ECLI:NL:PHR:2016:1203

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 november 2016
Publicatiedatum
6 december 2016
Zaaknummer
15/00606
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 10 lid 4 OpiumwetArt. 10 lid 5 OpiumwetArt. 2 onder C Opiumwet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens bewijsklachten in zaak voorbereiden drugsmisdrijf

De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor het voorbereiden en bevorderen van een drugsmisdrijf, namelijk het buiten Nederland brengen en verwerken van ruim 32 kilogram heroïne. Het hof stelde vast dat verdachte een vacuümapparaat bezat dat bestemd was voor het verpakken van heroïne en dat hij telefonische contacten en afspraken had gemaakt met betrokkenen bij de levering en het vervoer van de drugs.

Tegen dit arrest stelde de verdachte twee middelen van cassatie voor, gericht op de bewijsvoering omtrent de bestemming van het vacuümapparaat en de wetenschap van verdachte omtrent het gebruik daarvan. De Hoge Raad overwoog dat uit de bewijsvoering van het hof zonder meer volgt dat verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat het apparaat en de contacten bestemd waren voor het plegen van het drugsmisdrijf.

De Hoge Raad concludeerde dat de middelen evident falen en dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering. Daarmee blijft het arrest van het hof Amsterdam in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.

Conclusie

Nr. 15/00606
Zitting: 8 november 2016
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 30 januari 2015 door het Gerechtshof Amsterdam voor 1. “een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door een ander gelegenheid of middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen” en 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft voorts de tenuitvoerlegging gelast van eerder door de politierechter respectievelijk het hof te Amsterdam opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen, een en ander als bepaald in het bestreden arrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 15/00626 en 15/00810. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
De middelen
4.1. Het eerste middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid “dat het voorhanden hebben van een vacuümapparaat, het onderhouden van telefonische contacten en maken van afspraken, was bestemd tot het in de bewezenverklaring genoemde misdrijf, te weten een feit bedoeld in art. 10 lid 4 of Pro lid 5, voorbereiden of bevorderen, althans dat ’s-Hofs andersluidende oordeel niet begrijpelijk is”. Het tweede middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat dit voorwerp en die handelingen waren bestemd tot het plegen van dat feit. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
4.2. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij op 8 en 9 december 2009 te Amsterdam, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van 32,48 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,
een of meer anderen gelegenheid en/of middelen tot het plegen van dat feit getracht heeft te verschaffen
en voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte:
een vacuüm apparaat bestemd voor het verpakken en bewerken van eerdergenoemde hoeveelheid heroïne voorhanden gehad en (telefonische) contact(en) gehad en afspra(a)k(en) gemaakt met een of meer transporteur(s) en/of afnemer(s) en/of tussen perso(o)n(en) met betrekking tot de levering, opslag en/of het vervoer van eerdergenoemde hoeveelheid heroïne”
4.3. Voor zover het eerste middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het onderhouden van telefonische contacten en het maken van afspraken was “bestemd” tot het in de bewezenverklaring van feit 1 genoemde misdrijf, merk ik op dat niet is bewezenverklaard dat deze handelingen bestemd waren tot het in de bewezenverklaring van feit 1 genoemde misdrijf. Voor zover het eerste middel bedoelt te klagen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte door het onderhouden van telefonische contacten en het maken van afspraken met een of meer transporteur(s) en/of afnemer(s) en/of tussen perso(o)n(en) met betrekking tot de levering, opslag en/of het vervoer van eerdergenoemde hoeveelheid heroïne “een of meer anderen gelegenheid en/of middelen tot het plegen van het in de bewezenverklaring bedoelde feit getracht heeft te verschaffen”, is het eveneens tevergeefs voorgesteld, nu uit de bewijsvoering van het hof zonder meer kan volgen dat daarvan wél sprake was.
4.4. Uit de bewijsvoering van het hof kan voorts het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit – in het bijzonder de in cassatie bestreden bestemming van het vacuümapparaat en de wetenschap of het ernstige vermoeden bij de verdachte van die bestemming - zonder meer volgen.
4.5. De middelen falen evident en rechtvaardigen derhalve geen behandeling in cassatie.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG