Conclusie
“medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven”, veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
middelklaagt dat de bewezenverklaarde vrijheidsberoving en het bewezenverklaarde opzet daartoe niet uit de bewijsvoering kan volgen.
de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2014.
aangifte van [betrokkene] :
verklaring van [slachtoffer] :
verklaring van [slachtoffer] :
[slachtoffer], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 30 oktober 2014.
als verklaring van de verdachte:
Nadere bewijsoverweging
“Nadere bewijsoverweging
lichamelijkevrijheid (in tegenstelling tot de geestelijke vrijheid). Bepalend voor de beantwoording van de vraag of sprake is van het beroven van die vrijheid is of het slachtoffer de vrijheid heeft om te gaan en te staan waar hij wil. [3] Een typische situatie waarin sprake is van beroving van die vrijheid is die waarin iemand zich fysiek niet kan verwijderen van de plaats waar hij zich bevindt, zulks doordat hij ofwel opgesloten zit (zodat hij zich niet door de gewone uitgang kan verwijderen zonder geweld te plegen of te ondergaan), ofwel ‘gekneveld’ is (zodanig dat hij zich niet kan voortbewegen). [4] Met Machielse meen ik dat voor het beantwoorden van de vraag of van vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Sr Pro sprake is “
de intentie aangaande de duur waarmee iemand van zijn vrijheid wordt beroofd, minder belangrijk is dan de feitelijke situatie waarin hij gebracht wordt”. [5]
om [slachtoffer] te pesten”. Ze maakten er een ‘spelletje’ van en zeiden tegen [slachtoffer] : “
probeer maar over ons heen te springen en als je ons niet aanraakt mag je weg”. Als [slachtoffer] inderdaad over hen heen probeerde te stappen, werd ze geschopt, geslagen en aan haar haren weer naar binnen getrokken. De verdachte deed de deur afwisselend open en dicht. Zodra [slachtoffer] op de drempel kwam, deed de verdachte de deur dicht. [slachtoffer] wilde over [medeverdachte] heen stappen, maar dit lukte niet omdat [medeverdachte] haar wegduwde met zijn voet. [slachtoffer] stuurde een sms naar haar moeder met de inhoud dat ze bij [verdachte] (de verdachte) was en dat hij haar niet liet gaan. Na een kwartier lukte het [slachtoffer] om naar buiten te gaan.
opzettelijkvan de vrijheid heeft beroofd niet van een onjuiste rechtsopvatting, is het niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Uit die verklaring van de verdachte blijkt immers dat hij en [medeverdachte] [slachtoffer] opzettelijk beletten om de woning te verlaten. Dat opzet lijkt mij overigens niet voorwaardelijk van aard, maar
onvoorwaardelijk.