Conclusie
secals een economische eenheid kan worden aangemerkt.
1.Feiten en procesverloop
short haul(korte of continentale vluchten, zowel charters als lijndiensten) en de
long haul(lange of intercontinentale vluchten) op acht bestemmingen. Martinair had in 2010 circa 385 cabinemedewerkers en had een eigen CAO (hierna: de Martinair CAO). Martinair had in november 2011 voor de passagedivisie vier geleasde vliegtuigen ter beschikking.
senior purser(op de betere vliegtuigen en de intercontinentale vluchten). De promotie van éénbander naar de eerst hogere functie van “tweebander” duurt gemiddeld 13 tot 15 jaar. Een hogere functie geeft betere arbeidsvoorwaarden, maar ook binnen eenzelfde functie zijn de arbeidsvoorwaarden beter naarmate men een hogere positie bekleedt op de senioriteitslijst voor de betreffende functie. De carrière, de functie en de arbeidsrechtelijke positie van een cabinemedewerker worden in belangrijke mate door de senioriteit bepaald. Men verliest over het algemeen zijn anciënniteit en senioriteit, indien men van luchtvaartmaatschappij wisselt. Het veranderen van werkgever met behoud van anciënniteit en senioriteit (“horizontaal overstappen”) komt zelden voor.
long haulpassagedivisie van Martinair onder voorwaarden toekomst hadden en dat de
short haulvluchten zouden moeten worden gestaakt. De
short haulvluchten van Martinair zijn vervolgens in november 2007 gestaakt. Martinair heeft drie passagevliegtuigen afgestoten door ze aan de leasemaatschappijen te retourneren. Martinair vloog met de zes resterende vliegtuigen daarna nog op acht
long haulbestemmingen: Cuba (Havana en Varadero), Punta Cana, Mexico, Curaçao, Aruba, Kenia en eerst Miami, later Orlando (VS). De vrachtdivisie is ongewijzigd gehandhaafd. Martinair heeft over het boekjaar 2007/2008 verdere verliezen geleden. KLM heeft op 31 december 2008 de resterende 50% van de aandelen in Martinair verworven en is sindsdien enig aandeelhouder van Martinair.
passenger services, de
inflight servicesen de sleepdienst. De medewerkers van Martinair bij deze onderdelen zijn met behoud van anciënniteit in dienst van KLM gekomen, bij dezelfde (maar anders genoemde) afdelingen van KLM. Martinair heeft in juli 2009 haar vloot gereduceerd van zes naar vier vliegtuigen, terwijl in 2010 nog een passagevliegtuig is afgestoten. Martinair heeft kort daarna alle vliegtuigen verkocht en terug geleased. Martinair heeft over de boekjaren 2008/2009 en 2009/2010 (mede als gevolg van de kredietcrisis) verdere verliezen geleden. Martinair heeft op een personeelsbijeenkomst van 23 september 2010 bekendgemaakt dat zij het voornemen had per 1 november 2011 te stoppen met de resterende (
long haul) passagedivisie en zich te concentreren op vrachtvervoer.
long haulvluchten. Zij werden tewerkgesteld in hun oorspronkelijke functie bij Martinair, met behoud van hun senioriteit en anciënniteit bij Martinair, ook voor wat betreft hun IPB-rechten. De overige 69 cabinemedewerkers zijn, na een training van zes weken, afgerond met een examen, direct op KLM-vluchten ingezet. Martinair heeft de resterende passagedivisie per 1 november 2011 volledig gestaakt. De resterende cabinemedewerkers die bij Martinair waren gedetacheerd zijn per die datum naar KLM overgegaan. Ze hebben eerst de training van zes weken doorlopen, afgerond met een examen, en zijn daarna als “éénbander” bij KLM gaan werken. Martinair heeft de overgebleven passagevliegtuigen naar de leasemaatschappijen afgestoten. De vrachtafdeling is door Martinair voortgezet.
passagedivisiebevestigend beantwoord (rov. 3.2.3). Ten aanzien van het
cabinepersoneel op zichzelf, hetgeen door de Stichting c.s. aan de orde was gesteld, heeft het hof vraag (i) ook bevestigend beantwoord, maar vraag (iii) ontkennend (rov. 3.2.5). Ten aanzien van de
passagedivisieis het hof ten slotte vooralsnog van een bevestigende beantwoording van vraag (ii) uitgegaan (rov. 3.2.6), maar heeft het vraag (iii) ontkennend beantwoord (3.2.7-3.4.4). Dit leidde tot de conclusie dat van overgang van onderneming geen sprake was en dat de afwijzing van de vorderingen van de Stichting c.s. en van de vordering van VNC en FNV door de kantonrechter in stand diende te blijven.
2.Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep
passagedivisievan Martinair kan worden gezien als een economische eenheid. De Stichting c.s. hebben hun vorderingen in eerste aanleg, en ook thans, in hoofdzaak gegrond op de stelling dat de passagedivisie van Martinair als economische eenheid is overgegaan naar KLM. KLM c.s. hebben niet, althans onvoldoende, bestreden dat de passagedivisie van Martinair, zoals deze tot 1 november 2011 bestond, als economische eenheid kan worden aangemerkt. Het hof zal dan ook daarvan uitgaan. In zoverre wordt de onder (i) opgeworpen vraag ook door het hof in bevestigende zijn beantwoord.
Een economische eenheid (in de zin van artikel 7:662 lid 2 sub b BW Pro) moet voldoende gestructureerd en autonoom zijn, maar behoeft nietnoodzakelijkerwijsmateriële en immateriële activa van betekenis te omvatten. Een georganiseerd geheel van werknemers die speciaal en duurzaam met een gemeenschappelijke taak zijn belast, kan, wanneer er geen andere productiefactoren zijn, als economische eenheid worden aangemerkt (vgl. HvJ 10 december 1998, JAR 1999/16). In dit licht bezien kan worden aangenomen dat het cabinepersoneel een economische eenheid vormt(onderstreping toegevoegd; LK). Het hof wijst echter erop dat het voortbestaan van de identiteit van deze economische eenheid, zoals door de Stichting c.s. bedoeld, namelijk doordat het personeel na indiensttreding bij KLM direct voor een groot deel werd gedetacheerd bij Martinair, slechts tijdelijk was en alleen tot doel had de activiteiten van de passagedivisie van Martinair stapsgewijs af te bouwen. Op het moment dat het personeel bij KLM in dienst trad, was immers al duidelijk dat Martinair al haar passage-activiteiten per 1 november 2011 zou beëindigen en dat het voltallige voormalige cabinepersoneel van Martinair vanaf dat moment zou worden ingezet als KLM-personeel op vluchten van KLM. De identiteit, zoals door de Stichting c.s. bij haar onderhavige grief beschreven (de specifieke Martinair identiteit), is voor deze groep medewerkers dan ook per 1 november 2011 alsnog teloor gegaan. De voor al het voormalige cabinepersoneel van Martinair gelijk gehouden datum van indiensttreding, 1 februari 2011, had overigens tot doel - zo stelt KLM onweersproken - de binnen Martinair geldende senioriteitsvolgorde binnen de groep van cabinepersoneel na de overgang zoveel mogelijk te handhaven. Het hof begrijpt aldus dat er goede grond was te kiezen voor de tijdelijke detachering in plaats van het personeel dat gedetacheerd werd pas op de datum van het daadwerkelijk beëindigen van de passagedivisie, bij KLM in dienst te laten treden. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden gesproken van een - in het kader van deze beoordeling voldoende relevant - behoud van identiteit van het cabinepersoneel. Grief II faalt dan ook.”
alsde betrokken eenheid haar identiteit niet heeft behouden aangezien de voor die eenheid (meest) kenmerkende activa niet zijn overgegaan, datgene wat in dat geval wél is overgegaan - bij gebreke van deze kenmerkende activa - logischerwijze niet
zelfals (zelfstandige) economische eenheid in de zin van art. 7:662 lid 2 sub b BW Pro kan gelden. In dat geval is (na die overgang) immers geen sprake meer van een georganiseerd geheel van middelen waarmee de activiteiten of bepaalde activiteiten van de overdragende onderneming (in casu de intercontinentale passageluchtvaart) duurzaam kunnen worden voortgezet [8] .
Spijkers), 24/85, ECLI:NL:XX:1986:AC8669 (ECLI:EU:C:1986:127), NJ 1987/502, punten 11-12 en, recentelijk, HvJ EU 9 september 2015 (
Air Atlantis), C-160/14, ECLI:EU:C:2015:565, AB 2016/1 m.nt. R. Ortlep, JAR 2015/260 m.nt. R.M. Beltzer, TvAO 2015/4 m.nt. L. Geldof en C. Waterman, punt 25).
Spijker, punt 13, en het arrest
Air Atlantis, punt 26).
Süzen), C-13/95, ECLI:NL:XX:1997:AG1499 (ECLI:EU:C:1997:141), NJ 1998/377, JAR 1997/91 m.nt. R.M. Beltzer, TVVS 1997/85 m.nt. M.R. Mok, punt 18, en het eerdergenoemde, recente arrest inzake
Air Atlantis,punt 27).
Süzenheeft het Hof van Justitie geoordeeld dat, waar in het bijzonder een economische entiteit in bepaalde sectoren zonder materiële of immateriële activa van betekenis kan functioneren, het behoud van de identiteit van een dergelijke entiteit per definitie niet van de overdracht van dergelijke activa kan afhangen (punt 18). Tegen die achtergrond heeft het Hof van Justitie voorts geoordeeld dat, voor zover in bepaalde sectoren waarin arbeidskrachten de voornaamste factor zijn bij de activiteit een groep werknemers die duurzaam een gemeenschappelijke activiteit verricht een economische entiteit kan vormen, moet worden erkend dat een dergelijke entiteit haar identiteit ook na de overdracht kan behouden, wanneer de nieuwe ondernemer niet alleen de betrokken activiteit voortzet, maar ook een wezenlijk deel - qua aantal en deskundigheid - van het personeel overneemt dat zijn voorganger speciaal voor die taak had ingezet. Volgens het Hof van Justitie verwerft de nieuwe ondernemer in dat geval namelijk het georganiseerde geheel van elementen waarmee de activiteiten of bepaalde activiteiten van de overdragende onderneming duurzaam kunnen worden voortgezet (punt 21).
Liikenne), C-172/99, ECLI:NL:XX:2001:AG2873 (ECLI:EU:C:2001:59), JAR 2001/68 m.nt. R.M. Beltzer, OR 2001/46 m.nt. M.R. Mok, geoordeeld dat busvervoer niet kan worden aangemerkt als een activiteit waarin de arbeidskrachten de voornaamste factor zijn, aangezien het een belangrijke inzet van materieel en middelen vereist (punt 39) [9] . In een sector als het geregeld openbaar vervoer per autobus, waarin materiële activa in belangrijke mate bijdragen aan de activiteit, moet het feit dat geen overgang van enig belang van dergelijke voor de goede werking van de eenheid onontbeerlijke activa van de vorige naar de huidige opdrachtnemer heeft plaatsgevonden, tot de conclusie leiden dat de eenheid haar identiteit niet heeft behouden (punt 42) en dat de richtlijn derhalve niet van toepassing is wanneer geen materiële activa van enig belang zijn overgedragen (punt 43).
Spijkersvoorgeschreven aanpak, volgens welke de verschillende factoren niet op zichzelf, maar in samenhang dienen te worden bezien, naar mijn mening in vergaande mate gerelativeerd [12] .
Air Atlantisheeft het Hof van Justitie - onder verwijzing naar het arrest
Liikenne- uitdrukkelijk bevestigd dat in de luchtvaartsector de overdracht van materieel van wezenlijk belang [13] moet worden geacht om te beoordelen of van de overgang van een vestiging in de zin van art. 1 lid 1 van Pro de Richtlijn sprake is (punt 29). Het voortgezet gebruik van de betrokken vliegtuigen wijst volgens het Hof van Justitie op de overname van activa die noodzakelijk zijn om de activiteit voort te zetten die voordien door de overdragende onderneming werd uitgevoerd (punt 30) [14] .
“(a)l met al niet kan worden volgehouden dat KLM vliegtuigen van Martinair heeft overgenomen, ook niet op de door de Stichting c.s. bedoelde indirecte wijze”(rov. 3.3.4 in fine), dat
“(h)et hof (…) dan ook ervan uit(gaat) dat KLM niet de meest kenmerkende bedrijfsmiddelen van Martinair, te weten de vliegtuigen, heeft overgenomen”(rov. 3.3.5) en dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van overgang van de passagedivisie
“van groot gewicht is dat geen materiële activa van betekenis zijn overgedragen, terwijl wel sprake is van een kapitaalintensieve onderneming”(rov. 3.4.2). Aan dat laatste doet mijns inziens niet af dat het hof (eerder in diezelfde rov. 3.4.2) heeft overwogen dat de passagedivisie van Martinair
“weliswaar als een arbeidsintensieve, maar tevens als een kapitaalintensieve onderneming kan worden gekenschetst”. Een bedrijf(sactiviteit) is ofwel arbeidsintensief, ofwel kapitaalintensief, al naar gelang de factor arbeid dan wel de factor kapitaal overheerst; in die zin is het van tweeën één, waaraan niet afdoet dat het niet altijd eenvoudig zal zijn uit te maken of de ene dan wel de andere factor overheerst. Blijkens het vervolg van rov. 3.4.2 heeft het hof in verband met de betekenis van het ontbreken van een overgang van materiële activa uiteindelijk (en terecht) het kapitaalintensieve karakter van de passagedivisie doorslaggevend geacht.
goodwill, het klantenbestand en de relaties van Martinair met touroperators (de rov. 3.3.6-3.3.10, 3.3.13 en 3.3.15) - geoordeeld dat, ondanks de overgang van alle cabinemedewerkers van de passagedivisie van Martinair en enkelen van de (co-)piloten van die divisie, onvoldoende elementen van betekenis zijn overgegaan om van behoud van identiteit te kunnen spreken. Zijn op alle in aanmerking genomen criteria gebaseerde conclusie (rov. 3.4.1-3.4.4) luidt dan ook dat KLM niet de passagedivisie van Martinair heeft overgenomen zoals bedoeld in de art. 7:662 e.v. BW, omdat onvoldoende feitelijke omstandigheden zijn aangedragen of gebleken die de conclusie rechtvaardigen dat de identiteit van de passagedivisie behouden is gebleven.
nietheeft overgenomen. Dat laatste impliceert dat de passagedivisie van Martinair haar identiteit niet heeft behouden en dat van overgang van onderneming geen sprake is.
Süzen, punten 18 en 21).
“kan worden aangenomen dat het cabinepersoneel een economische eenheid vormt.”Dat oordeel wordt geenszins gedragen door hetgeen het hof in de tweede en derde volzin heeft overwogen. Dat een economische eenheid niet
noodzakelijkerwijsmateriële en immateriële activa van betekenis behoeft te omvatten (tweede volzin), is in die zin juist dat denkbaar is dat in bepaalde sectoren arbeidskrachten de voornaamste factor zijn bij de betrokken activiteit, maar dat laatste is in de passageluchtvaart (ook naar het oordeel van het hof) nu juist niet het geval. Evenzeer is juist dat, zoals het hof in de derde volzin van rov. 3.2.5 heeft overwogen, een georganiseerd geheel van werknemers die speciaal en duurzaam met een gemeenschappelijke taak zijn belast,
“wanneer er geen andere productiefactoren zijn”, als economische eenheid kan worden aangemerkt
.Maar in de passageluchtvaart zijn zulke andere productiefactoren er nu juist wel, waaronder de passagevliegtuigen, die het hof zelf als de meest kenmerkende bedrijfsmiddelen van de passagedivisie van een vliegmaatschappij heeft aangemerkt. Door niet kenbaar te toetsen of in casu is voldaan aan de voorwaarden waaronder een groep werknemers een economische eenheid vormt die bij overgang haar identiteit kan behouden (waaronder in het bijzonder de voorwaarde dat de betrokken werknemers werkzaam zijn in een sector waarin een minimum aan activa is en arbeidskrachten de voornaamste factor zijn) heeft het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven, dan wel zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd. Dat laatste klemt temeer, nu hetgeen het hof (in cassatie onbestreden) met betrekking tot de door de passagedivisie van Martinair gevormde economische eenheid heeft geoordeeld, mijns inziens
uitsluitdat het cabinepersoneel op zichzelf een economische eenheid vormde die na overgang haar identiteit kon behouden en dat, gelet op hetgeen het hof met betrekking tot de passagedivisie in cassatie onbestreden heeft geoordeeld, een toetsing aan de bedoelde voorwaarden tot geen andere uitkomst kan leiden dan dat het cabinepersoneel
nietals een zelfstandige en zich voor overgang met identiteitsbehoud lenende economische eenheid in de zin van de Richtlijn en art. 7:662 lid 2 onder Pro b BW kan worden aangemerkt.
“erkend”dat het cabinepersoneel een zelfstandige (en zich voor overgang in de zin van de Richtlijn en de art. 7:662 e.v. BW lenende) economische eenheid zou vormen (schriftelijke toelichting onder 18). Op de aangegeven plaats heeft KLM slechts benadrukt dat de
Cabin operationsgeheel los stonden van de
Ground operationsvan Martinair en in die zin, evenals de
Ground operations, een aparte economische entiteit binnen Martinair vormden. Evenmin kan ik de Stichting c.s. volgen in hun opvatting dat KLM niet zou hebben betwist dat het cabinepersoneel als een zelfstandige (en zich voor een overgang in de hiervoor bedoelde zin lenende) economische eenheid zou vormen. Dat het cabinepersoneel op zichzelf niet als een zodanige economische eenheid kan gelden, vloeit immers rechtstreeks voort uit de wel degelijk door KLM benadrukte onmisbaarheid van de inzet van passagevliegtuigen bij de economische activiteit (de passageluchtvaart) waarbij het cabinepersoneel was betrokken (zie onder meer de memorie van antwoord onder 78:
“(…) Een groep cabineleden kan niet op een economisch zinvolle wijze haar taak uitoefenen zonder vliegtuig. (…)”).
“de specifieke Martinair identiteit”gesproken). Ook in zoverre acht ik het onderdeel ongegrond.
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
acte éclairé). Dat bij die stand van zaken het direct bij de uitvoering van de activiteit van de passagevluchten betrokken cabinepersoneel, los van de voor die activiteit meest kenmerkende bedrijfsmiddelen (de vliegtuigen), niet kan worden aangemerkt als een zelfstandige economische eenheid (die na overgang haar identiteit zou kunnen behouden), is naar mijn mening boven redelijke twijfel verheven (
acte clair).
nietheeft geoordeeld dat van een overgang geen sprake was vanwege de bedoeling van KLM om de door haar overgenomen activiteiten op termijn te staken. Tegen de door het middel verdedigde lezing verzet zich reeds dat, waar het middel met de door KLM overgenomen en op termijn te staken
“activiteiten”onmiskenbaar de passage-activiteiten van Martinair bedoelt, KLM die activiteiten naar het oordeel van het hof niet van Martinair heeft overgenomen (evenmin als - het gebruik van - de passagevliegtuigen), maar slechts het cabinepersoneel dat bij Martinair bij de passage-activiteiten was betrokken. Evenmin is juist dat (in de gedachtegang van het hof) KLM als overnemende partij de bedoelde passage-activiteiten zou hebben gestaakt; de bedoelde activiteiten zijn niet door KLM, maar door Martinair zelf gestaakt (zie rov. 3.1.6:
“(…) Martinair heeft op een personeelsbijeenkomst van 23 september 2010 bekendgemaakt dat zij het voornemen had per 1 november 2011 te stoppen met de resterende (long haul) passagedivisie en zich te concentreren op vrachtvervoer.”; zie ook rov. 3.18:
“(…) Martinair heeft de resterende passagedivisie per 1 november 2011 volledig gestaakt.”).
“aldaar werkzaam (was) in de oude functie, in de kenmerkende rode uniformen, in de vliegtuigen van Martinair en vliegend op de specifieke Martinair-bestemmingen”. Bij de vraag of van identiteitsbehoud sprake is, gaat het om een vergelijking van de situatie bij de overdragende partij en de situatie bij de ontvangende partij; daarbij geldt dat behoud van de identiteit van de betrokken eenheid
“met name hieruit kan blijken dat de exploitatie ervan in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsactiviteiten.” [20] Nog daargelaten dat het bij die vergelijking naar mijn mening veeleer gaat om de structuur en de autonomie van het overgenomen personeelsbestand dan om de door de Stichting c.s. benadrukte uiterlijkheden (in de woorden van het hof:
“de specifieke Martinair identiteit”), is voor de situatie bij de overnemende partij (uiteraard) niet representatief dat voor de betrokken werknemers die voor de duur van de afbouw van de passagedivisie van Martinair bij Martinair waren gedetacheerd, gedurende die korte periode van detachering uiterlijk weinig veranderde. Voor die medewerkers moest de overgang naar KLM in wezen nog (per 1 november 2011) worden geëffectueerd (vergelijk in dat verband ook rov. 3.1.8:
“(…) De resterende cabinemedewerkers die bij Martinair waren gedetacheerd zijn per die datum(1 novemver 2011; LK)
naar KLM overgegaan. (…)”); voor die medewerkers moet bij de beantwoording van de vraag naar het identiteitsbehoud daarom niet de situatie tijdens hun tijdelijke detachering, maar de situatie na afloop van die detachering (per 1 november 2011) worden betrokken [21] .