Conclusie
Feiten en procesverloop
‘huidige feiten en omstandigheden niet (in dezelfde omvang) bekend waren hij de toelating van [verzoeker]. Immers, de toelichting en zienswijze van [betrokkene 1] en haar bezwaren zoals thans naar voren gekomen, inclusief de daarbij gestelde feiten en omstandigheden, waren hij het verzoek tot toelating niet bekend’.
Beoordeling van het cassatiemiddel
Sub f wordt een nieuwe beëindigingsgrond ingevoerd voor gronden die op het moment van de toelating tot de regeling al bestonden, maar die pas tijdens de schuldsaneringsregeling bekend worden en die bij de beoordeling van het verzoek tot toelating reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen als bedoeld in artikel 288, eerste en tweede lid. Het gaat hier om gronden die op het moment van de indiening van het verzoekschrift tot toelating reeds bestaan, maar pas later bekend worden. Dit zijn in de eerste plaats vorderingen die al bestonden voordat de schuldsaneringsregeling van toepassing werd verklaard, maar die niet waren gemeld in de artikel 285-verklaring en waarvan het bestaan tijdens de looptijd van de regeling bekend wordt. Verder kan hier worden gedacht aan de omstandigheid dat tijdens de regeling blijkt dat een wel bij aanvang (neutraal) gemelde vordering niet te goeder trouw is ontstaan of onbetaald is gelaten. Het gaat hier niet om schulden die tijdens de schuldsaneringsregeling ontstaan en die op grond van artikel 312 reden Pro kunnen zijn de schuldenaar in staat van faillissement te verklaren.”
NJ2008/479 heeft de Hoge Raad met betrekking tot art. 350 lid 3 Fw Pro (oud) het volgende overwogen:
NJ2012/227 m.nt. Verstijlen is duidelijk gemaakt dat het moet gaan om feiten en omstandigheden die
ten tijde van de toelatingsbeslissingbestonden. Dus niet, zoals in het cassatiemiddel werd bepleit overeenkomstig de letterlijke tekst van art. 350 lid Pro 3, aanhef en onder f, Fw, om feiten en omstandigheden die bestonden ten tijde van het indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsanering. [3]
(i) feiten en omstandigheden die ten tijde van de toelatingsbeslissing bestonden,
(ii) maar die toen niet bekend waren bij rechter, en
Bij brief van 9 juli 2015 is namens [verzoeker] een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift was ingediend door [betrokkene 2], klantmanager schuldhulpverlening bij de gemeente Heerenveen. Het verzoekschrift met (ongenummerde en niet gespecificeerde) bijlagen is overgelegd als prod. 3 bij het appelschrift. Als bijlage bij dit verzoekschrift was onder meer gevoegd de e-mailcorrespondentie tussen mr. Van Leuveren, de advocaat van [betrokkene 1], en [betrokkene 2]. Dat deze e-mailcorrespondentie bij het verzoekschrift was gevoegd is door het hof ook onderkend in rov. 3.4. [4] Tot deze e-mailcorrespondentie behoorden onder meer de volgende e-mailberichten:
In de juridische procedure tussen de ex partners [betrokkene 1] en [verzoeker], treed ik op voor [betrokkene 1]. [betrokkene 1] is jarenlang door [verzoeker] mishandeld. Daarnaast heeft [verzoeker] haar misleid en haar grote bedragen afhandig weten te maken. (...)Uiteindelijk is [betrokkene 1] op alle punten in deze procedure in het gelijk gesteld. Als bijlage treft u het eindvonnis aan. (Opmerking A-G: bedoeld wordt het vonnis van 1 april 2015, waarin de rechter de boedelscheiding heeft uitgesproken en [verzoeker] heeft veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 53.153,73 aan [betrokkene 1].)
Korte tijd voordat het eindvonnis is uitgesproken, heeft [verzoeker] het recht van tweede hypotheek op zijn woning gegeven aan natuurlijke personen (vrienden), vermoedelijk zonder geldige titel. Hiermee probeert [verzoeker] de verhaalsmogelijkheden van mijn cliënte te beperken.Nu het net zich rond [verzoeker] begint te sluiten, probeert hij met een Houdini achtige actie alsnog aan het verhaal van mijn cliënte te ontkomen. Uit uw brief blijkt dat mijn cliënte de enige schuldeiser is. Ik zie niet in waarom mijn cliënte op het voorstel zou moeten ingaan. (...)”
Dank voor uw bericht en de uitleg. Ik zal het behandelen als weigering op ons verzoek tot heroverweging van het saneringsvoorstel, en het WSNP-traject in werking stellen. De verdere beoordeling van het verzoek kan aan de rechter worden overgelaten (...)De kans op een afwijzing van het WSNP-verzoek op grond van art. 358 Fw Pro acht ik overigens nihil. (...)”
(iv) niet duidelijk is wat hij met het geleende geld heeft gedaan c.q. waarvoor hij dat geld nodig had;
Kennelijk zijn deze feiten en omstandigheden bij het nemen van de toelatingsbeslissing voor de rechtbank geen aanleiding geweest om te oordelen dat de schuld van [verzoeker] aan [betrokkene 1] niet te goeder trouw was ontstaan.
Ik merk in dit verband nog op dat bij het verzoekschrift tot toelating (uiteraard [5] ) ook de eigen verklaring ex art. 288 Fw Pro van [verzoeker] was gevoegd. Uit die verklaring blijkt van de escalatie in de verhouding tussen [verzoeker] en [betrokkene 1] en de beschuldigingen die over en weer zijn gemaakt. Verder waren als bijlage aan het verzoekschrift gehecht het vonnis van 1 april 2015, de schuldbekentenis van [verzoeker] voor het door hem geleende bedrag van € 20.000,-- en de hypotheekakte van 30 juli 2014 voor de tweede hypotheek (waarbij de vrienden van [verzoeker] optraden als hypotheeknemer). [6]
Het klopt wel dat de feiten en omstandigheden door [betrokkene 1] niet mondeling zijn toegelicht ten overstaan van de rechtbank. In zoverre is het correct ‘dat [betrokkene 1] haar bezwaren niet voor het voetlicht heeft kunnen brengen’; zij heeft dit niet
mondelingkunnen doen. Ook correct is dat ‘er geen debat met [verzoeker] [heeft] plaatsgevonden over de schuld’ en dat [verzoeker] niet ‘uitgebreid bevraagd [is] op dit punt’. De reden daarvoor is dat de rechtbank na ontvangst van het toelatingsverzoek geen zitting heeft bepaald om het verzoek te behandelen, maar de zaak ‘pro forma’ (dat wil zeggen: zonder zitting) heeft afgedaan. Het berust dus op een eigen keuze van de rechtbank om [verzoeker] niet te bevragen over de schuld.
“
Afdoening zonder zitting
Ik merk op dat een ‘pro forma’ genomen beslissing niet een in de wet geregelde wijze van afdoening van een toelatingsverzoek is. Er bestaat niet zoiets als een ‘gewone’ toelatingsbeslissing en een ‘pro forma’ genomen toelatingsbeslissing. De Fw spreekt slechts over het bij vonnis doen van uitspraak op het verzoekschrift (art. 287 Fw Pro). In die uitspraak wordt het verzoek om toelating toegewezen of afgewezen; meer smaken zijn er niet.
afwijzingvan een verzoek om toelating zonder de schuldenaar ter zitting te horen, zal in het algemeen in strijd zijn met art. 6 EVRM Pro. [9] Een
toelatingis dat niet, althans niet ten aanzien van de schuldenaar. Wel kleeft er een groot nadeel aan, namelijk dat er slechts in beperkte mate een nader rechterlijk onderzoek heeft plaatsgevonden ten aanzien van de vragen die in het kader van de toetsing aan art. 288 lid 1 Fw Pro beantwoord moeten worden. Dat zijn de volgende vragen: (a) zijn de schulden te goeder trouw ontstaan, (b) is de schuldenaar in staat de verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsanering naar behoren na te komen en (c) zal de schuldenaar zich inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (saneringsgezinde houding). Met name bij vraag (a), het te goeder trouw ontstaan zijn van de schulden, speelt de eigen verklaring van de schuldenaar ex art. 288 Fw Pro een belangrijke rol. Het was nadrukkelijk de bedoeling van de wetgever dat de rechter deze vragen beantwoordt aan de hand van een onderzoek ter zitting, zo blijkt uit de memorie van toelichting (onderstreping A-G):
Maar een belangrijke rol zal zijn weggelegd voor de artikel 288-verklaring van de schuldenaar. Daarin zal hij moeten aantonen moeite te willen doen voor toelating tot de schuldsaneringsregeling. (...) Teneinde de rechter een zo volledig mogelijk inzicht te geven in de situatie waarin de schuldenaar zich bevindt,is in het nieuwe derde lid de rechter uitdrukkelijk de mogelijkheid gegeven de schuldenaar op de zitting vragen te stellen teneinde zijn verklaring mondeling toe te lichten.Het stellen van vragen over de verklaring zal nooit in de plaats kunnen treden van een volstrekt ontoereikende verklaring en dient enkel ter toelichting van vragen die open blijven naar aanleiding van de verklaring.” [10]
openbaarmoet zijn. [14] Voor zover mij bekend behandelen rechters toelatingsverzoeken in de praktijk inderdaad op een (besloten) zitting. De enige beslissingen die in het kader van de WSNP standaard ‘pro forma’ plgen te worden genomen, zijn beëindigingsbeslissingen met verlening van schone lei, wanneer de looptijd van de schuldsanering is doorlopen, de bewindvoerder positief adviseert over verlening van een schone lei en de zaak verder geen bijzonderheden heeft.
NJ2008/479, zie onder punt 2.4).
NJ2008/479 heeft A-G Keus onder 2.8 het volgende opgemerkt (onderstreping A-G):
NJ2008/479). In het arrest keert de passage ‘
of die door de rechter toen over het hoofd zijn gezien’ook niet terug. Overigens wordt in de parlementaire geschiedenis van het huidige art. 350 Fw Pro niet gerept over ‘iets over het hoofd zien’ of vergelijkbare bewoordingen (vergelijk bij punt 2.3).
Deze vraag dient naar mijn mening ontkennend te worden beantwoord. De positie van schuldeisers bij de toelating tot de schuldsanering is in het wettelijke systeem uitermate beperkt. [16] Zo worden schuldeisers niet gehoord bij de toelating (de rechter
kandat overigens wel doen) en ook is niet vereist dat zij instemmen met toelating van de schuldenaar. Wel kan een schuldeiser schriftelijk bezwaren tegen toelating naar voren brengen, zoals in de onderhavige zaak is gebeurd. Schuldeisers hebben op grond van art. 292 lid 2 Fw Pro ook niet de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen een toelatingsbeslissing. Dit is een bewuste keuze van de wetgever geweest, ingegeven door het belang van een snelle afdoening, zo blijkt uit de memorie van toelichting: [17]
Tegen een uitspraak tot voortzetting van de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van het saneringsplan en tegen andere beslissingen van de rechter die in het kader van de toepassing van de schuldsaneringsregeling worden gegeven, kunnen door schuldeisers rechtsmiddelen worden ingesteld. Overigens kunnen zij in voorkomende gevallen op de voet van artikel 350 een Pro verzoekschrift tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling indienen. Met een en ander zijn hun rechten voldoende gewaarborgd. Het zou nodeloos vertragend werken als tegen de uitspraak tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.”