Conclusie
“verkrachting”en 2.
“medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven”, veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van drie dagen, met aftrek van voorarrest en tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
eerste middelklaagt dat de onder 2 bewezenverklaarde vrijheidsberoving en het bewezenverklaarde opzet daartoe niet uit de bewijsvoering kan volgen.
“De bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2014.
aangifte van [betrokkene 1] :
verklaring van [slachtoffer] :
verklaring van [slachtoffer] :
[slachtoffer], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2014.
als verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] :
“Nadere bewijsoverweging
de intentie aangaande de duur waarmee iemand van zijn vrijheid wordt beroofd, minder belangrijk is dan de feitelijke situatie waarin hij gebracht wordt”. [4]
probeer maar over ons heen te springen en als je ons niet aanraakt mag je weg”. Als [slachtoffer] inderdaad over hen heen probeerde te stappen, werd ze geschopt, geslagen en aan haar haren weer naar binnen getrokken. [medeverdachte] deed de deur afwisselend open en dicht. Zodra [slachtoffer] op de drempel kwam, deed hij de deur dicht. [slachtoffer] wilde over de verdachte heen stappen, maar dit lukte niet omdat hij haar wegduwde met zijn voet. [slachtoffer] stuurde een sms naar haar moeder met de inhoud dat ze bij [medeverdachte] was en dat hij haar niet liet gaan. Na een kwartier lukte het [slachtoffer] om naar buiten te gaan.
opzettelijkvan de vrijheid heeft beroofd niet van een onjuiste rechtsopvatting, is het niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dat opzet lijkt mij overigens niet voorwaardelijk van aard, maar
onvoorwaardelijk.
tweede middelklaagt dat het onder 1 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen en/of de bewijsoverweging van het hof kan volgen. In het bijzonder wordt geklaagd over de bewezenverklaarde “
bedreiging met een andere feitelijkheid” waardoor de aangeefster zou zijn gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
“De bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2014.
aangifte van [betrokkene 1] :
verklaring van [slachtoffer] :
verklaring van [slachtoffer] :
[slachtoffer], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2014.
verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] :
“Nadere bewijsoverweging
bedreiging met een feitelijkheid” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, nu uit die bewijsmiddelen weliswaar volgt dat de aangeefster stelt te hebben gehandeld uit angst voor de omstandigheid dat de verdachte naaktfoto’s van haar zou publiceren via internet en/of twitter, maar uit die bewijsmiddelen eveneens blijkt dat de bewuste foto’s van de aangeefster niet in het bezit waren van de verdachte maar van de medeverdachte [medeverdachte] . De steller van het middel concludeert dat, nu aangeefster wist dat de verdachte niet de feitelijke macht had over de naaktfoto’s, zij zijn opmerking over het publiceren van de foto’s eenvoudig had kunnen negeren en niet over had hoeven gaan tot de bewezenverklaarde seksuele handelingen. Het hof heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de aangeefster zich naar redelijke verwachting niet aan de seksuele handelingen had kunnen onttrekken, aldus de steller van het middel.
nietop het standpunt dat bedreiging met het openbaar maken van naaktfoto’s geen “
bedreiging met een andere feitelijkheid” in de zin van art. 242 Sr Pro kán opleveren. Het gaat de steller van het middel er slechts om, dat de aangeefster de bedreiging “
niet serieus had hoeven nemen” omdat de verdachte zélf niet in het bezit was van haar naaktfoto’s.