Conclusie
middelen 1-4richten zich tegen ’s Hofs beslissing in het incident. Nu het Hof in het arrest ten gronde tot een voor [eiser] c.s. negatief oordeel is gekomen, had het niet tot een andere slotsom kunnen komen dan die welke in het incident is bereikt. De klachten stuiten reeds daarop af.
middelen 5- 14zien eraan voorbij dat ’s Hofs oordeel over de in de bestreden rechtsoverwegingen op twee zelfstandige gronden berust. De tweede grond is verankerd in rov. 3.14. Tegen dat laatste oordeel behelst het slot van
middel 14een klacht, maar deze miskent dat de genoemde rechterlijke uitspraken onherroepelijk zijn geworden. Ik heb me de vraag gesteld of al hetgeen volgt niet reeds hierop afketst. Volledigheidshalve bespreek ik de klachten toch.
Middel 15is niet (voldoende) begrijpelijk.
middel 16lijkt te zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de Hoge Raad een derde feitelijke instantie is. Dat is evenwel niet het geval. Het warrige betoog maakt niet goed duidelijk wat er nauwkeurig schort aan rov. 3.21 en hetgeen daaraan voorafgaat.
middelen 17 en 18zijn onbegrijpelijk.
Middel 19behelst vooral misplaatste verwijten van partijdigheid aan het Hof; voor het overige is het slechts gestoeld op speculaties.
Middel 20blijft hangen in de inleidende dagvaarding en miskent dat het daarop niet meer aankomt nu [eiser] c.s. in prima in het ongelijk zijn gesteld.
Middel 21ventileert in de eerste plaats voortbouwende klachten; deze delen het lot van hun voorgangers. De klacht(en) over de feitenvaststelling door de Rechtbank missen belang nu het Hof zelf feiten heeft vastgesteld in rov. 3.1 en 3.2 waartegen geen klachten zijn gericht. De slotklacht berust op een verkeerde lezing.
middelen 22 en 23kanten zich tegen obiter dicta en doen niet ter zake.
middel 23. Als de ontboezeming bedoeld is als een zelfstandige klacht mislukt zij omdat duister is in welk opzicht de stellingen te vinden in de mvg onder 9, 31 en 47 toe of afdoen aan ’s Hofs oordeel.