Conclusie
1.Inleiding, feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
subonderdelen 1.1 t/m 1.4veronderstellen dat de bewijslast ten aanzien van (het ontbreken van) de draagkracht bij de man op de man rust. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Uit de overgelegde stukken is voorts niet gebleken dat de vrouw dan wel de kennissen van de vrouw (de genoemde studievriend) uit eigen waarneming hebben vastgesteld dat de man in Nigeria (of elders) werkzaam is, zodat het hof de stelling van de vrouw dienaangaande eveneens passeert” en ”
heeft de vrouw haar stelling, dat de man op dit moment een betaalde baan heeft, onvoldoende onderbouwd om tot het bewijs te worden toegelaten.”
subonderdeel 1.10betoogt, maakt de vaststelling van het hof dat de man tot 31 maart 2013 voor [A] ltd. heeft gewerkt enerzijds en de vaststelling dat uit de Poolse stukken is gebleken dat de man in 2013 geen inkomen heeft genoten anderzijds, het oordeel van het hof over de waardering van de Poolse stukken niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Hierbij is van belang dat de man zich na het eindigen van voornoemde arbeidsrelatie in Polen heeft gevestigd. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat als de man vanaf het moment van zijn vestiging in Polen inkomen zou hebben genoten, hij over enig deel van zijn inkomen belastingplichtig zou zijn in Polen en dit dus uit de Poolse stukken zou moeten blijken. Het feit dat de man voorafgaand aan zijn vestiging in Polen inkomen buiten Polen heeft genoten en dit inkomen in de Poolse stukken niet is terug te vinden, maakt dit oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
subonderdeel 1.11wordt betoogd dat het hof de beoordeling van een drietal stellingen van de vrouw onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, dan wel onvoldoende op deze stellingen is ingegaan. Het betreft (i) de stelling dat de man sinds februari 2012 werkzaam was als drilling engineer en sindsdien het salaris verdiende als door de studievriend verklaard, (ii) de stelling dat de op de draagkracht van de man in mindering gebrachte omgangskosten niet langer voor mindering in aanmerking komen en (iii) de stelling dat de op de draagkracht van de man in mindering gebrachte woonlasten zijn verminderd doordat de man met zijn nieuwe partner samenwoont in een met eigen middelen betaald koophuis.
subonderdelen 1.5 en 1.6betogen dat het hof de eisen ter zake een voldoende specifiek bewijsaanbod heeft miskend ten aanzien van het horen van de twee door de studiegenoot genoemde relaties en ter zake het horen van de studiegenoot zelf.
Subonderdeel 1.8betoogt dat het hof zich schuldig heeft gemaakt aan een verboden prognose door op voorhand te oordelen dat hetgeen de studievriend zou verklaren onvoldoende zou zijn omdat dit niet meer zou zijn dan zijn schriftelijke verklaring. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Subonderdeel 2.1bevat een op de onderdelen 1 en 4 voortbouwende klacht en volgt het lot daarvan.
Subonderdeel 3.1bevat een op de onderdelen 1 en 4 voortbouwende klacht en volgt het lot van deze onderdelen.
subonderdelen 3.3 en 3.4richten zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de door het hof toegepaste verdeling van de draagkracht van de man over de drie (later vier) kinderen, mede in het licht van – kort gezegd - de stellingen van de vrouw dat (i) de kinderen van de man uit zijn nieuwe relatie een lagere behoefte hebben en (ii) de nieuwe partner van de man een eigen inkomen heeft zodat zij ook dient bij te dragen aan de behoefte van haar kinderen met de man. De subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
subonderdelen 3.3 en 3.4zijn naar mijn mening terecht voorgesteld.
subonderdelen 4.2 en 4.3richten zich vergeefs tegen het oordeel dat de man door het opzeggen van zijn baan niet in strijd met de belangen van de vrouw en van de minderjarigen heeft gehandeld, nu dit oordeel niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk gemotiveerd is.