoende heeft gesteld om de valsheid van de akte te onderbouwen, zodat van de rechtsgeldigheid van de pachtovereenkomst moet worden uitgegaan. Het oordeel van het hof geeft in het licht van het debat van partijen in de feitelijke instanties, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.
2.6
Het cassatiemiddel klaagt verder nog dat voor zover het oordeel van het hof is gebaseerd op het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Limburg van 11 mei 2010, in samenhang met de overweging dat het ontbreken volgens [eiseres] van gezag van gewijsde van dat vonnis jegens haar, niet leidt tot een ander oordeel wat betreft de waarde van de onderhavige zaken in het economisch verkeer, dat oordeel onjuist is, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
2.7
Het hof heeft in rov. 7.6.3 vooropgesteld dat ingevolge het bepaalde in art. 4:6 BW Pro in samenhang met art. 4:65 BW Pro voor de berekening van de legitieme portie moet worden uitgegaan van de waarde van de goederen van de nalatenschap op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater, en dat het bij die waarde gaat om de waarde die de goederen hebben in het economisch verkeer. Voorts heeft het hof in rov. 7.6.2 geoordeeld dat van belang is dat erflater op 31 oktober 2008 een schriftelijke verklaring heeft opgesteld, en dat de pachtkamer bij vonnis van 11 mei 2010 de (op grond van die schriftelijke verklaring bestaande) pachtovereenkomst schriftelijk heeft vastgelegd. Op basis van deze omstandigheden heeft het hof in rov. 7.6.3 overwogen dat er vanuit moet worden gegaan dat de onderhavige onroerende zaken op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflater in het economisch verkeer een waarde hadden, uitgaande van verpachte staat. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin is dat oordeel onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd.
2.8
In het licht van het voorafgaande, geeft het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat het vonnis van de pachtkamer van 11 mei 2010 jegens [eiseres] geen gezag van gewijsde heeft en dat zulks niet leidt tot een ander oordeel wat betreft de waarde van de onderhavige zaken in het economisch verkeer, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is dat oordeel niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd. Dat het vonnis van de pachtkamer jegens [eiseres] geen gezag van gewijsde heeft, is duidelijk. [eiseres] was immers geen partij in de procedure ten overstaan van de pachtkamer, zodat niet aan de voorwaarden van art. 236 Rv Pro is voldaan. Het vonnis van de pachtkamer heeft als zodanig dus geen invloed op de aanspraken die [eiseres] heeft uit hoofde van de legitieme portie (in zoverre ondervindt [eiseres] geen enkele benadeling van dat vonnis). Dat neemt niet weg dat voor het vaststellen van de hoogte van die legitieme portie dient te worden gekeken naar de waarde die de onderhavige zaken in het economisch verkeer hebben. En daarvoor heeft het hof, zoals het heeft gedaan, aansluiting kunnen zoeken bij de schriftelijke verklaring van erflater en het vonnis van de pachtkamer. De klacht faalt derhalve.
2.9
De slotsom is dat het middel niet tot cassatie kan leiden. Ik geef Uw Raad in overweging het beroep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie rov. 7.1.1-7.2.7 van het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 30 juni 2015.
2.Dit arrest is nadien verbeterd bij arrest van 13 oktober 2015, in die zin dat de kop van het arrest van 30 juni 2015 op de eerste bladzijde vóór het woord ‘geïntimeerden’ is aangevuld met de vermelding van partij ‘[naam]’.
3.In het middel onder 4 verwijst [eiseres] in dit verband naar haar akte (ex art. 2.11 LRR) houdende uitlating producties en overlegging producties d.d. 25 mei 2011, sub 2-9; haar akte, mede houdende nadere specificatie van eis als bedoeld in r.o. 4.35 van het vonnis d.d. 07-12-2011 en overlegging van een productie d.d. 14 maart 2012, sub 3-8; haar antwoordakte, mede houdende vermeerdering van eis d.d. 3 oktober (het middel noemt abusievelijk december) 2012, sub 5-7; en haar akte, mede houdende provisionele vordering ex art. 223 Rv Pro en vermeerdering (althans wijziging) van eis in de hoofdzaak d.d. 14 augustus 2013, sub 5-6. [eiseres] heeft in haar memorie van grieven overigens niet naar laatstgenoemde akte verwezen, zodat het hof (het gestelde in) die akte niet in zijn oordeelsvorming behoefde te betrekken.
4.In het middel verwijst [eiseres] in dit verband naar de memorie van grieven, p. 5, sub 5. Zij doelt hier op de incidentele memorie tot voeging ex art. 222 jo Pro. 353 Rv en memorie van grieven, mede houdende subsidiaire vermeerdering van eis d.d. 18 maart 2014.
5.Zie ook HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4278, NJ 2000/236, rov. 3.4; Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 153 en T&C Rv, art. 159 Rv Pro, aant 2.a.
6.Zie hun akte inlichtingen van 1 februari 2012, p. 2, voorlaatste alinea; de conclusie van antwoord in de pachtprocedure, waarnaar wordt verwezen in de antwoordakte tevens reactie op vermeerdering/wijziging van eis van 11 mei 2011, p. 4, tweede en derde alinea, alsmede productie 6; de akte uitlating van 5 september 2012, p. 2, vijfde alinea, alwaar wordt verwezen naar de conclusie van antwoord in de pachtprocedure; de akte inhoudende verweer tegen de provisionele vordering en vermeerdering/wijziging van eis van 28 augustus 2013, vanaf p. 2, laatste alinea; en de memorie van antwoord, p. 4-7, onder ‘ten aanzien van grief 1’.