Conclusie
tweede middel. De klacht berust kennelijk op de opvatting dat bewezenverklaring van de tenlastegelegde periode van 20 november 2007 (in plaats van 1 januari 2008) tot en met 20 november 2008 met zich brengt dat de verdachte gedurende die gehele periode (beroeps- of bedrijfsmatig) hennep heeft verkocht (feit 1). Die opvatting is op zichzelf reeds onjuist. [1] Voor zover in de toelichting op het middel wordt bedoeld te betogen dat in een dergelijk geval de rechter in het kader van de strafmotivering uitdrukkelijk rekenschap van dat verschil en de consequenties daarvan dient af te leggen, stelt de klacht een eis die het recht niet kent [2] en kan zij om die reden klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Overigens wijs ik erop dat het hof in zoveel woorden heeft overwogen dat “als aanvang van de periode waarin verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van hennep als ten laste gelegd onder 1. de datum van 01 januari 2008 kan worden vastgesteld”. Daar is het hof dus van uitgegaan, naar moet worden aangenomen ook in het kader van de strafoplegging. Aldus bezien kan tevens worden gezegd dat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang bij het cassatieberoep heeft. [3]
eerste middel– dat klaagt dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is geschonden – deelt op grond van het voorgaande hetzelfde lot. Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad rechtvaardigt de aangevoerde klacht geen behandeling in cassatie omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, nu het andere middel eveneens met toepassing van art. 80a RO kan worden afgedaan. [4]