Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
inrichtingis niet relevant, nu ook de verkrijging van sloopwoningen, gestripte woningen, cascowoningen en zelfs blote fundamenten gefacilieerd is. Evenmin is van belang of het huis nog (of al) bewoonbaar is.
overinclusiveen
underinclusive.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
gebruikvan de onroerende zaak verwart met de
aardvan de bestemming. Zij wijst op het volgende: (i) de aard van de bestemming van het object is duidelijk die van woonhuis, (ii) de omschrijving in de leveringsakte, (iii) de ligging in een woonwijk in een rijtje en (iv) de publiekrechtelijke bestemming. Het afwijkende feitelijke gebruik en het ontbreken van een keuken en een badkamer is haars inziens niet relevant voor de bepaling van de aard en de bestemming. Zij wijst erop dat volgens de wetsgeschiedenis, andersom, bij feitelijke bewoning het verlaagde tarief niet geldt als er geen woonbestemming is. Als de aard van de bestemming afwijkt van het feitelijke gebruik, zoals in casu, dan geeft de aard van de bestemming de doorslag. Het standpunt van de Staatssecretaris staat haaks op de vastgestelde feiten, de jurisprudentie en het eigen standpunt van de fiscus ten aanzien van dezelfde onroerende zaak.
4.Beoordeling van het middel
tie break(de publiekrechtelijke bestemming) geen uitsluitsel geeft, bijvoorbeeld door publiekrechtelijke dubbelbestemming (zoals in casu).