ECLI:NL:PHR:2016:1181

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2016
Publicatiedatum
29 november 2016
Zaaknummer
14/03716
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 6 EVRMArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in zaak beroepsmatige hennepverkoop

In deze zaak gaat het om het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor beroeps- of bedrijfsmatige verkoop van hennep vanuit een winkel in Vaals. Het hof ’s-Hertogenbosch had de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar, een taakstraf van 240 uur, en daarnaast onttrekking van bepaalde voorwerpen aan het verkeer bevolen.

De verdachte stelde bij de Hoge Raad twee middelen van cassatie voor, waaronder een klacht over de schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en een betoog over de bewezenverklaring van de tenlastegelegde periode. De Hoge Raad oordeelde dat de klacht over de redelijke termijn evident kansloos was en dat ook het andere middel met toepassing van artikel 80a RO kon worden afgedaan.

De Hoge Raad stelde vast dat de bewezenverklaring van de periode waarin de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan de verkoop van hennep correct was vastgesteld vanaf 1 januari 2008, en dat de verdachte onvoldoende belang had bij het cassatieberoep. Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak bevestigt de vaste jurisprudentie dat klachten zonder voldoende belang of kans op slagen niet tot behandeling in cassatie leiden.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Conclusie

Nr. 14/03716
Zitting: 4 oktober 2016
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 25 juni 2014 zich verenigd met het vonnis van de rechtbank Limburg van 3 april 2013, behoudens wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 en de opgelegde straffen (en de beslissing ten aanzien van het beslag). Het hof heeft de verdachte wegens 1. “in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod” en 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een aantal voorwerpen en de teruggave aan de verdachte bevolen van een in beslag genomen voorwerp, een en ander als in het arrest vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaak 14/03717. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Ik bespreek eerst het
tweede middel. De klacht berust kennelijk op de opvatting dat bewezenverklaring van de tenlastegelegde periode van 20 november 2007 (in plaats van 1 januari 2008) tot en met 20 november 2008 met zich brengt dat de verdachte gedurende die gehele periode (beroeps- of bedrijfsmatig) hennep heeft verkocht (feit 1). Die opvatting is op zichzelf reeds onjuist. [1] Voor zover in de toelichting op het middel wordt bedoeld te betogen dat in een dergelijk geval de rechter in het kader van de strafmotivering uitdrukkelijk rekenschap van dat verschil en de consequenties daarvan dient af te leggen, stelt de klacht een eis die het recht niet kent [2] en kan zij om die reden klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Overigens wijs ik erop dat het hof in zoveel woorden heeft overwogen dat “als aanvang van de periode waarin verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van hennep als ten laste gelegd onder 1. de datum van 01 januari 2008 kan worden vastgesteld”. Daar is het hof dus van uitgegaan, naar moet worden aangenomen ook in het kader van de strafoplegging. Aldus bezien kan tevens worden gezegd dat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang bij het cassatieberoep heeft. [3]
5. De klacht is evident kansloos en kan met toepassing van art. 80a RO worden afgedaan.
6. Het
eerste middel– dat klaagt dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is geschonden – deelt op grond van het voorgaande hetzelfde lot. Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad rechtvaardigt de aangevoerde klacht geen behandeling in cassatie omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, nu het andere middel eveneens met toepassing van art. 80a RO kan worden afgedaan. [4]
7. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie bijv. HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, NJ 2002/536.
2.Zie bijv. HR 8 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2084.
3.Zie voor het voorgaande HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132,
4.Zie de in de vorige voetnoot aangehaalde arresten.