Conclusie
[eiser 1]
[eiser 2],
Asset Refinance Company B.V.,
middelI dat het hof niet heeft onderzocht of vastgesteld dat de verworven aandelen daadwerkelijk zijn aangekocht (zie onder meer
nrs. 2, 9, 13 en 28van het middel) miskent dat het hof mede over die vraag een oordeel heeft gegeven. Het hof onderzoekt deze vraag immers op basis van het rapport van de AFM dat was opgesteld op verzoek van het hof in het kader van de WCAM-procedure en op basis van de stellingen die [eiser] c.s. ontleenden aan de jaarstukken van Dexia.
nr. 14) veronderstelt, volgt uit rapport van de AFM niet dat geen onderzoek is gedaan naar aankoop van aandelen, maar slechts dat aankoop van aandelen niet feitelijk is vastgesteld. De AFM heeft op grond van haar bevindingen wel aannemelijk geacht dat aan de levering van de aandelen aankoop is voorafgegaan. Volgens het hof kan in de feitelijke stellingen van [eiser] c.s. onvoldoende grond worden gevonden om aan de juistheid van de bevindingen van de AFM te twijfelen. Het hof acht het derhalve met de AFM aannemelijk dat de aandelen zijn aangekocht.
nietzijn aangekocht. De AFM heeft immers ook vastgesteld, en zo heeft het hof het ook overgenomen, dat het wel aannemelijk is dat aan de leveringen van de aandelen een aankoop is voorafgegaan. Ook in zoverre slaagt het middel niet.
nr. 16 e.v.). Het hof verwerpt met deze overweging slechts de stelling dat Dexia verplicht was om reeds bij het sluiten van de overeenkomsten (tegen de daarin vermelde bedragen) ook de aandelen voor de tweede en de derde tranche te kopen. De overeenkomst vermeldt, zo overweegt het hof, dat die aankopen na 12 respectievelijk 24 maanden zouden plaatsvinden. Door middel van callopties mocht Dexia bedingen dat de levering van die tranches zou geschieden tegen dezelfde prijs als de eerste tranche (met de mogelijkheid dat bij een daling van de koers de opties niet zouden worden benut en de aandelen tegen een lagere prijs zouden worden aangekocht).
middel II. Die klacht is gericht tegen de overweging dat het hof voorbij gaat aan het bewijsaanbod van [eiser] c.s. bij gebreke van voldoende concrete ter zake dienende stellingen (rov. 3.17). [eiser] c.s. hebben bij MvG (nrs. 23, 27, 57, 64, 73-75) en Akte van 9 juli 2013 (nrs. 23-24) bewijs aangeboden van hun stellingen, zeer kort gezegd, dat er nooit aandelen zijn aangekocht (en weer verkocht) maar er enkel is gewerkt met aandelen (koop)opties, waartoe zij wezen op de door hen overgelegde jaarverslagen, de conclusies die zij daaraan verbonden en hun bestrijding van het rapport van de AFM. Het hof heeft de kern van deze stellingen in zijn arrest van 23 september 2014 besproken en deze onvoldoende geoordeeld. Die oordelen worden door middel I vergeefs bestreden. Nu het hof kon oordelen dat onvoldoende was gesteld, is zijn oordeel dat bewijslevering achterwege kan blijven juist.
nadat[eiser 1] (en vele, vele andere afnemers) de overeenkomst Dexia Aanbod hadden gesloten”, aldus nog steeds [eiser] c.s. Gezien de stand waarin de procedure zich bevond, konden [eiser] c.s. ter betwisting van de stelling van ARC dat sprake was van een einddatum niet volstaan met de enkele ontkenning zoals hiervoor is opgenomen. Het had bijvoorbeeld op hun weg gelegen een Dexia Toelichting Hardheidclausule of Gegevensformulier Hardheidsclausule in het geding te brengen waarin geen einddatum is opgenomen. Dat betekent dat als onvoldoende betwist vast staat dat de Hardheidsclausule een einddatum bevatte. [eiser] c.s. hebben bij conclusie van antwoord van 2 maart 2011 voor het eerst een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Voorts zijn de drie effectenleaseovereenkomsten die onderwerp van onderhavige procedure zijn respectievelijk in maart 2005, april 2005 en maart 2006 geëindigd.
nrs. 32, 39-41, 42, 44).